RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/331 uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2018 in de zaak tussen Hexion B.V., te Rotterdam, eiseres (gemachtigden: mr. A.H. Gaastra en mr. J.B.J van der Kolk), tegen het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder (gemachtigden: mr. S. Eekhout en ing. B. Romijn). Procesverloop Bij besluit van 24 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder een aantal voorschriften gewijzigd, die verbonden waren aan de op 11 juni 2009 aan eiseres verleende vergunning voor de inrichting aan de [adres] te Rotterdam. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft op 13 juli 2017 een deskundigenbericht uitgebracht. Verweerder heeft bij brief van 15 september 2017 gereageerd. Eiseres heeft bij brief van 25 september 2017 gereageerd. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft bij brief van 16 oktober 2017 gereageerd op de reactie van verweerder op het deskundigenbericht. De StAB heeft op 26 oktober 2017 een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2017. Namens eiseres zijn verschenen [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5], bijgestaan door de gemachtigden en vergezeld van [persoon 6], werkzaam bij Gexcon AS. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens de StAB zijn verschenen [persoon 7], [persoon 8] en [persoon 9]. Overwegingen 1. Hexion drijft een inrichting ten behoeve van de productie van kunstharsen, epikotes, synthetische carbonzuren en de grondstoffen epichloorhydrine en diphenylolpropaan. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ambtshalve diverse vergunningvoorschriften aangepast. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder moeten worden beperkt. Verweerder heeft bij de bepaling van de beste beschikbare technieken (BBT) rekening gehouden met de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 29 “Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks” uit 2008 (PGS 29:2008). Deze richtlijn is ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), in samenhang gelezen met de bijlage bij artikel 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), in 2010 aangewezen als BBT-document. Omdat PGS 29:2008 niet meer actueel is, heeft verweerder de BBT nader bepaald aan de hand van de Tabel van erkende maatregelen (hierna: de Tabel) behorend bij de brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 februari 2016. 3. De rechtbank merkt op dat PGS 29 inmiddels is herzien. In juli 2016 is de eerste herziening gepubliceerd (PGS 29:2016, versie 1.0). In december 2016 (PGS 29:2016, versie 1.1) is daarop een aantal wijzigingen aangebracht. PGS 29:2016, versie 1.1 is per 1 oktober 2017 in het Mor opgenomen als BBT-document (Stcrt. 2017, 53562). 4.1 Eiseres betoogt dat de vergunningvoorschriften 11.57, 11.58, 11.59, 11.61, 11.65, 15.2.1, 15.5.1, 15.5.2, 15.12.2, 15.21.3, 15.21.4, 15.21.10 en 22.9 niet voorkomen in het ontwerpbesluit, maar eerst in het bestreden besluit zijn opgenomen. Zij heeft daar dus geen zienswijze over kunnen uitbrengen. Gelet daarop had verweerder een nieuw ontwerpbesluit ter inzage moeten leggen alvorens het bestreden besluit te nemen. 4.2 Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1399) kan een bestuursorgaan bij het definitieve besluit afwijken van het ontwerpbesluit. De bepalingen van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplichten het bestuursorgaan er niet toe om in dat geval eerst een in die zin aangepast ontwerpbesluit ter inzage te leggen, alvorens het een definitief besluit neemt. Belanghebbenden die zich niet kunnen verenigen met tegen de in een besluit ten opzichte van het ontwerpbesluit aangebrachte wijzigingen, kunnen dat in beroep naar voren brengen. Deze grond slaagt niet. 5. Verweerder heeft ter zitting in reactie op het beroepschrift, voor zover betrekking hebbend op vergunningvoorschrift 2.6, meegedeeld dat dit voorschrift kan komen te vervallen. Het beroep is gelet hierop gegrond en het besluit komt wat vergunningvoorschrift 2.6 betreft voor vernietiging in aanmerking. 