Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2018:4601
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/7525 uitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2018 in de zaak tussen [B.V. X], te [plaats], eiser (gemachtigden: [persoon 1] en [persoon 2]), en De hoofdbewaarder van het Kadaster en Openbare Registers, verweerder (gemachtigde: mr. P.A.M. Schamp).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Vereniging van Eigenaren [flat], de vve, te [plaats] (gemachtigden: mr. Y.H. van Ballegooijen en V. Persoon).
Procesverloop Bij besluit van 30 augustus 2017 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om herstel van de basisregistratie kadaster (hierna: de brk) ten aanzien van het perceel gemeente Delft sectie [sectie] nummer [nummer 1] (hierna: het perceel) afgewezen.
Bij besluit van 29 september 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2018.
Eiser, verweerder en de vve hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen 1. Ingevolge artikel 7t, eerste lid, van de Kadasterwet, voor zover van belang kan, indien een belanghebbende gerede twijfel heeft omtrent de juistheid van een in de brk opgenomen gegeven dat krachtens deze wet als authentiek is aangemerkt, dan wel omtrent de juistheid van een uit een andere basisregistratie dan genoemd in artikel 1a in de brk overgenomen authentiek gegeven, die belanghebbende onder opgaaf van redenen aan de Dienst een verzoek tot herstel van dat gegeven in de brk doen.
Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Kadasterregeling 1994 geschiedt wijziging of aanvulling van de in de kadastrale registratie vermelde gegevens inzake een geheel perceel of appartementsrecht met inachtneming van het tweede tot en met het achtste lid.
Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel worden de in de kadastrale registratie vermelde gegevens met het ingeschreven stuk in overeenstemming gebracht indien de inschrijving in de openbare registers een wijziging betreft in de rechtstoestand naar burgerlijk recht dan wel een wijziging of aanvulling van de gegevens omtrent een rechthebbende en die inschrijving aanleiding geeft tot een wijziging of aanvulling, tenzij de inschrijving betrekking heeft op een erfdienstbaarheid. Bij de desbetreffende in de kadastrale registratie vermelde gegevens wordt een korte aanduiding van de aard van het ingeschreven stuk vermeld.
Ingevolge artikel 3:19, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), geschiedt de inschrijving terstond na de aanbieding indien de voor een inschrijving nodige stukken worden aangeboden, de aangeboden stukken aan de wettelijke eisen voldoen en andere wettelijke vereisten voor inschrijving zijn vervuld.
In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat fouten zijn gemaakt bij het toepassen van de akten.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling in het onderhavige beroep beperkt is tot de vraag of verweerder overeenkomstig artikel 39, tweede lid, van de Kadasterregeling 1994 de gegevens van het perceel in de kadastrale registratie in overeenstemming heeft gebracht met de gegevens van dit perceel in de openbare registers. Volgens artikel 3:19 van het Burgerlijk Wetboek worden stukken die aan de wettelijke eisen voldoen en waarvoor andere wettelijke eiser voor inschrijving zijn vervuld immers terstond na aanbieding ingeschreven.
5.2.
In de akte van splitsing is vermeld dat de “[N.V. Y]” eigenaresse is van een flatgebouw met onderliggende en bijbehorende grond, staande te [plaats] aan [straat 1], [straat 2] en [straat 3], kadastraal bekend als gemeente Delft, Sectie [sectie], nummer [nummer 1], groot twaalf are en eenenzeventig centiare. Vervolgens wordt het flatgebouw gesplitst in 55 appartementen, en wordt de vve opgericht. De grond wordt niet meer genoemd in de akte. Uit de stukken is niet gebleken dat het buitenterrein een eigen appartementsrecht heeft gekregen of dat het perceel [plaats] [sectie] [nummer 1] voor de splitsing in appartementsrechten is verdeeld in een apart kadastraal perceel met een apart kadastraal nummer, los van het in appartementsrechten te splitsen perceel. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet gevolgd kan worden in zijn uitleg dat het voorgaande betekent dat de eigenaren van de appartementsrechten mede-eigenaar zijn geworden van de grond. Het voorgaande is dan ook terecht tot uitdrukking gebracht met de vermelding van de vve op de uitdraai van de brk.
Aldus is eiser, die eigenaar is van [cijferreeks 1] en [cijferreeks 2] delen van de gemeenschap, voor even zo grote delen eigenaar van het grondperceel. Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat de vraag of de splitsing dan wel overdracht van het grondperceel al dan niet op juiste wijze in een akte terecht is gekomen, niet door de rechtbank hoeft te worden beoordeeld. Daartoe ziet de rechtbank zich gesteund in de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO5723):
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, voorzitter, en mr. M.M. Meijers en mr. I.J.K. van der Meer, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2018.
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.