vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 28 februari 2018 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/525409 / HA ZA 17-78 van 1. de stichting STICHTING BOOR, gevestigd te Rotterdam, 2. de stichting Stichting Openbare Scholengemeenschap Vlaardingen Schiedam (OSVS), gevestigd te Schiedam, 3. de stichting Stichting Openbaar primair onderwijs Appingedam, Bedum, Delfzijl, Loppersum en Ten Boer, handelend onder de naam Stichting Openbaar Onderwijs Marenland, gevestigd te Loppersum, 4. de stichting Onderwijsgroep Fier, stichting voor openbaar en algemeen bijzonder onderwijs, gevestigd te Stiens, 5. de stichting Stichting Almeerse Scholengroep (ASG) Stichting voor Openbaar Primair onderwijs, Nieuwe Wijken, gevestigd te Almere, 6. de stichting Stichting Prokind Scholengroep, gevestigd te Spijkenisse, 7. de stichting Stichting Openbaar Onderwijs Oost Groningen, gevestigd te Oostwold, 8. de stichting Stichting Onderwijsgroep Zuid-Hollandse Waarden voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs, gevestigd te Barendrecht, 9. de stichting Stichting Promes, gevestigd te Meppel, 10. de stichting Stichting Archipel voor primair onderwijs en speciaal onderwijs in de gemeenten Brummen, Voorst en Zutphen, gevestigd te Zutphen, 11. de stichting Scholengroep OPRON, stichting voor openbaar primair onderwijs Apeldoorn, gevestigd te Apeldoorn, 12. de stichting Stichting Openbaar Primair Onderwijs Apeldoorn, gevestigd te Apeldoorn, 13. de stichting Stichting openbaar Onderwijs 3Primair, gevestigd te Barendrecht, 14. de stichting Stichting Onderwijsgroep Galilei, gevestigd te Barendrecht, eiseressen, advocaat mr. J. Zandberg, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. W.I. Wisman. Eiseressen worden hierna tezamen aangeduid als ‘de stichtingen’ en apart als BOOR, OSVS, Marenland, Fier, ASG, Prokind, SOOOG, SOZW, Promes, Archipel, Opron, Leerplein055, 3Primair en Galilei. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 17 oktober 2016 met producties; de conclusie van antwoord; het tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bevolen, het proces-verbaal van comparitie van 19 januari 2018 en de daarin genoemde producties; de opmerkingen van partijen bij het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal. 1.2. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. De stichtingen zijn alle opgericht om daarin onderwijstaken van geprivatiseerde openbare scholen voor primair en/of voortgezet onderwijs onder te brengen. 2.2. Vóór privatisering waren de personeelsleden van de openbare scholen in kwestie ambtenaren in dienst van de gemeente. Zij zijn eervol ontslagen toen de scholen werden ondergebracht in de stichtingen en zijn vervolgens aangesteld bij de stichtingen. De op de scholen tewerkgestelde personeelsleden hebben hun ambtelijke status behouden (vgl. CRvB 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2729). 2.3. Tot 1 januari 2009 werd op grond van artikel 47, aanhef en onder a, Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv 2006) over het loon van de werknemer geen WAO/WIA-basispremie geheven indien de werkgever die een werknemer in dienst nam, terwijl die werknemer een leeftijd van 50 jaar of ouder heeft. Deze premievrijstelling (hierna ook: ‘de premievrijstelling’) mocht worden toegepast zolang de dienstbetrekking duurde en uiterlijk tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. 2.4. De stichtingen hebben in 2007-2008 de premievrijstelling niet toegepast in hun aangiftes loonheffingen. De stichtingen hebben tegen de voldoening van de loonheffingen op deze aangiftes geen bezwaar aangetekend zodat de over die tijdvakken verschuldigde loonheffingen onherroepelijk vaststaat. 2.5. De stichtingen hebben in 2012-2014 verzoeken om ambtshalve vermindering van de loonheffingen ingediend voor de loontijdvakken 2007-2008. De verzochte vermindering beloopt in totaal € 3.435.227, exclusief heffingsrente. Dit bedrag is als volgt onderverdeeld over de stichtingen: - BOOR: € 1.219.071; - OSVS: € 121.219; - Marenland: € 65.020; - Fier: € 79.937; - ASG: € 618.128; - Prokind: € 113.524; - SOOOG: € 205.303; - SOZW: € 177.091; - Promes: € 50.608; - Archipel: € 136.177; - Opron: € 139.136; - Leerplein055: € 298.965; - 3Primair: € 90.667; - Galilei: € 120.381. 