6.1 Vergunningvoorschrift 11.49 luidt als volgt: “Het bluswaternet moet zijn ontworpen en uitgevoerd overeenkomstig de normen van de National Fire Protection Association (NFPA) of een equivalente norm. De volgende normen moeten aangehouden worden voor de van toepassing zijnde onderdelen van het bluswaternet: NFPA 20, voor pompinstallaties ten behoeve van het bluswaternet, NFPA 22, voor het gebruik van watertank (mits van toepassing) als voeding voor het bluswaternet, NFPA 24, voor het bluswaternet zelf en toebehoren daarvan.” 6.2.1 Eiseres voert aan dat het voorschrift in strijd is met de rechtszekerheid, omdat onvoldoende duidelijk is welke verplichtingen uit deze normen voortvloeien. Zo verwijst hoofdstuk 2 van NFPA-norm 22 naar zestig andere publicaties en worden in NFPA‑norm 24, paragraaf 7.1, voor het plaatsen van hydranten andere uitgangspunten genoemd dan in vergunningvoorschrift 11.53. 6.2.2 Volgens het deskundigenbericht stellen de NFPA-normen nadere voorschriften aan diverse onderdelen van het bluswaternetwerk. Bepaalde hoofdstukken van deze normen zijn voor bepaalde onderdelen van het bluswaternetwerk van toepassing. Welk deel geldt, is afhankelijk van wat is aangevraagd en vergund. Nu in het vergunningvoorschrift per onderdeel van het bluswaternetwerk wordt verwezen naar specifieke hoofdstukken van de NFPA-normen 20, 22 en 24, is volgens de StAB niet onduidelijk welk hoofdstuk van de desbetreffende NFPA‑normen van toepassing is en is het voorschrift voldoende concreet. 6.2.3 De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van deze conclusie. Mede gelet op de verklaringen ter zitting van eiseres mag worden aangenomen dat in de inrichting van eiseres voldoende deskundigheid aanwezig is om ten aanzien van de verschillende onderdelen van het bluswaternetwerk toepassing te kunnen geven aan de juiste hoofdstukken van de NFPA‑normen die in dit vergunningvoorschrift zijn opgenomen. 6.3.1 Eiseres stelt voorts dat het voorschrift innerlijk tegenstrijdig is, omdat de eerste volzin de mogelijkheid biedt het bluswaternet te ontwerpen en uit te voeren overeenkomstig een aan de NFPA-norm equivalente norm, terwijl de tweede volzin voorschrijft aan welke NFPA‑normen moet worden voldaan. Equivalente normen moeten volgens eiseres worden toegelaten, met name omdat de inrichting dateert uit de zestiger jaren van de vorige eeuw. Sindsdien zijn verschillende delen van de installatie op verschillende data aangelegd of geïnstalleerd. Niet meer is te achterhalen of op die data een NFPA-norm gold en, voor zover dat het geval was, welke norm gold op welke datum en voor welke onderdelen van de installatie. 6.3.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het doel van het voorschrift is dat het bluswaternet is ontworpen overeenkomstig algemeen erkende standaarden voor de industrie. Het voorschrift verwijst daarom naar NFPA-normen of equivalente normen. 6.3.3 De StAB heeft ter zitting toegelicht dat de strekking van het voorschrift is dat voor bestaande situaties de genoemde NFPA-normen of equivalente normen, die golden ten tijde van de constructie van de inrichting, van toepassing zijn. Voor nieuwe situaties gelden de NFPA‑normen. Om de strekking van het voorschrift duidelijker tot uitdrukking te brengen, heeft de StAB een tekstvoorstel gedaan. Verweerder heeft ter zitting ingestemd met dit voorstel. 