RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: AWB 17/8437 (beroep) AWB 17/8438 (voorlopige voorziening) [V:nummer] uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 6 april 2018 in de zaken tussen [de persoon 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1959, van Turkse nationaliteit, eiser, [de persoon 2] , geboren op [geboortedatum 2] 1966, van Turkse nationaliteit, eiseres, en hun kinderen: [kind 1] , geboren op [geboortedatum 3] 1995, van Turkse nationaliteit, [kind 2] , geboren op [geboortedatum 4] 1997, van Turkse nationaliteit, [kind 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2002, van Turkse nationaliteit (samen: eisers) (gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat, mr. W. Graafland en mr. L. Hansen). Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers van 21 maart 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ niet in behandeling genomen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 17 november 2016 ongegrond verklaard. Hiertegen hebben eisers beroep ingesteld. Het beroep is op 15 maart 2017 gegrond verklaard in een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats (AWB 16/28086 en AWB 16/28087). Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder opnieuw op het bezwaar beslist. In het besluit van 18 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Op 18 april 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers ontvangen. Bij brief van dezelfde datum hebben eisers de rechtbank verzocht verweerder te verbieden hen uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 7 juli 2017 heeft de rechtbank eisers bericht dat zij voornemens is het beroep te laten behandelen door de meervoudige kamer. Op 7 september 2017 heeft in dit kader een regiezitting plaatsgevonden. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden mr. Graafland en mr. Hansen. Op deze zitting is in overleg met partijen beslist dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank zijn meermalen schriftelijk standpunten tussen eisers en verweerder uitgewisseld. Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend. Op 19 en 20 februari 2018 heeft de meervoudige kamer de zaak van eisers inhoudelijk behandeld, deels gezamenlijk met een viertal andere soortgelijke zaken. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden mr. Pietermaat, mr. Graafland en mr. Hansen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1Voorgeschiedenis 1.1 Eiser is in 1986 naar Nederland gekomen. Met ingang van 24 oktober 1989 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid. Deze verblijfsvergunning is op 19 april 1990 ingetrokken. Eiser is op 16 februari 1993 naar Turkije uitgezet. Eiser en eiseres zijn in 1993 Nederland opnieuw ingereisd. Hun drie zonen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] zijn in Nederland geboren. 1.2 Op 30 juni 1998 hebben eisers een aanvraag ingediend om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning ‘klemmende redenen van humanitaire aard’. Op 29 november 1999 hebben eisers een aanvraag op grond van de tijdelijke regeling ‘witte illegalen’ ingediend. Beide aanvragen zijn op 20 juni 2000 afgewezen. De besluiten staan in rechte vast met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar van 11 juli 2002 (AWB 00/69000, AWB 00/68997, AWB 00/4705). 1.3 Op 6 mei 2003 hebben eisers een aanvraag ingediend om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard dan wel artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze aanvraag heeft verweerder op 14 juli 2003 afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 april 2004 (AWB 03/41757). 1.4 Op 30 december 2008 hebben eisers een aanvraag gedaan om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning ‘beschikking conform minister’. Deze aanvraag is op 4 maart 2009 afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 augustus 2012 (201100449/1/V1). 1.5 In een brief van 7 januari 2013 heeft verweerder de burgemeester van Amsterdam laten weten ten aanzien van eisers geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot vergunningverlening. 1.6 Eisers hebben op 11 februari 2013 een aanvraag gedaan op grond van het driejarenbeleid. Deze aanvraag heeft verweerder op 20 maart 2013 afgewezen. Dit staat in rechte vast met de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2014 (201309523/1/V3). 1.7 Eisers hebben op 30 mei 2013 een aanvraag ingediend op grond van de Overgangsregeling langdurig verblijvende kinderen (Kinderpardon). De aanvraag is afgewezen op 24 juli 2013, wat in rechte vast staat met de uitspraak op het hoger beroep van de Afdeling van 28 augustus 2015 (201502375/1/V1). 