← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:4463

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL18.4890 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. A.M. van Eik), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. E. Groenendijk). Procesverloop Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april

  1. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Overwegingen
  2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1983 en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 31 maart 2017 een asielaanvraag ingediend.
  3. Verweerder heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder is op 15 januari 2018 door de politie geïnformeerd dat eiser op 12 december 2017 met onbekende bestemming is vertrokken uit de opvanglocatie in [plaats] zonder de vervolgstappen van zijn procedure af te wachten. Op 6 februari 2018 werd het verweerder ambtshalve bekend dat eiser zich op dat moment in Istanbul bevond. Verweerder werpt aan eiser tegen dat hij plotseling is vertrokken en geen contact heeft gehad met de bevoegde autoriteiten in Nederland nadat hij de opvang verlaten had. Ook werpt verweerder eiser tegen dat hij geen terugkeervisum heeft aangevraagd. Verweerder heeft voorts besloten dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten omdat er volgens verweerder een risico is dat eiser zal onderduiken.
  4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert, samengevat, aan dat hij plotseling naar Turkije moest afreizen om zijn gezin in veiligheid te brengen. Zijn gezin werd lastiggevallen en er werd bij hen navraag naar eiser gedaan. Omdat eiser in allerijl moest vertrekken om zijn gezin in veiligheid te brengen heeft eiser de Nederlandse autoriteiten niet geïnformeerd en geen terugkeervisum aangevraagd. Eiser heeft inmiddels bij het Nederlandse consulaat in Turkije een aanvraag voor een visum ingediend om daarmee terug te keren naar Nederland voor zijn asielprocedure. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat het terugkeerbesluit ten onrechte aan hem is opgelegd. Een terugkeerbesluit kan alleen worden opgelegd aan illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelanders. Bovendien is eiser uitgenodigd voor een conferentie in Zwitserland waarvoor hij op EU grondgebied moet kunnen zijn. Er is voorts ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat er sprake zou zijn van een risico op onderduiken.
  5. De rechtbank overweegt het volgende. 4.1 Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het voor eisers rekening en risico komt dat hij de opvang op 12 december 2017 plotseling en zonder opgave van reden heeft verlaten en dat hij daarna ook geen contact heeft gezocht met de Nederlandse autoriteiten. Op 25 januari 2018 is gebleken dat de gemachtigde van eiser wel nog contact heeft met eiser. Desondanks heeft hij niets meer van zich laten horen. Eiser heeft pas in de zienswijze naar voren gebracht waarom hij is vertrokken. Uit de stukken die eiser heeft overgelegd kan de rechtbank niet opmaken dat eiser naar Turkije is vertrokken om zijn gezin te beschermen. Verweerder heeft zich ter zitting ook terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het niet aan eiser is te wijten dat hij geen contact heeft opgenomen met de Nederlandse autoriteiten. 4.2 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op juiste gronden een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt, voor zover van belang, dat nadat tegen een vreemdeling een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, hij Nederland binnen vier weken dient te verlaten. Artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bepaalt dat kan worden bepaald dat de vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, in geval het risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. Artikel 6.1, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000) bepaalt dat een risico op onttrekking als bedoeld in artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw 2000 kan worden aangenomen indien tenminste twee van de gronden als bedoeld in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 op de vreemdeling van toepassing zijn. Eiser betwist niet dat hij onvoldoende middelen van bestaan heeft en hij heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Daarnaast heeft eiser zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving tot op heden aan het toezicht onttrokken door plotseling de opvang te verlaten en geen contact meer te hebben opgenomen met de Nederlandse autoriteiten. Eisers stelling dat een terugkeerbesluit alleen kan worden opgelegd aan illegaal in een lidstaat verblijvende derdelanders, slaagt gelet op het voorgaande niet. Dat eiser inmiddels een aanvraag voor een terugkeervisum heeft ingediend maakt het vorenstaande niet anders. Zoals verweerder terecht ter zitting heeft aangegeven, kan eiser bij terugkeer naar Nederland opnieuw een asielverzoek indienen, dat opnieuw (inhoudelijk) beoordeeld kan worden. Dat eiser zou zijn toegezegd dat hij een asielvergunning krijgt als hij zich bij terugkeer meldt bij de autoriteiten maakt dit niet anders. Immers, verweerder heeft de behandeling van eisers asielverzoek op juiste gronden buiten behandeling gesteld. Dat eiser is uitgenodigd voor een conferentie in Zwitserland leidt ook niet tot een andersluidend oordeel. Het komt immers, zoals hiervoor is overwogen, voor rekening van eiser dat hij Nederland zonder toestemming heeft verlaten en dat er nu een terugkeerbesluit is opgelegd.
  6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht buiten behandeling gesteld.
  7. Het beroep is ongegrond.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april
  9. griffier rechter is niet in de gelegenheid om te tekenen Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.