Rechtbank DEN HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 17-376 (scheiding) en FA RK 17-4797 (verdeling) Zaaknummers: C/09/525426 (scheiding) en C/09/534852 (verdeling) Datum beschikking: 12 april 2018 Scheiding en verdeling Beschikking op het op 16 januari 2017 ingekomen verzoek van: [verzoekster] de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. R. van Venetiën te Alphen aan den Rijn. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] de man, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens verzoekschrift; - het formulier verdelen en/of verrekenen van de zijde van de vrouw; - het formulier verdelen en/of verrekenen van de zijde van de man; - het F9-formulier van 12 juni 2017, met als bijlage een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 13 juni 2017, met bijlage, van de zijde van de man; - het F9-formulier van 31 oktober 2017 van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 2 maart 2017, met bijlagen, van de zijde van de man; - het F9-formulier van 2 maart 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw; - het F9-formulier van 14 maart 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw. De minderjarige [minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt. Op 15 maart 2018 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: beide partijen met hun advocaten. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd. Na de terechtzitting heeft de rechtbank ontvangen: - het F9-formulier van 19 maart 2018, met bijlagen, van de zijde van de man. Verzoek en verweer Het verzoek, zoals dat thans luidt strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: - opname van het ouderschapsplan in de beschikking; - vaststelling van kinderalimentatie van € 518,- per maand per kind, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, vermeerderd met iedere uitkering die de man op grond van geldende wetten of andere regelingen voor de kinderen zal of kan worden verleend en telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 3.080,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, en telkens bij vooruitbetaling te voldoen; - vaststelling van (de wijze van) de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; - voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel, tot het tijdstip van eigendomsoverdracht van die woning, althans gedurende zes maanden na inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – onder referte voor het overige – thans nog verweer tegen de verzochte kinder- en partneralimentatie en (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om: - opname van het ouderschapsplan in de beschikking; - vaststelling van de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man, - de vrouw te veroordelen haar medewerking te verlenen aan de verkoop van de echtelijke woning per ommegaande, en al hetgeen te doen om te komen tot een spoedige verkoop en levering van de echtelijke woning aan de koper(s), een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum] te [plaatsnaam] . - Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ; en het volgende jong-meerderjarige kind: - [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] . - [minderjarige] en [jongmeerderjarige] verblijven momenteel bij de vrouw. - Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. - Deze rechtbank heeft op 2 maart 2017 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende dat: - de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning; - [jongmeerderjarige] en [minderjarige] aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; - een voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen geldt. De verzoeken van de vrouw om vaststelling van een voorlopige kinder- en partneralimentatie zijn afgewezen. - Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Beoordeling Echtscheiding Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is. Opname ouderschapsplan Partijen zijn het erover eens dat het ouderschapsplan zal worden opgenomen in de beschikking. Hierbij hebben partijen de kanttekening geplaats dat [jongmeerderjarige] inmiddels 18 jaar oud is, zodat het ouderschapsplan momenteel alleen nog betrekking heeft op [minderjarige] . De rechtbank zal aldus beslissen, nu niet is gebleken dat opname van het ouderschapsplan in de beschikking in strijd is met de belangen van [minderjarige] . Kinderalimentatie De vrouw heeft verzocht om een kinderbijdrage van € 518,- per maand per kind. De man heeft een draagkrachtverweer gevoerd. Ontvankelijkheid kinderalimentatie ten behoeve van [jongmeerderjarige] De rechtbank overweegt als volgt. [jongmeerderjarige] is hangende de procedure jong-meerderjarig geworden. [jongmeerderjarige] is geen partij in deze procedure