RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: AWB 17/10715 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juni 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser, V-nummer [V-nummer] (gemachtigde: mr. U. Arslan), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op grond van het gestelde in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) per 30 juni 2014 van rechtswege is geëindigd. Bij besluit van 24 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2018. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen 1. Eiser heeft de Griekse nationaliteit. 2. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld dat eisers verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan op grond van het gestelde in artikel 8.12, eerste lid, van het Vb per 30 juni 2014 van rechtswege is geëindigd. Met ingang van 22 april 2013 tot 31 december 2013 heeft eiser reële en daadwerkelijke arbeid verricht, maar hij heeft zich pas sinds 8 juli 2013 weer ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens. Van 8 juli 2013 tot en met 31 december 2013 had eiser daarom rechtmatig verblijf op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb. Vervolgens heeft hij zes maanden, dat wil zeggen tot 30 juni 2014, rechtmatig verblijf gehad op grond van artikel 8.12, tweede lid, onder c, van het Vb. Daarna is zijn rechtmatige verblijf van rechtswege geëindigd. 3.1 Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij betwist langer dan zes maanden afwezig te zijn geweest uit Nederland en stelt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij pas sinds 8 juli 2013 weer in Nederland is. Hij stelt dat uit de overgelegde stukken blijkt dat hij weliswaar met enige tussenpozen regelmatig heeft gewerkt in Nederland. Verweerder dient dan ook de periode vanaf 22 april 2013 tot 31 december 2013 te rekenen als periode waarin eiser reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht. Hieruit blijkt volgens eiser redelijkerwijs dat hij vanaf 22 april 2013 tot en met 30 juni 2014 reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht, dat meer dan één jaar is, waardoor zijn verblijfsrecht niet is geëindigd. 3.2 Op grond van artikel 8.12, eerste lid, onder a, van het Vb, heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 8.12, tweede lid, van het Vb, dat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onder a, niet eindigt om de enkele reden dat die vreemdeling niet langer werknemer of zelfstandige is (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.