6.3.4 Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het tekstvoorstel voldoende duidelijkheid geboden aan eiseres. Dat eiseres naar haar zeggen niet in staat is van alle delen van de installatie te achterhalen op welke datum deze zijn aangelegd, maakt het niet anders, aangezien dit raakt aan de bedrijfsvoering van eiseres en voor haar verantwoordelijkheid komt. Omdat ter zitting is komen vast te staan dat in de inrichting geen watertanks als voeding voor het bluswaternet aanwezig zijn, zal de rechtbank - in overeenstemming met wat ter zitting is besproken - de verwijzing in het voorschrift naar NFPA‑norm 22 verwijderen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in die zin en conform het tekstvoorstel van de StAB aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. 6.4.1 Eiseres betoogt verder dat het voorschrift in strijd is met het specialiteitsbeginsel, omdat het niet strekt tot bescherming van het milieu, maar de veiligheid dient. Daarvoor geldt volgens eiseres de Wet veiligheidsregio’s. 6.4.2 De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog. Het vergunningvoorschrift stelt eisen aan het bluswaternet om een effectieve brandbestrijding te verzekeren. Daarmee beoogt het de nadelige gevolgen van incidenten voor het milieu te voorkomen en dient het de bescherming van het milieu. De Wet veiligheidsregio’s daarentegen beoogt een doelmatige en slagvaardige hulpverlening te verzekeren door de brandweerzorg, de rampenbestrijding, de crisisbeheersing en de geneeskundige hulpverlening bestuurlijk en operationeel op regionaal niveau te integreren. Voor zover daarmee uiteindelijk ook milieubelangen zijn gediend, zijn de bepalingen uit deze wet niet in eerste instantie daarop gericht. Voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 11.49 in strijd is met het specialiteitsbeginsel bestaat dan ook geen grond. 6.5.1 Eiseres betoogt voorts dat, nu vergunningvoorschrift 11.49 in strijd is met voorbeeldvoorschrift 159 van PGS 29:2008, een zware motiveringsplicht geldt voor het opnemen van het voorschrift in de omgevingsvergunning. Verweerder heeft daaraan ten onrechte niet voldaan. 6.5.2 Verweerder wijst erop dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit PGS:29:2008 niet langer actueel was en dat hij daarom bevoegd was BBT vast te stellen, rekening houdend met de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis. Daarbij is aangesloten bij de Tabel. 6.5.3 Volgens het deskundigenbericht is het vergunningvoorschrift niet in overeenstemming met voorbeeldvoorschrift 159 uit PGS 29:2008, maar wel met de Tabel en voorbeeldvoorschrift 4.2.9 van PGS 29:2016, versies 1.0 en 1.1. 6.5.4 Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder BBT heeft vastgesteld aan de hand van de Tabel en aansluiting heeft gezocht bij PGS 29:2008. De rechtbank stelt vast dat in de considerans van de Tabel is opgenomen dat PGS 29:2008, gelet op de huidige inzichten, niet meer actueel en direct toepasbaar is. De richtlijn bevat een aantal onjuistheden en onduidelijkheden. Op basis van nieuwe inzichten hebben deskundigen uit het bedrijfsleven en de overheid onder de verantwoordelijkheid van de PGS Programmaraad met inbreng van een onder het Brzo+ functionerende stuurgroep overeenstemming bereikt over een aantal te wijzigen voorschriften. Daarbij zijn voorschriften geactualiseerd, verduidelijkt en specifieker gemaakt en wordt verwezen naar de juiste en geactualiseerde normen. Voorts is op basis van nieuwe algemeen aanvaarde inzichten in het kader van de herziening van de richtlijn een aantal voorschriften uit PGS 29:2008 niet opgenomen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de Tabel kan worden beschouwd als weergave van ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en daarmee voldoende grondslag biedt voor ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften. Verweerder heeft toereikend gemotiveerd dat en waarom hij gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot actualisering. Een verdergaande motivering is niet vereist. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vergunningvoorschrift 11.49 overeenkomt met voorbeeldvoorschrift 4.2.9 van PGS 29:2016, versie 1.1, die inmiddels als BBT in het Mor is opgenomen. Het betoog van eiseres faalt daarom. 6.6.1 Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om vergunningvoorschrift 11.49 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift vrijwel letterlijk overeenkomt met voorbeeldvoorschrift 159 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 6.6.2 Het betoog faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vergunningvoorschrift 11.49 de verplichtingen waaraan eiseres moet voldoen uitgebreider en explicieter beschrijft. 7.1 Vergunningvoorschrift 11.53 betreft de bluswatercapaciteit en de onderlinge afstand tussen naast elkaar gelegen brandkranen. De eerste volzin luidt als volgt: “Behoudens op open onbebouwd terrein moeten de bovengrondse brandkranen op een onderlinge afstand van maximaal 50 meter tot 80 meter zijn aangebracht.” 7.2.1 Eiseres voert aan dat het vergunningvoorschrift in strijd is met de rechtszekerheid, omdat niet is aangegeven hoe de afstand tussen de brandkranen moet worden gemeten. Onduidelijk is of de afstand hemelsbreed wordt gemeten of aan de hand van de wegen langs de tankputten. Het voorschrift houdt voorts ten onrechte geen rekening met de aanwezigheid van tankputten. Doorgaans zijn deze breder dan 80 meter en mogen daarin geen brandkranen worden opgesteld. 7.2.2 De StAB acht het vergunningvoorschrift niet onduidelijk. De afstand tussen de brandkranen wordt hemelsbreed gemeten. De opzet van het voorschrift is dat binnen de standaard operationele bepakking van brandweervoertuigen voldoende capaciteit bluswater aanwezig is. Dat is mogelijk als binnen de genoemde afstand van 50 tot 80 meter drie naast elkaar gelegen brandkranen aanwezig zijn. 7.2.3 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de brandkranen een brandweervoertuig voorzien van water en dat brandweerlieden daarvoor een slangverbinding moeten maken tussen het brandweervoertuig en de brandkranen. Dat geschiedt om obstakels heen. Voor het bepalen van de juiste onderlinge afstand tussen de brandkranen op de plaatsen waar het terrein bebouwd is, moet dus worden gemeten langs de weg om de tankputten heen. Op open onbebouwd terrein is het toegestaan om een hemelsbrede afstand aan te houden. Voorts heeft verweerder aangegeven dat het gaat om een onderlinge afstand tussen bovengrondse kranen van maximaal 80 meter. 7.2.4 De rechtbank kan verweerder volgen in zijn standpunt dat in het voorschrift voor de wijze van meten onderscheid moet worden gemaakt tussen bebouwd en onbebouwd terrein. Wel is de rechtbank van oordeel dat het voorschrift dient te worden verduidelijkt door daarin op te nemen dat het daarbij gaat om een onderlinge afstand tussen bovengrondse kranen van maximaal 80 meter. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De beroepsgrond slaagt in zoverre. 7.3.1 Het betoog van eiseres dat voor vergunningvoorschrift 11.53 een zwaardere motiveringsplicht geldt omdat dit voorschrift in strijd is met voorbeeldvoorschrift 167b van PGS 29:2008, faalt. De rechtbank verwijst voor de motivering van haar oordeel naar wat hiervoor onder 6.5.4 is overwogen. 7.4.1 Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om vergunningvoorschrift 11.53 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift is gebaseerd op de voorbeeldvoorschriften 167 en 171 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 7.4.2 Het betoog faalt. Dat een basis voor dit voorschrift is aan te wijzen in voorbeeldvoorschriften van PGS 29:2008 is onvoldoende grond voor het oordeel dat dit voorschrift niet in het bestreden besluit had mogen worden opgenomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de normstelling in vergunningvoorschrift 11.53 beperkter is dan in genoemde voorbeeldvoorschriften. 