RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/14028 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer], en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder (gemachtigde: mr. C.H.A. Kroes). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen de mondelinge aanzegging van verweerder dat hij uiterlijk op 28 augustus 2017 de opvang, AZC te [plaats], dient te verlaten. Hij heeft tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april
- Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser heeft bij besluit van 28 juni 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ontvangen. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij brief van 29 juni 2017 medegedeeld dat eiser geen recht meer heeft op opvang van verweerder en hij met de hulp van verweerder en de gemeente een woning moet zoeken. 1.
- Naar aanleiding hiervan heeft op 3 augustus 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en medewerkers van verweerder. Tijdens dit gesprek heeft eiser geen medewerking verleend aan het invullen van een zogenaamd B10-formulier. 1.
- Vervolgens is eiser bij brief van 16 augustus 2017 opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 17 augustus
- Tijdens dit gesprek hebben medewerkers van verweerder eiser aangezegd dat hij nog maximaal 24 uur de tijd heeft om de woonruimte te accepteren en als hij na de 24 uur de woning blijft weigeren, zijn verstrekkingen zullen worden beëindigd. Van dit gesprek is een schriftelijk verslag opgemaakt.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze mondelinge aanzegging.
- De rechtbank moet eerst beoordelen of zij bevoegd is. 3.
- Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat beroep kan worden ingesteld tegen een besluit. De rechtbank moet daarom beoordelen of de mondelinge aanzegging van 17 augustus 2017 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Er is sprake van een besluit als de schriftelijke beslissing is gericht op een rechtsgevolg. Eiser stelt dat het gevolg van de mondelinge aanzegging is dat hij de opvang moet verlaten. De rechtbank volgt deze stelling niet. Dat eiser de opvang moet verlaten volgt uit het besluit van 28 juni
- In dat besluit is aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Uit dat besluit volgt, door de werking van artikel 44, eerste lid, van de Vw 2000, dat eiser geen recht meer heeft op opvang en verstrekkingen. Met andere woorden, dat eiser de opvang moet verlaten volgt uit de verlening van de asielvergunning en niet uit de mondelinge aanzegging van 17 augustus
- Eiser wist daarom bij de verlening van de asielvergunning al dat hij de opvang zou moeten verlaten. Dit betekent dat de mondelinge aanzegging geen rechtsgevolg heeft. De mondelinge aanzegging is niet meer dan een mededeling van het gevolg van de verlening van de asielvergunning. In dit kader verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:
- Dit betekent dat er geen beroep openstaat tegen de mondelinge aanzegging. De rechtbank is daarom onbevoegd.
- De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.