1.8 Op 28 november 2014 heeft de burgemeester van Amsterdam verweerder verzocht om met toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid eisers in het bezit te stellen van verblijfsvergunningen. Bij brief van 14 april 2015 heeft verweerder de burgemeester van Amsterdam laten weten geen gebruik te maken van deze bevoegdheid. Het bezwaar hiertegen is niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit staat in rechte vast met de uitspraak op het beroep van 7 oktober 2015 (AWB 15/12431). 1.9 Verweerder heeft aan [kind 2] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf voor studie’ verleend, geldig vanaf 1 september 2016 tot 1 september 2020. Inmiddels heeft verweerder ook aan [kind 1] een dergelijke vergunning verleend, geldig van 1 september 2017 tot 1 december 2021. 2Inleiding 2.1 Op 21 maart 2016 hebben eisers de aanvraag ingediend die de start geeft gevormd van deze procedure. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat eisers geen leges hebben betaald. Zij komen niet in aanmerking voor vrijstelling van leges omdat geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 3.34a, onder j of onder k, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) 2000. 2.2 In het besluit van 17 november 2016 heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel (waarbij eiser had verwezen naar 73 minuten van zaken waarin verweerder tot inwilliging was overgegaan) honoreerde verweerder niet, omdat de overgelegde minuten geen volledig beeld geven van de redenen voor gebruik van de discretionaire bevoegdheid. Uit de minuten komt niet het beeld naar voren dat inwilliging plaatsvindt op basis van omstandigheden die in de regel bij langdurig verblijvende kinderen voorkomen. 2.3 In haar uitspraak van 15 maart 2017 (AWB 16/28086) oordeelde deze rechtbank en zittingsplaats dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een schrijnend geval. Het beroep werd gegrond verklaard omdat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. 2.4 Verweerder heeft in het bestreden besluit de schrijnendheidsbeoordeling zoals gemaakt in het vorige besluit op bezwaar gehandhaafd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verweerder verworpen en in dat verband heeft hij het volgende opgemerkt. Bij zaak 1, die hetzelfde is als zaak 5, was wel sprake van bijzondere omstandigheden, zoals ook uit de analyse van eisers blijkt. Bij zaken 15, 65, 66, 67 en 71 was sprake van medische omstandigheden, een contra-indicatie openbare orde die leidde tot onevenredig nadeel, eer-gerelateerde omstandigheden, procedureel nalaten van vader om verblijf te realiseren en zeer langdurig verblijf met beperkte achterlating in het land van herkomst. Bij zaken 23, 34, 45 en 50 merkt verweerder op dat dit ‘buitenbeeldzaken’ zijn, die categorisch anders zijn beoordeeld dan de zaak van eisers. Bij zaak 17 was sprake van een zeer lange procedure, een relatie met een Nederlandse en voorafgaand rechtmatig verblijf. 2.5. Zoals reeds overwogen is deze zaak deels gezamenlijk behandeld met de zaken van een aantal andere vreemdelingen die ook een aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid hebben ingediend. In alle zaken is verwezen naar een set van in totaal 627 deels witgelakte minuten, die betrekking hebben op ingewilligde aanvragen om toepassing van de discretionaire bevoegdheid van verweerder. De vreemdelingen betogen aan de hand van die minuten, zakelijk weergegeven, dat verweerder in hun zaken een onjuist beoordelingskader heeft gehanteerd, nu de minuten een vaste gedragslijn laten zien die in de nu voorliggende zaken zonder uitleg niet is gevolgd. Daarnaast menen zij dat de afwijzing van hun aanvragen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat de afwijzing ondeugdelijk is gemotiveerd. 