8.1 Vergunningvoorschrift 11.57 luidt als volgt: “De opslagtanks moeten zijn voorzien van een eigen stationaire koelvoorziening tegen opwarming door een externe brand behalve in situaties zoals beschreven in de voorschriften 11.58 en 11.59. De koelvoorziening moet een effectief dekkingspatroon van koelwater van minimaal 2 l/min/m2 tankoppervlakte over het gehele tankoppervlak geven. De stationaire koelvoorziening moet zijn uitgelegd volgens de NFPA 15.” Vergunningvoorschrift 11.58 luidt als volgt: “Tankputten met uitsluitend opslag van vloeistoffen van klasse 3 en/of klasse 4 hoeven niet te beschikken over koeling indien de tanks in geval van brand in de omgeving niet kunnen worden blootgesteld aan een warmtestralingsbelasting van meer dan 10 kW/m2. Indien vast dak tanks in de tankput waarin uitsluitend opslag van klasse 3 en/of klasse 4 plaatsvindt kunnen worden blootgesteld aan een warmtestralingsbelasting van meer dan 10 kW/m2 en minder dan 32 kW/m2 kan in plaats van stationaire koeling gekozen worden voor mobiele koeling indien aan het onderstaande wordt voldaan. Indien wordt gekozen voor mobiele koeling in plaats van stationaire koeling voor vast dak tanks in tankputten uitsluitend voor de opslag van klasse 3 en/of klasse 4 producten moet binnen 6 maanden na in werking treden van de vergunning een afschrift van een operationeel plan ter goedkeuring aan ons worden aangeboden. Het operationeel plan moet zijn afgestemd met de veiligheidsregio. In het operationeel plan moet worden beschreven op elke wijze de tanks tegen brand in de omgeving, waarbij een warmtestralingsbelasting van meer dan 10 kW/m2 optreedt, zijn beschermd door koeling met mobiele middelen. Hierbij moet een overzicht van benodigde middelen, de grafische weergave van de positionering van de middelen en de verdeling van de taken tussen bedrijfsbrandweer en overheidsbrandweer worden gegeven.” Vergunningvoorschrift 11.59 luidt als volgt: “In tankputten voor opslag van stoffen van de klassen 1 en 2 in tanks met een vast dak mag de stationaire koeling achterwege blijven, indien de tanks als gevolg van een brand niet kunnen worden blootgesteld aan hittebelasting van meer dan 10 kW/m2. Dit moet blijken uit berekeningen van de warmtestralingsbelasting. Hierbij mag het scenario tankputbrand buiten beschouwing blijven. Bij een hittebelasting van meer dan 32 kW/m2 is directe koeling vereist middels een stationair systeem.” 8.2.1 Eiseres betoogt dat in deze vergunningvoorschriften, die volledig nieuw zijn, ten onrechte geen redelijke overgangstermijnen zijn opgenomen. Teneinde vergunningvoor-schrift 11.57 na te komen moeten berekeningen worden gemaakt, op basis daarvan een type koelvoorziening worden gekozen en vervolgens de koelvoorzieningen worden geïnstalleerd. Daarvoor en voor het opstellen van een operationeel plan en het afstemmen met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond heeft eiseres meer tijd nodig dan haar nu is vergund. 8.2.2 Gelet op het verweerschrift en het verhandelde ter zitting is verweerder akkoord met aanpassing van vergunningvoorschrift 11.57 in die zin dat eiseres binnen zes maanden na inwerkingtreding aan het voorschrift moet voldoen. De rechtbank is niet gebleken dat deze overgangstermijn te kort is en zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De beroepsgrond slaagt in zoverre. 8.2.3 Volgens het deskundigenbericht is de in vergunningvoorschrift 11.58 gestelde termijn van zes maanden voor het maken van berekeningen en het doen van nader onderzoek alleszins redelijk. Eiseres heeft niet onderbouwd dat deze termijn ontoereikend is voor het doen van nader onderzoek en het opstellen van een operationeel plan. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 11.58 op dit punt niet in stand zou kunnen blijven. 