← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2018:5349

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 17/8329 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2018 in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], eiser(gemachtigde: H.J. Schimmel), en de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [plaats], verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 26 oktober 2017 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2015 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april

  1. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Eiser heeft met zijn ex-partner een dochter, [dochter], geboren op [geboortedatum]
  3. De relatie tussen eiser en zijn ex-partner is in 2014 beëindigd. De dochter is in 2015 ingeschreven op het adres van de ex-partner.
  4. Bij zijn aangifte voor het jaar 2015 heeft eiser verzocht om toekenning van de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Met dagtekening 11 maart 2017 is aan eiser de aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 opgelegd. De inkomensafhankelijke combinatiekorting is daarbij niet verleend.
  5. Eiser heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag gehandhaafd.
  6. Eiser heeft beroep ingesteld en daarbij aangevoerd dat verweerder binnen zes weken na het indienen van het bezwaarschrift uitspraak op het bezwaar had moeten doen. Omdat verweerder niet om toestemming voor verlenging van deze termijn heeft verzocht en pas op 26 oktober 2017 uitspraak heeft gedaan, is de termijn waarbinnen uitspraak op bezwaar had moeten worden gedaan ruimschoots overschreden. De rechtbank dient daarom, aldus nog steeds eiser, de uitspraak op bezwaar “nietig te verklaren” en “het bezwaarschrift alsnog toe te kennen”.
  7. Verweerder betwist niet dat de uitspraak op bezwaar niet tijdig is gedaan, maar betwist wel dat dit de nietigheid of vernietigbaarheid van de uitspraak op bezwaar tot gevolg heeft. Verder stelt verweerder dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheden tot ingebrekestelling en het instellen van beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
  8. Ter zitting heeft eiser desgevraagd te kennen gegeven dat het in beroep niet meer gaat over het recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting en dat het geschil zich beperkt tot het gevolg dat moet worden gegeven aan het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
  9. De rechtbank overweegt dat de in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn voor het beslissen op het bezwaarschrift een termijn van orde is. Dit volgt onder meer uit het feit dat het bestuursorgaan in beginsel niet wordt ontslagen van zijn verplichting om uitspraak op bezwaar te doen als de beslistermijn is overschreden (zie artikel 6:20, eerste lid, van de Awb). Dit betekent dat aan de overschrijding van die termijn geen gevolgen zijn verbonden. De rechtbank ziet in de overschrijding van deze termijn dan ook geen aanleiding het beroep van eiser gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen. Eiser had verweerder in gebreke kunnen stellen waarna verweerder bij verder uitstel een dwangsom zou hebben verbeurd. Tegen het uitblijven van een beslissing door verweerder had eiser vervolgens rechtstreeks beroep bij de rechtbank kunnen instellen. De rechtbank concludeert dat eiser van geen van beide mogelijkheden gebruik heeft gemaakt.
  10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei
  12. Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.