2.6. De inspecteur heeft de verzoeken van de stichtingen afgewezen. Hij stelt zich – samengevat – op het standpunt dat de premievrijstelling niet kan worden toegepast, omdat bij de aanstelling van de personeelsleden bij de stichtingen geen sprake is van indiensttreding. 3Het geschil 3.1. De stichtingen vorderen dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: I voor recht wordt verklaard dat bij overgang van de scholen naar de stichtingen: 1. de artikelen 7:662 tot en met 7:666 Burgerlijke Wetboek (BW) niet van toepassing waren; 2. de ambtenaren die onmiddellijk voor de overname op deze scholen werkzaam waren en na de overname bij de stichtingen werkzaam waren in dienst zijn genomen door de stichtingen als bedoeld in artikel 47 Wfsv; 3. dat derhalve de stichtingen in aanmerking kwamen voor de premievrijstelling als bedoeld in artikel 47 Wfsv vanaf het moment van in dienst nemen van deze werknemers; voorts voor recht wordt verklaard dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens de respectievelijke stichtingen door de verzoeken tot ambtshalve herziening (en zo alsnog de premievrijstelling te verlenen) niet te honoreren; II de Staat te veroordelen primair bij wijze van schadevergoeding tot het alsnog in behandeling nemen van de ingediende verzoeken tot herziening van de aanslagen premieheffing, met inachtneming van hetgeen door de rechtbank voor recht wordt verklaard, met bepaling dat wanneer de Staat zulks niet doet binnen vier weken na de datum waarop dit vonnis gewezen wordt, tot betaling aan de betreffende stichting van het volgende: 1. BOOR € 1.219.071 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 334.090 2. OSVS € 121.219 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 36.857 3. Marenland € 65.020 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 17.864 4. Fier € 79.937 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 21.963 5. ASG € 618.128 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 169.831 6. Prokind € 113.524 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 31.191 7. SOOOG € 205.303 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 62.406 8. SOZW € 177.091 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 48.656 9. Promes € 50.608 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 13.905 10. Archipel € 136.177 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 41.625 11. Opron € 139.136 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 38.228 12. Leerplein055 € 298.965 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 90.472 13. 3Primair € 90.667 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 24.911 14. Galilei € 120.381 en aan heffingsrente tot 1 oktober 2016 € 33.075 telkens te vermeerderen met de heffingsrente vanaf 1 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening; subisidiair tot vergoeding van de schade aan de stichtingen van de volgende bedragen 1. BOOR € 1.554.011 2. OSVS € 158.076 3. Marenland € 82.884 4. Fier € 101.900 5. ASG € 787.959 6. Prokind € 144.715 7. SOOOG € 267.709 8. SOZW € 225.747 9. Promes € 64.513 10. Archipel € 177.802 11. Opron € 389.437 12. Leerplein055 € 389.437 13. 3Primair € 115.578 14. Galilei € 153.456 telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening; III zowel primair als subsidiair: tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten overeenkomstig het Besluit Incassokosten (BIK) aan de stichtingen als volgt: tot vergoeding van de schade aan de stichtingen van de volgende bedragen 1. BOOR € 8.197,75 2. OSVS € 2.850,47 3. Marenland € 1.941,65 4. Fier € 2.170,74 5. ASG € 6.914,90 6. Prokind € 2.688,80 7. SOOOG € 3.767,39 8. SOZW € 3.513,52 9. Promes € 1.718,36 10. Archipel € 3.089,15 11. Opron € 3.083,85 12. Leerplein055 € 4.503,84 13. 