8.3.1 Eiseres betoogt dat in vergunningvoorschrift 11.57 ten onrechte zonder nadere concretisering wordt verwezen naar de NFPA 15. Dit is een omvangrijk document dat niet zonder meer als voorschrift kan dienen. Zo wordt in hoofdstuk 10 verwezen naar 43 andere NFPA-publicaties. Onduidelijk is welke voorzieningen op grond van deze norm ten aanzien van de stationaire koelvoorzieningen moeten worden getroffen. Dat is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 8.3.2 In het deskundigenbericht is geconstateerd dat NFPA 15 het gehele stationaire koelsysteem met alle onderdelen beschrijft. Aangezien elk hoofdstuk van de NFPA 15 in beginsel van toepassing is, ligt een nadere concretisering niet voor de hand. 8.3.3 De rechtbank is van oordeel dat van strijd met rechtszekerheid geen sprake is. Eiseres heeft de conclusie van de StAB niet betwist. Dat de NFPA 15 een omvangrijk document is, maakt als zodanig nog niet dat een verwijzing rechtsonzeker is. Mede gelet op de verklaringen ter zitting van eiseres mag worden aangenomen dat in de inrichting van eiseres voldoende deskundigheid aanwezig is om ten aanzien van de verschillende onderdelen van het koelsysteem toepassing te kunnen geven aan de juiste hoofdstukken van NFPA 15. De beroepsgrond faalt. 8.4.1 Eiseres voert aan dat onduidelijk is hoe zij kan aantonen dat de stationaire koelvoorziening een effectief dekkingspatroon van koelwater van minimaal 2 l/min/m2 tankoppervlakte heeft. De aanvoer van koelwater kan worden gemeten en uitgedrukt in een bepaalde eenheid, maar een effectief dekkingspatroon over het gehele tankoppervlak niet. Dat kan alleen optisch worden vastgesteld. Bovendien is het voorgeschreven dekkings-patroon niet noodzakelijk, omdat koeling aan de bij brand aangestraalde zijde voldoende is. 8.4.2 In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat eiseres een verkeerde uitleg geeft aan vergunningvoorschrift 11.57. Het doel van het voorschrift is dat er, gelet op het tankoppervlak, voldoende bluscapaciteit is om een dekkingsgraad van 2 l/min/m2 te kunnen behalen. Hieraan wordt voldaan als de bluscapaciteit (het aantal liters per minuut) gedeeld door het totale tankoppervlak in vierkante meters 2 of meer is. 8.4.3 Verweerder heeft ter zitting voorgesteld vergunningvoorschrift 11.57 aan te passen door de zinsnede “over het gehele tankoppervlak” te vervangen door “over het aangestraalde tankoppervlak”. Eiseres heeft meegedeeld dat dit tekstvoorstel aan haar bezwaar tegemoetkomt. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De beroepsgrond slaagt in zoverre. 8.5.1 Eiseres betoogt dat onduidelijk is wat in vergunningvoorschrift 11.58 moet worden verstaan onder “tankputten met uitsluitend opslag van vloeistoffen van klasse 3 en/of 4”. Voorts lijkt de zinsnede “tankputten voor opslag van stoffen van de klassen 1 en 2 in tanks met een vast dak” in vergunningvoorschrift 11.59 te suggereren dat het voorschrift alleen ziet op tankputten waarin zowel stoffen van klasse 1 als 2 worden opgeslagen, en niet ook stoffen van andere klassen of slechts één van deze klassen. Eiseres heeft tankputten waarin stoffen van de klassen 1, 2, 3 én 4 worden opgeslagen. Onduidelijk is hoe vergunningvoorschrift 11.59 dan moet worden toegepast. 8.5.2 De vergunningvoorschriften 11.58 en 11.59 laten volgens de StAB geen ruimte voor interpretatie. Vergunningvoorschrift 11.58 geldt alleen voor tankputten met opslagtanks waarin vloeistoffen van klasse 3, klasse 4 of beide klassen worden opgeslagen. Vergunning-voorschrift 11.59 is alleen van toepassing op tankputten met opslagtanks waarin vloeistoffen van klasse 1, klasse 2 of beide klassen worden opgeslagen. 