RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/569 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 januari 2018 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Orhan), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis). Procesverloop Bij besluit van 21 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning, met als doel: ‘verblijf bij echtgenote’, afgewezen. Bij besluit van 21 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december
- Eiser noch zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser is geboren op [geboortedatum] 1966 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser wil verblijf in Nederland als familie- of gezinslid bij zijn echtgenote [echtegenote] (referente). Referente heeft zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit.
- Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Volgens verweerder wordt niet voldaan aan het middelenvereiste. Verweerder heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de weigering een mvv te verlenen geen schending oplevert van artikel 8 van het van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
- Eiser heeft aangevoerd dat wel wordt voldaan aan het middelenvereiste. In ieder geval wordt over voldoende inkomen beschikt om voor het gezin te zorgen. Referente heeft loon uit arbeid. Zij heeft verwezen naar enkele loonspecificaties van haar werk bij [bedrijf] van januari tot en met maart
- Volgens eiser mag het inkomensvereiste niet tot doel of tot gevolg hebben dat de uitoefening van het recht op gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt, omdat dan afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verweerder heeft nagelaten om een individuele belangenafweging te maken. Eiser verwijst in dit kader naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010 inzake Chakroun (ECLI:EU:C:2010:117). Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind en het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
- De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat wordt voldaan aan het middelenvereiste nu uit de in bezwaar overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat eiser en referente ten tijde van het bestreden besluit beschikten over duurzame en voldoende middelen van bestaan. Het beroep op het arrest Chakroun slaagt niet nu het op de weg van eiser ligt om aan te tonen dat hij en referente met minder dan de inkomensnorm kunnen rondkomen. Dit heeft eiser niet gedaan. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt reeds niet nu verweerder hierover in de beschikking in primo een gemotiveerd standpunt heeft ingenomen en eiser hierover in bezwaar niets heeft aangevoerd.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 januari
- Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen vierweken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.