3Primair € 2.336,24 14. Galilei € 2.794,57 telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2016 tot aan de dag der algehele voldoening; IV tot betaling van de kosten van dit geding, met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening. 3.2. De stichtingen stellen daartoe dat de afwijzing van hun verzoek tot het alsnog toepassen van de premievrijstelling voor het in dienst nemen van oudere werknemers evident onjuist en zonder grond is. Zij achten deze beslissing voorts in strijd met het algemene beginselen van behoorlijk bestuur (het gelijkheidsbeginsel). 3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer. 4De beoordeling 4.1. Het geschil is toegespitst op de weigering van de inspecteur om over te gaan tot de door de stichtingen gevraagde ambtshalve toepassing van de premievrijstelling voor oudere werknemers voor de loontijdvakken 2007-2008. Vast staat dat de stichtingen tegen (de hoogte van) de door hen over de loontijdvakken 2007-2008 afgedragen loonheffingen geen bezwaar hebben aangetekend zodat deze onherroepelijk vaststaan. De inspecteur is op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bevoegd tot ambtshalve vermindering van de door de stichtingen afgedragen loonheffingen. Op de namens de stichtingen ingediende verzoeken tot ambtshalve vermindering heeft de inspecteur echter afwijzend beslist. Binnen het gesloten stelsel van rechtsmiddelen van de AWR staat vervolgens geen bezwaar en beroep open tegen een beslissing van de inspecteur om de afgedragen loonheffingen al dan niet ambtshalve te verminderen. Evenmin kan daarvoor de reguliere bestuursrechtelijke rechtsgang worden gevolgd. Dat betekent dat niet de belastingrechter maar de burgerlijke rechter bevoegd is kennis te nemen van dit geschil. 4.2. In deze civiele procedure staat de vraag centraal of de weigeringen van de inspecteur om de afgedragen loonheffingen ambtshalve te verminderen onrechtmatig is. Bij beantwoording van die vraag dient een marginale toets te worden aangelegd: voor het aanvaarden van een verplichting tot ambtshalve verminderen kan niet worden volstaan met een – aan de burgerlijke rechter in beginsel onttrokken – beoordeling van de vraag wat de belastingrechter zou hebben beslist als de stichtingen de kwestie aan de belastingrechter zouden hebben voorgelegd. Van een verplichting tot ambtshalve vermindering kan pas sprake zijn als de inspecteur tot geen andere slotsom had kunnen komen dan dat de aanslagen onmiskenbaar onjuist waren (vgl. HR 8 juli 1993, ECLI:NL.HR:1993:ZC1042, r.o. 3.6). 4.3. Kern van het geschil is de vraag of – zoals de stichtingen stellen – de weigering om de premievrijstelling alsnog toe te passen onmiskenbaar onjuist is. De stichtingen stellen daartoe dat de personeelsleden, die zijn ontslagen bij de gemeente en vervolgens in dienst van de stichtingen zijn getreden in de zin van artikel 47 van de Wfsv. 4.4. De stichtingen hebben toegelicht dat hun in de dagvaarding vervatte stellingen over schending van het gelijkheidsbeginsel enkel naar voren zijn gebracht als argumenten ter ondersteuning van hun centrale stelling dat de weigering om de premievrijstelling alsnog toe te passen onmiskenbaar onjuist is; het zijn geen aparte (subsidiaire) grondslagen van de vorderingen. De rechtbank zal deze stellingen overeenkomstig deze bedoeling in haar beoordeling betrekken. 4.5. Met hun stelling dat de weigering om de premievrijstelling alsnog toe te passen onmiskenbaar onjuist is, stellen de stichtingen de daaraan ten grondslag gelegde uitleg van het begrip indiensttreding in de zin van artikel 47 van de Wfsv aan de orde. De rechtbank overweegt dat dit begrip moet worden bezien in de context van de Wfsv. Deze wet is zowel van toepassing op werknemers met een civielrechtelijke dienstbetrekking als ambtenaren. De definitiebepaling (artikel 1, aanhef en onder o tot en met r, Wfsv) definieert werkgevers en werknemers (onder o en
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.