ECLI:NL:RBDHA:2018:4580
Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 16-9468 Zaaknummer: C/09/523506 Datum beschikking: 29 maart 2018 Machtiging tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam Beschikking op het op 12 december 2016 ingekomen verzoekschrift van:
1 [1.verzoeker] wonende te [woonplaats] (Canada), 2 [2. verzoeker] , wonende te [woonplaats] , 3 [3. verzoeker] , wonende te [woonplaats] (NH), 4 [4. verzoeker] , wonende te [woonplaats] (België), 5 [5. verzoeker] wonende te [woonplaats] (Canada), 6 [6. verzoeker] , wonende te [woonplaats] (Canada), 7 [7. verzoeker] wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: verzoekers, advocaat: mr. W.S. Santema te Drachten.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 20 februari 2018 heeft de mondelinge behandeling ter terechtzitting plaatsgevonden ten overstaan van mr. J.M. Vink. Verzoekers zijn, met voorafgaand bericht, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de zaak, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor de verdere afdoening verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.
Verzoek Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank aan verzoekers machtiging zal verlenen tot het uitoefenen van het recht van erfgenaam als bedoeld in artikel 1:412, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), kosten rechtens.
Feiten
Beoordeling Bevoegdheid Ingevolge artikel 267 Rv is in zaken van afwezigheid of vermissing bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Deze bepaling wordt aangevuld door artikel 269 Rv, inhoudende dat indien de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aanwijzen de rechter te ’s-Gravenhage bevoegd is. In de onderhavige zaak kon van de afwezige of vermiste de verlaten woonplaats niet worden vastgesteld. Deze rechtbank is dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Ontvankelijkheid Verzoekers zijn, naast de vermiste, de wettige erfgenamen in de nalatenschap van de erflater en zijn om die reden ontvankelijk in hun verzoek.
Inhoudelijke beoordeling Ingevolge artikel 1:412 van het BW verleent de rechtbank, wanneer aan een persoon wiens bestaan onzeker is een erfdeel of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven mocht zijn, anderen zouden zijn gerechtigd, aan die anderen op hun verzoek machtiging tot de uitoefening van het recht van erfgenaam of legataris.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van het navolgende.
Blijkens de stukken is aan de vermiste een erfdeel opgekomen. Verzoekers hebben te kennen gegeven dat het bestaan van de vermiste onzeker is. Van vermiste is bekend dat hij op [geboortedatum] te [geboorteplaats] is geboren en dat hij op 13 juli 1946 is geëmigreerd. Het contact tussen hem en de familie is daarna verloren gegaan. Verzoekers stellen dat er, gelet op de gemiddelde levensverwachting, een reële kans is dat vermiste (die thans 95 jaar oud zou zijn) niet meer in leven is. Verzoekers hebben voor het ervenonderzoek naar de vermiste, dan wel zijn eventuele afstammelingen, onderzoek laten verrichten door het Centraal Bureau voor Genealogie en gebruik gemaakt van de diensten van Stichting Luminis.
De rechtbank overweegt dat uit voornoemd ervenonderzoek is gebleken dat de vermiste een zoon had, genaamd [naam zoon erflater tevens vermiste] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Duitsland). Ook is bekend geworden dat de vermiste op [datum huwelijk] te [plaatsnaam] is gehuwd met [echtgenote neef erflater tevens vermiste] . Het gezin is vervolgens in 1963 naar Australië vertrokken. De gezinsleden zijn bij het Australische archief bekend tot 1979. De onderzoekers geven aan dat verdere onderzoekpogingen zijn vastgelopen en dat het opsporen van de vermiste in Australië moeilijk is, omdat vermiste en zijn gezin hun geslachtnaam mogelijk hebben laten wijzigen. Navraag bij het archief van New South Wales (Australië) naar nakomelingen van [neef erflater, tevens vermiste] (of [neef erflater, tevens vermiste] ) over de periode van januari 1979 tot december 1988 heeft de onderzoekers ook geen verdere informatie opgeleverd.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het bestaan van de vermiste onzeker is.
De rechtbank stelt echter ook vast dat, indien de vermiste niet meer in leven mocht zijn, [naam zoon erflater tevens vermiste] krachtens erfopvolging gerechtigd is tot een erfdeel in de onderhavige nalatenschap.
Voor zover het erfdeel is opgekomen aan [naam zoon erflater tevens vermiste] , stelt de rechtbank vast dat [naam zoon erflater tevens vermiste] door verzoekers niet is opgevoerd als erfgenaam/belanghebbende in deze procedure. Dit betekent dat het verzoek niet volledig is en om die reden zou moeten worden afgewezen.
Voor zover verzoekers zich op het standpunt stellen dat het bestaan van [naam zoon erflater tevens vermiste] onzeker is overweegt de rechtbank als volgt. Verzoekers gingen er in het verzoekschrift nog vanuit dat vermiste geen nakomeling(en) had. De rechtbank heeft verzoekers in de gelegenheid gesteld om aan te geven op welke wijze specifiek gezocht is naar het wel of niet in leven zijn van [naam zoon erflater tevens vermiste] . Verzoekers hebben in hun berichten van respectievelijk 5 mei 2017 en 16 februari 2018 verwezen naar de reeds ingediende stukken en het verslag van het Centraal Bureau voor Genealogie voor de wijze waarop is gezocht naar het gezin [naam zoon erflater tevens vermiste] . Kort samengevat, zo stellen verzoekers in hun faxbericht van 16 februari 2018, is er na 1979 geen spoor meer te vinden van het echtpaar (bedoeld worden de vermiste en zijn echtgenote [echtgenote neef erflater tevens vermiste] ). De rechtbank leidt hieruit af dat niet specifiek is gezocht naar [naam zoon erflater tevens vermiste] , dan wel dat daartoe geen verdere pogingen zijn ondernomen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verzoekers met de thans overgelegde stukken en hun toelichting daarop onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het bestaan van [naam zoon erflater tevens vermiste] onzeker is. De rechtbank zal het verzoek om die reden afwijzen.
Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.M. Vink, H. Dragtsma en J.C. Sluymer, bijgestaan door mr. K. Veelenturf-Beukhof als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2018.