en de vrouw heeft ook geen machtiging overgelegd. De rechtbank zal om die reden beslissen dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek om een bijdrage van de man ten behoeve van [jongmeerderjarige] . Het voorgaande laat onverlet dat de ouders wel een onderhoudsverplichting hebben jegens [jongmeerderjarige] . De rechtbank verwacht van de ouders dat zij gezamenlijk met [jongmeerderjarige] zullen bespreken wat ieder van hen kan bijdragen in zijn kosten van levensonderhoud en studie. Behoefte van [minderjarige] Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] € 710,- per maand bedraagt. Draagkracht van partijen Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding dit eigen aandeel in de kosten van [minderjarige] tussen de ouders moet worden verdeeld. De rechtbank volgt hierbij de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 920,-], waarbij NBI staat voor netto besteedbaar inkomen. Draagkracht van de vrouw De vrouw had tot 1 april 2018 een tijdelijk dienstverband voor 24 uur per week. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij met ingang van 1 april 2018 kan starten met een nieuwe baan bij [bedrijfsnaam] tegen een salaris van € 3.000,- bruto per maand bij een fulltime dienstverband. De functie is voor 32 uur per week zodat de vrouw een salaris zal ontvangen van € 2.400,- bruto per maand. De rechtbank gaat ervan uit dat laatstgenoemd bedrag exclusief vakantietoeslag is. De rechtbank becijfert het inkomen van de vrouw op een bedrag van € 2.592,- bruto per maand (€ 2.244,- netto per maand). Hierbij dient het kindgebonden budget, inclusief alleenstaande ouderkop, van € 314,- per maand te worden opgeteld. De rechtbank becijfert het NBI van de vrouw op € 2.558,- per maand. Op grond van de formule 70% x [2.558– (0,3 2.558 + 920] bedraagt de draagkracht van de vrouw afgerond € 609,- per maand. Draagkracht van de man De rechtbank gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de navolgende feiten. De man is sinds 2009 werkzaam als zelfstandig ondernemer. De man heeft sinds de start van zijn onderneming hoofdzakelijk werkzaamheden verricht voor één opdrachtgever tot 1 januari 2017. Naderhand heeft hij nog een aantal projecten kunnen doen voor kortere periodes bij andere opdrachtgevers, maar sinds 5 februari 2018 heeft hij geen opdrachten meer gehad. De man heeft naast acquisitie voor nieuwe opdrachten tevens gesolliciteerd naar ICT-functies in loondienst. De man heeft in dit verband meer dan 250 sollicitaties overgelegd. Daarnaast is de man gestart met een (verkorte) HBO-opleiding Bedrijfskundige Informatica met als doel zijn kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. De man verwacht dat hij in april 2019 zijn diploma voor deze opleiding behaald zal hebben. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om de draagkracht van de man te beoordelen over meerdere periodes. Mocht echter blijken dat de man nieuwe opdrachten verwerft dan wel in loondienst treedt waardoor hij een hoger inkomen genereert dan waarmee de rechtbank in de navolgende periodes rekening heeft gehouden, dan zal de man dit aan de vrouw moeten melden. De man heeft ter zitting ook toegezegd dit te zullen doen. Partijen kunnen vervolgens zelf een nieuwe berekening maken met inachtneming van de uitgangspunten waarover de rechtbank in deze beschikking heeft beslist. Periode 1: heden tot en met september 2018 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de man momenteel geen inkomsten heeft uit zijn onderneming, terwijl de gemiddelde winst over de jaren 2013, 2014 en 2015 nog circa € 117.147,- bruto per jaar bedroeg. De rechtbank is van oordeel dat de man op dit moment geen draagkracht heeft voor het betalen van een kinderbijdrage. Periode 2: 1 oktober 2018 tot en met 30 april 2019 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de man binnen een redelijke termijn in staat moet worden geacht om een nieuwe opdracht te verwerven en/of een betrekking in loondienst te aanvaarden. De rechtbank dicht de man in dit verband met ingang van 1 oktober 2018 een verdiencapaciteit toe overeenkomend met een te verwachten winst uit onderneming van € 54.000,- bruto per jaar. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de man vanaf het moment dat zijn laatste opdracht geëindigd is (eind februari 2018) tot 1 oktober 2018 zeven maanden de gelegenheid heeft gehad om de door de rechtbank vastgestelde verdiencapaciteit te realiseren. Ten aanzien van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank aangesloten bij de berekening die de man zelf heeft gemaakt op basis van (de winst uit) zijn laatste opdrachten. De rechtbank heeft hierbij tevens betrokken het feit dat de man een opleiding volgt en daardoor niet full-time kan werken. De rechtbank houdt in haar berekening over periode 2 rekening met MKB winstvrijstelling en zelfstandigenaftrek. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Uit de bij deze beschikking gevoegde draagkrachtberekening “Berekening periode 2” volgt dat de man op basis van deze gegevens een NBI heeft van € 3.334,- per maand. Op grond van de formule bedraagt de draagkracht van de man vanaf 1 oktober 2018 afgerond € 989,- per maand. Periode 3: vanaf 1 mei 2019 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de man met ingang van 1 mei 2019 in staat moet worden geacht om een inkomen te genereren op het niveau dat hij voorheen, tot 1 januari 2017, verdiende. Met andere woorden, de rechtbank dicht de man vanaf dit moment een verdiencapaciteit toe ter hoogte van een te verwachten winst uit onderneming van € 117.147,- bruto per jaar. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man zijn opleiding op dat moment naar verwachting zal hebben afgerond en daardoor aantrekkelijker is voor opdrachtgevers in de overheidsbranche, zoals de man zelf ook heeft aangegeven. Uit de bij deze beschikking gevoegde draagkrachtberekening “Berekening periode 3” volgt dat de man op basis van deze gegevens een NBI heeft van € 6.139,- per maand. Op grond van de formule bedraagt de draagkracht van de man vanaf 1 mei 2019 afgerond € 2.364,- per maand. Draagkrachtvergelijking Periode 2: 1 oktober 2018 tot en met 30 april 2019 De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 609,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule in deze periode € 989,- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in deze periode € 1.598,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het eigen aandeel van de man bedraagt: 989 / 1598 x 710 = € 439 het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 609 / 1598 x 710 = € 271 samen € 710 Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 439,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 271,- per maand voor rekening van de vrouw. Periode 3: vanaf 1 mei 2019 De draagkracht van de vrouw is volgens de formule € 609,- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule in deze periode € 2.364,- per maand. Derhalve bedraagt de gezamenlijke draagkracht van partijen in totaal € 2.973,- per maand. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel: het eigen aandeel van de man bedraagt: 2364 / 2973 x 710 = € 565 het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 609 / 2973 x 710 = € 145 samen € 710 Derhalve komt van de totale behoefte van [minderjarige] een gedeelte van € 565,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van € 145,- per maand voor rekening van de vrouw. Zorgkorting De rechtbank gaat – evenals partijen in hun berekening – uit van een zorgkorting ter hoogte van 25% van de behoefte, afgerond € 178,- per maand. Conclusie kinderalimentatie Periode 2: 1 oktober 2018 tot en met 30 april 2019 De rechtbank zal bepalen dat de man in deze periode met een bedrag van (439-178) € 261,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Periode 3: vanaf 1 mei 2019 In deze periode bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie (565-178) € 387,- per maand. Partneralimentatie Behoefte van de vrouw De man heeft ter zitting ingestemd met de behoefte die de vrouw heeft berekend op basis van de Hofnorm van € 2.936,- netto per maand, zodat de rechtbank voornoemd bedrag als uitgangspunt zal nemen bij de navolgende berekening. Behoeftigheid De rechtbank zal voor wat betreft het eigen inkomen van de vrouw aansluiten bij hetgeen hiervoor in het kader van de kinderalimentatie ten aanzien van haar inkomen is overwogen, waarbij het kindgebonden budget buiten beschouwing blijft. Op basis van de huwelijksgerelateerde welstand van partijen en het eigen inkomen van de vrouw van € 2.244,- netto per maand, heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man van (€ 2.936,- minus € 2.244,-) € 692,- netto per maand. Dit is omgerekend € 1.400,- bruto per maand. Draagkracht van de man Inkomen/verdiencapaciteit De rechtbank zal voor wat betreft het inkomen van de man aansluiten bij hetgeen hiervoor in het kader van de kinderalimentatie ten aanzien van zijn verdiencapaciteit is overwogen. Dit betekent dat de man op dit moment geen draagkracht heeft voor partneralimentatie en dat een eventuele partneralimentatie niet eerder in zal gaan dan 1 oktober 2018 (periode 2). Met ingang van 1 mei 2019 heeft de man een hogere draagkracht (periode 3). De rechtbank zal eerst ingaan op de lasten van de man en daarna de partneralimentatie berekenen over periode 2 en periode 3. Lasten De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.