Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2018:7895
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/2409 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2018 in de zaak tussen [eiseres] , geboren op [datum] 2009, v-nummer [nummer] , van Somalische nationaliteit, eiseres, (gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, verweerder.
Het procesverloop Op 7 december 2016 heeft [referente] (hierna: referente) ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Bij besluit van 10 juli 2017 (hierna: primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Daartegen heeft eiseres op 4 augustus 2017 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 8 maart 2018 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Op 3 april 2018 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is referente met haar zoon, [zoon referente] , verschenen. Verweerder is, na voorafgaande schriftelijke kennisgeving, niet verschenen.
De beoordeling 1. Referente is geboren op 1 januari 1949, zij heeft de Somalische nationaliteit en verblijft sinds 2015 in Nederland. Eiseres is de kleindochter van de broer van referente. Zij beoogt verblijf bij referente als pleegkind.
Uit paragraaf B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) blijkt dat verweerder aanneemt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.
Verweerder neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.
Blijkens paragraaf B7/3.7.2 van de Vc 2000 verleent verweerder, in aanvulling op de in artikel 3.28 van het Vb 2000 opgenomen voorwaarden, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden: het buitenlandse pleegkind is een bloed- of aanverwant als bedoeld in artikel 1:3 BW van de referent;
Ad 1.
De referent moet een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, of oom of tante van het pleegkind zijn.
7.1 Volgens eiseres blijkt uit verweerders beleid, paragraaf B7/3.7.1, van de Vc 2000, dat pas van een aanvaardbare toekomst kan worden gesproken als zij in het land van herkomst door naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. De verzorging door haar buren kan volgens eiseres niet gelijk worden gesteld met bloed- of aanverwanten zodat per definitie geen sprake kan zijn van een aanvaardbare toekomst nu zij verder ook geen familie heeft om voor haar te zorgen in Somalië.
7.2 De rechtbank volgt eiseres in haar betoog. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder niet heeft betwist dat eiseres sinds maart 2015 wordt opgevangen en verzorgd door haar buren. Door eiseres is terecht en onbetwist betoogd dat deze buren niet zijn aan te merken als bloed- of aanverwanten in de zin van verweerders beleid. Het bestreden besluit mist op dit punt dus een deugdelijke motivering.
8.1 Naar het oordeel van de rechtbank is ook deze motivering onvoldoende onderbouwing voor verweerders onder 7. vermelde standpunt. Nu verweerder niet heeft betwist dat eiseres sinds maart 2015 door haar buren wordt verzorgd, kan hieruit worden afgeleid dat eiseres niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd, zoals eiseres terecht heeft betoogd. Anders dan verweerder met zijn standpunt lijkt te suggereren, is de voorwaarde niet dat er nog naaste bloed- of aanverwanten in Somalië wonen. Uit verweerders beleid blijkt immers dat pas van een aanvaardbare toekomst kan worden gesproken als eiseres ook door deze bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Dat eiseres maandelijks een geldbedrag krijgt van de zoon van referente, maakt het voorgaande niet anders.
10.1 Eiseres heeft primair betoogd dat zij wel heeft voldaan aan deze voorwaarde omdat de in toelichting genoemde opsomming van familieleden niet limitatief is bedoeld. Subsidiair heeft zij betoogd dat verweerder bevoegd en gehouden was om af te wijken van deze beleidsregel vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. Verweerder heeft volgens eiseres niet gemotiveerd waarom tot het afwijken van de beleidsregel geen aanleiding bestaat.
10.2 De rechtbank is van oordeel dat het primaire betoog van eiseres niet slaagt. Verweerder heeft met het beleid de keuze gemaakt om het toepassingsbereik te beperken tot bloed- en aanverwantschap in de eerste, tweede en derde graad. Daarmee waarborgt verweerder een zekere mate van nauwe verwantschap tussen het pleegkind en de pleegouder(s) door de afstand tot hun gemeenschappelijke voorouder te beperken. Naast dat dit geen ongebruikelijke keuze is in het recht, is deze keuze naar het oordeel van de rechtbank ook te rechtvaardigen doordat het beleid op deze manier helder en objectief de doelgroep afbakent wat consistent en voorspelbaar overheidshandelen ten goede komt.
Het subsidiaire betoog van eiseres slaagt. Uit het verweerschrift blijkt immers niet, althans niet kenbaar, dat verweerder heeft beoordeeld of er op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aanleiding bestond om van de beleidsregel af te wijken. Verweerder is ter zitting niet verschenen, zodat hij niet heeft gereageerd op het betoog van eiseres. Daarom ligt de rechtbank geen standpunt van verweerder ter toetsing voor. Ook op dit punt is dus sprake van een motiveringsgebrek.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1002; gelast dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 170 aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.G. Smouter, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 juli 2018 griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).