3Juridisch kader 3.1. Uit artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 volgt dat verweerder een verblijfsvergunning aan een vreemdeling kan verlenen onder een andere beperking dan de beperkingen die in het eerste lid van dat artikel staan vermeld. Dit is de zogeheten discretionaire bevoegdheid van verweerder om een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die niet op andere gronden voor een verblijfsvergunning in Nederland in aanmerking komt. 3.2. Uit de Nota van Toelichting blijkt dat de discretionaire bevoegdheid bedoeld is voor onvoorziene gevallen. Volgens de Nota van Toelichting zullen dergelijke onvoorziene gevallen veelal een categoriaal karakter hebben. In dat geval ligt de totstandkoming van een algemene (beleids)regel in de rede, die bij bestendiging op termijn tot algemeen verbindend voorschrift kan worden verheven. Het is echter niet uitgesloten dat in strikt individuele gevallen een noodzaak aanwezig is om een verblijfsvergunning te verlenen op grond van de discretionaire bevoegdheid. In een dergelijk geval zal een algemene (beleids)regel achterwege kunnen blijven. Ook staat in de Nota van Toelichting dat verweerder terughoudend van de discretionaire bevoegdheid gebruik zal maken. Omdat het hier om bijzondere onvoorziene gevallen gaat, zal de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag nadrukkelijk moeten aangeven waarom de verblijfsvergunning naar zijn mening moet worden verleend en de aanvraag met de nodige gegevens en bescheiden moeten onderbouwen. 3.3. Verweerder geeft in de praktijk toepassing aan zijn discretionaire bevoegdheid als sprake is van omstandigheden die maken dat de situatie van een vreemdeling schrijnend is. 3.4. In beginsel moet iedere vreemdeling om een reguliere verblijfsvergunning te kunnen krijgen over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikken en leges betalen. Onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden kan de vreemdeling hiervan worden vrijgesteld. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 oktober 2016 is hierover het volgende overwogen. Een vreemdeling kan bij een aanvraag om in het bezit te worden gesteld van een verblijfsvergunning met toepassing van de discretionaire bevoegdheid verzoeken om vrijstelling van het betalen van leges en het mvv-vereiste op grond van respectievelijk artikel 3.34a, onder k, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en artikel 3.71, derde lid, van het Vb 2000. In het kader van deze vrijstellingsverzoeken worden de schrijnende omstandigheden waar de vreemdeling zich op beroept ten volle beoordeeld. De leges-eis en het mvv-vereiste worden niet tegengeworpen als verweerder tot de conclusie komt dat de schrijnende omstandigheden van de vreemdeling aanleiding geven om met toepassing van de discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen. 4Hanteert verweerder een vaste gedragslijn? Standpunt eisers 4.1. Eisers voeren aan dat verweerder een vaste gedragslijn hanteert bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Bij een aanvraag op grond van de discretionaire bevoegdheid beoordeelt verweerder of sprake is van schrijnende omstandigheden die tot inwilliging van de aanvraag dienen te leiden. Volgens eisers hanteert verweerder hierbij de criteria zoals vastgelegd in de kamerbrief van 21 februari 2007 (hierna: de richtsnoerenbrief), inclusief de daarbij behorende bijlage. In de richtsnoerenbrief staat beschreven welke factoren verweerder aanmerkt als ‘bijkomende klemmende redenen van humanitaire aard’, die tezamen met lang verblijf en worteling in Nederland worden betrokken bij de vraag of de situatie van een vreemdeling schrijnend is. In de bijlage bij de richtsnoerenbrief staat per schrijnende factor vermeld welk gewicht daaraan wordt gehecht. Dit leidt er toe dat verweerder, als ware het een optelsom, bij een bepaalde combinatie van schrijnende factoren een verblijfsvergunning op grond van de discretionaire bevoegdheid verleent. Hoewel in de richtsnoerenbrief staat vermeld dat het daarin beschreven toetsingskader alleen van toepassing is op aanvragen die zijn ingediend vóór 18 maart 2005, betogen eisers dat de richtsnoerenbrief, inclusief de weging van de factoren uit de bijlage, ook bij de beoordeling van aanvragen ingediend na 18 maart 2005 is gehanteerd. Volgens eisers blijkt dit uit de set van 627 deels witgelakte minuten die zij hebben overgelegd. Eisers betoog wordt volgens hen verder onderbouwd door paragraaf 2.3 van het advies ‘Om het maatschappelijk belang’ van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACVZ) en de artikelen van mr. M.J.M Peeters ‘Schrijnende zaken, emotie vervat in juridische termen’ en ‘Op zoek naar transparantie in unieke situaties’. Daarnaast zien eisers aanwijzingen voor de juistheid van hun standpunt in de uitlatingen van verweerder zelf. Eisers verwijzen naar het door verweerder in deze procedure ingebrachte ‘praktijkdocument’, een brief van 10 december 2015 van mr. R.J.E. van Lint, toenmalig hoofddirecteur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, en de verweerschriften in deze procedure. Nu er een vaste gedragslijn is, was verweerder volgens eisers gehouden om die ook te volgen in eisers’ zaken. Dat is volgens eisers niet, althans onvoldoende kenbaar, gebeurd. Verweerder heeft namelijk in deze zaken niet kenbaar en stapsgewijs de casus beoordeeld aan de hand van de factoren genoemd in de richtsnoerenbrief en heeft ook niet kenbaar per factor de weging gehanteerd zoals omschreven in de bijlage bij de richtsnoerenbrief. Omdat verweerder dit niet heeft gedaan, is het voor eisers niet duidelijk waarom tot een afwijzing is gekomen terwijl in vergelijkbare zaken tot een toewijzing is gekomen. De beoordeling in de zaak van eisers en de andere door de meervoudige kamer deels gezamenlijk met de zaak van eiser behandelde zaken is aldus niet transparant en er is sprake van willekeur. Standpunt verweerder 4.2. Verweerder betoogt dat de richtsnoerenbrief inclusief de bijlage alleen rechtstreeks van toepassing is op aanvragen die zijn ingediend vóór 18 maart 2005. Bij de aanvragen die op of na die datum zijn ingediend, is de richtsnoerenbrief enkel als leidraad gebruikt. De vaste weging van de factoren uit de bijlage is niet meer toegepast. De factoren zoals die in de richtsnoerenbrief staan vermeld, zo hebben verweerders gemachtigden ter zitting toegelicht, zijn factoren die van oudsher al van belang zijn bij de vraag of sprake is van een schrijnende zaak. Deze opsomming van factoren is nooit limitatief geweest. Evenmin is ooit sprake geweest van een wiskundige benadering of optelsom van factoren. Verweerder beoordeelt iedere zaak op zijn eigen merites en aan de hand van de omstandigheden waar de aanvrager zich op beroept. Er moet sprake zijn van een uniek samenstel van omstandigheden om tot vergunningverlening over te gaan. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een ongedateerd en ongetiteld ‘praktijkdocument’ overgelegd, dat voor verweerders beslisambtenaren en pleiters inzichtelijk maakt welke omstandigheden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van schrijnendheid moeten worden betrokken. Volgens verweerder is dit praktijkdocument eind 2016 opgesteld en wordt het als groeidocument aangevuld. Het wordt door alle beslisambtenaren gebruikt als leidraad om te beoordelen of een zaak als schrijnende zaak moet worden aangemerkt. Beoordeling door de rechtbank 4.3. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder geen beleid heeft geformuleerd ter invulling van de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Er zijn geen bij besluit vastgestelde algemene regels waaruit blijkt in welke gevallen verweerder toepassing geeft aan zijn discretionaire bevoegdheid. Gelet op de Nota van Toelichting is verweerder hiertoe ook niet gehouden. 4.4. De vraag waar eisers de rechtbank voor stellen is of bij afwezigheid van beleid, er wel sprake is van een vaste gedragslijn, waarbij verweerder de richtsnoerenbrief inclusief bijlage toepast op aanvragen gedaan vanaf 18 maart 2005. Een vaste gedragslijn heeft immers bindende kracht op grond van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers deze gedragslijn echter onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daartoe is het volgende redengevend. 4.5. Uit inmiddels bestendige jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 5 augustus 2011, volgt dat het beoordelingskader uit de richtsnoerenbrief uitsluitend van toepassing is op aanvragen die vóór 18 maart 2005 zijn ingediend, zoals ook staat vermeld in de richtsnoerenbrief zelf. In de uitspraak van 22 februari 2011 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de omstandigheid dat verweerder meedeelt dat de richtsnoerenbrief als leidraad is toegepast, niet volgt dat verweerder ook het gehele in de richtsnoerenbrief neergelegde beoordelingskader heeft toegepast. In de uitspraak van 15 juni 2016 verwoordt de Afdeling het als volgt: “Over de brief van de toenmalige minister van Justitie (rechtbank: de richtsnoerenbrief) overweegt de Afdeling dat een beroep hierop niet kan slagen omdat het beoordelingskader uit de brief niet op de onderhavige situatie van toepassing is. (…) Wel kan het vermelde in die brief worden betrokken bij de door de staatssecretaris te maken afweging. (…) De in de brief genoemde factoren zijn evenwel op zichzelf beschouwd niet doorslaggevend.” De Afdeling maakt dus een duidelijk onderscheid tussen het gebruik van de richtsnoerenbrief als leidraad, dat wil zeggen: hulpmiddel bij de beoordeling, en het gebruik van de richtsnoerenbrief (inclusief bijlage, zo begrijpt de rechtbank) als beoordelingskader. Uit verweerders toelichting en ook de jurisprudentie is af te leiden dat verweerder in een paar gevallen abusievelijk de richtsnoerenbrief niet slechts is leidraad en dus hulpmiddel, maar als beoordelingskader heeft toegepast op aanvragen ingediend na 18 maart 2015. Van een dergelijke abusievelijke toepassing van de richtsnoerenbrief als beoordelingskader op aanvragen ingediend na 18 maart 2005 is sprake geweest in casus die ten grondslag hebben gelegen aan de uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 2012 en 29 augustus 2012. In zijn uitspraak van 23 augustus 2012 heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank terecht heeft getoetst aan de richtsnoerenbrief omdat in dat geval verweerder zelf feitelijk toepassing heeft gegeven aan de richtsnoerenbrief als beoordelingskader. Hetzelfde heeft de Afdeling overwogen in de uitspraak van 29 augustus 2012. Verweerder heeft toegelicht dat dit een ambtelijke misslag is geweest waaraan geen vertrouwen kan worden ontleend. Omdat de rechtbank naast de genoemde twee gevallen verder geen voorbeelden bekend zijn geworden waarin hetzelfde is gebeurd, volgt de rechtbank, mede gelet op voornoemde recentere jurisprudentie van de Afdeling, dit betoog van verweerder. 4.6. Dat in de richtsnoerenbrief zelf wordt gesproken over de weging van de factoren onder verwijzing naar de bijlage, maakt niet dat verweerder de in de brief genoemde factoren niet heeft kunnen loskoppelen van de weging. Dit is ook te verenigen met de uitlatingen van verweerder waar eisers zich op beroepen, zoals het praktijkdocument en de reeds genoemde brief van Van Lint. Uit deze uitlatingen blijkt niet dat verweerder nog steeds de weging van de factoren hanteert zoals beschreven in de bijlage bij de richtsnoerenbrief. Dat verweerder in beide documenten naar de richtsnoerenbrief verwijstis onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. In het praktijkdocument staat bovendien dat iedere zaak op zijn individuele merites wordt beoordeeld en dat alle omstandigheden worden betrokken, waarbij sommige omstandigheden zwaarder zullen wegen dan andere. Er wordt in het praktijkdocument geen vast gewicht aan de omstandigheden toegekend. Uit de beschrijving van de factoren in het praktijkdocument blijkt dat het gewicht dat aan een bepaalde omstandigheid wordt toegekend van geval tot geval kan verschillen. Zo hangt het gewicht dat wordt toegekend aan de omstandigheid dat andere familieleden een verblijfsvergunning hebben af van de relatie die de vreemdeling met die familieleden heeft. Dat verweerder met de hierboven genoemde uitlatingen het vertrouwen heeft gewekt dat hij nog altijd vasthoudt aan de vaste weging van factoren uit de bijlage bij de richtsnoerenbrief bij de beoordeling van aanvragen om toepassing van de discretionaire bevoegdheid, volgt de rechtbank daarom niet. 4.7. Daarnaast blijkt ook uit de door eisers overgelegde minuten niet dat verweerder vanaf 18 maart 2005 ingediende aanvragen heeft ingewilligd op basis van een vaste weging van schrijnende factoren, waarbij bij een bepaald aantal factoren altijd een vergunning werd verleend. Desgevraagd op de zitting hebben de gemachtigden van eisers geen minuut kunnen aanwijzen waaruit dit blijkt. 4.8. Ook het advies van de ACVZ en de artikelen van mr. Peeters bieden onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder bij de beoordeling van aanvragen ingediend na 18 maart 2005 heeft vastgehouden aan de vaste weging van de schrijnende factoren. Hierbij is van belang dat de ACVZ en mr. Peeters geen onderdeel uitmaken van verweerders organisatie, zodat verweerder reeds om die reden niet gehouden is hun interpretaties van verweerders gedragslijn te volgen. De rechtbank volgt eisers in zoverre dat paragraaf 2.3 van het ACVZ-advies voor verschillende uitleg vatbaar is en dat daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de ACVZ in de veronderstelling verkeert dat verweerder ook op aanvragen ingediend na 18 maart 2005 nog de weging uit de bijlage bij de richtsnoerenbrief toepast. Maar ook als de ACVZ in die veronderstelling verkeert, kan daaruit nog niet volgen dat verweerder daadwerkelijk ook op aanvragen ingediend na 18 maart 2005 nog de weging uit de bijlage bij de richtsnoerenbrief toepast. 4.9. De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de tussenconclusie dat zij eisers niet volgt in hun betoog dat verweerder de richtsnoerenbrief inclusief de weging uit de bijlage als vaste gedragslijn is blijven hanteren voor aanvragen ingediend na 18 maart 2005. 4.10. Uit het door verweerder overgelegde praktijkdocument volgt dat sprake moet zijn van een uniek samenstel van omstandigheden, waarbij in ieder geval de in de richtsnoerenbrief genoemde factoren worden betrokken. Daarnaast heeft verweerder in het praktijkdocument nog aanvullende, niet limitatief opgesomde, factoren beschreven die bij de beoordeling van schrijnendheid worden betrokken. De rechtbank leidt uit dit document, in samenhang met de uitleg van verweerders gemachtigden ter zitting, de volgende vaste gedragslijn af. 4.11. Voor de toepassing van verweerders discretionaire bevoegdheid zijn langdurig verblijf en worteling in Nederland op zichzelf onvoldoende. Er dient sprake te zijn van een uniek samenstel van aanvullende factoren. Juist omdat het moet gaan om een uniek samenstel van factoren kan niet limitatief worden aangegeven welke omstandigheden daarbij van belang kunnen zijn, of welke omstandigheden daarbij een doorslaggevende rol spelen. Alle omstandigheden die de aanvrager in het kader van schrijnendheid aanvoert worden betrokken bij de beoordeling, waarbij sommige omstandigheden zwaarder wegen dan andere omstandigheden. Ook contra-indicaties worden bij de beoordeling betrokken. In ieder geval de volgende factoren worden door verweerder betrokken (mits aangevoerd): - dreigende scheiding tussen ouders en kinderen ; - andere gezinsleden hebben wel een verblijfsvergunning; - traumatiserende ervaringen in Nederland; - ( ernstige) medische problemen; - gendergerelateerde aspecten, met name eerwraak en huiselijk geweld; - overlijden van een gezinslid in Nederland; - in Nederland geboren dan wel op zeer jonge leeftijd naar Nederland gekomen kind dat hier is opgegroeid en geworteld; - perioden van rechtmatig of quasi-rechtmatig verblijf; - net buiten de boot vallen voor een andere verblijfsvergunning; - omstandigheden in land van herkomst; - rol van de overheid; - belang van het kind; - maatschappelijk belang. Als contra-indicaties worden in ieder geval meegewogen: - criminele antecedenten; - identiteitsfraude; - niet meewerken aan vertrek / frustreren van uitzetting. Deze factoren en contra-indicaties zijn nader uitgewerkt in het praktijkdocument. Nu geen sprake is van gepubliceerd beleid, zal de rechtbank dit praktijkdocument als bijlage bij deze uitspraak voegen, zodat zij hierna kortheidshalve naar dat document kan verwijzen. 5. Leidt het ontbreken van een vast gewicht per factor tot willekeur en is de vaste gedragslijn daardoor onredelijk? Standpunt eisers 5.1. Eisers voeren aan dat de richtsnoerenbrief met bijlage is opgesteld om willekeur te voorkomen, mede naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2006. Eisers betogen dat sprake is van willekeur als geen vast gewicht meer wordt toegekend aan de relevante schrijnende omstandigheden. Standpunt verweerder 5.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende waarborgen in zijn beslispraktijk zijn ingebouwd om willekeur te voorkomen. In de eerste plaats geldt dat het praktijkdocument bij alle medewerkers bekend is en dat zij alle aanvragen om toepassing van de discretionaire bevoegdheid op basis van dit document beoordelen. Verder wordt de consistentie bewaakt door een commissie schrijnende zaken en door multidisciplinaire teams, waarin ter zake deskundige medewerkers zitten die de aanvragen in het licht houden van eerdere inwilligingen. Daar kunnen zaken voorgelegd worden die ‘omhooggetild’ zijn door individuele beslismedewerkers van verweerder of die zijn voorgelegd door burgemeesters of Kamerleden. Beoordeling door de rechtbank 5.3. Zoals hiervoor overwogen volgt uit de Nota van Toelichting dat verweerder niet verplicht is om beleid te maken over de invulling en toepassing van de discretionaire bevoegdheid. Uit de aard van de discretionaire bevoegdheid volgt dat verweerder een grote vrijheid heeft bij de invulling en toepassing van die bevoegdheid. Wel is het de verantwoordelijkheid van verweerder om (kenbaar en toetsbaar) te waken voor willekeur in de besluitvorming en te zorgen voor een consistente beslispraktijk. Uit de genoemde uitspraak van de Afdeling van 21 december 2006 volgt dat verweerder zich bij aanvragen om toepassing van zijn discretionaire bevoegdheid van die verantwoordelijkheid kan kwijten door een afwijzing van een aanvraag te funderen op (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.