8.5.3 De rechtbank volgt de StAB in haar conclusie. Eiseres heeft daartegen ook geen argumenten aangevoerd. Verweerder heeft echter aanleiding gezien vergunningvoorschrift 11.59 wat betreft de toepasbaarheid op stoffen van de klassen 3 en 4 aan te passen en heeft daartoe in het verweerschrift een tekstvoorstel opgenomen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De beroepsgrond slaagt in zoverre. 9.1 Uit de schriftelijke reacties van verweerder en eiseres van respectievelijk 15 september 2017 en 16 oktober 2017 volgt dat zij overeenstemming hebben bereikt over de tekst van vergunningvoorschrift 11.60, zoals weergegeven in bijlage 2 bij de reactie van verweerder van 15 september 2017. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De grond slaagt in zoverre. 9.2.1 Voorts betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om vergunningvoorschrift 11.60 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift vrijwel letterlijk overeenkomt met voorbeeldvoorschrift 181 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 9.2.2 Het betoog faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat vergunningvoorschrift 11.60 aanzienlijk uitgebreider is dan voorbeeldvoorschrift 181 van PGS 29:2008. Zo is er een uitgebreide alinea en toelichting toegevoegd. 10.1 Vergunningvoorschrift 11.61 luidt als volgt: “De hoeveelheid schuimvormend middel die voor de inrichting beschikbaar moet zijn is afhankelijk van de schuimbehoefte. De schuimbehoefte hangt af van: de oppervlakte van de grootste tankput voor putten met vast-dak-tanks; de oppervlakte van de grootste tank bij tanks met externe drijvende daken; de oppervlakte van een compartiment van een leidingtracé of pompput. De schuimbehoefte moet worden bepaald volgens de NFPA 11. Deze hoeveelheid schuim moet op het terrein aanwezig zijn tenzij er wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband IBP.” 10.2.1 Eiseres voert aan dat niet zonder nadere concretisering mag worden verwezen naar NFPA-norm 11, omdat onduidelijk is welke verplichtingen daaruit voortvloeien. 10.2.2 De StAB heeft in het deskundigenbericht uiteengezet dat NFPA-norm 11 nadere voorschriften stelt voor diverse types schuim en schuimverspreidingssystemen. Afhankelijk van wat is aangevraagd en vergund, gelden specifieke hoofdstukken van NFPA-norm 11. Dit maakt dat het vergunningvoorschrift voldoende concreet is. 10.2.3 De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van deze conclusie. Mede gelet op de verklaringen ter zitting van eiseres mag worden aangenomen dat in de inrichting van eiseres voldoende deskundigheid aanwezig is om te bepalen welk hoofdstuk van NFPA-norm 11 van toepassing is op het in de inrichting gebruikte type schuim of schuimsysteem. 10.3.1 Eiseres betoogt voorts dat vergunningvoorschrift 11.61 in strijd is met het specialiteitsbeginsel omdat het een veiligheidsvoorschrift is en dus niet strekt tot bescherming van het milieu. Bij besluit van 13 juli 2005 is eiseres ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s als bedrijfsbrandweerplichtig aangewezen en in voorschrift 1 bij de bedrijfsbrandweeraanwijzing zijn ingevolge artikel 7.3, vijfde lid, aanhef en onder b en c, van het Besluit veiligheidsregio’s voorschriften gesteld over het schuimvormend middel. Verweerder kan daarover geen (gedetailleerde) voorschriften in de omgevingsvergunning meer opnemen. Bovendien is verweerder in het kader van de bedrijfsbrandweeraanwijzing in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen. 10.3.2 De rechtbank volgt eiseres niet in dat betoog. Het vergunningvoorschrift stelt eisen aan de brandbestrijdingsvoorzieningen in het bedrijf van eiseres om een effectieve brandbestrijding te verzekeren. Daarmee beoogt het de nadelige gevolgen van incidenten voor het milieu te voorkomen en dient het de bescherming van het milieu. Voorts verwijst de rechtbank naar wat hiervoor onder 6.4.2 is overwogen. Zij voegt daaraan nog toe dat de Wet veiligheidsregio’s de grondslag biedt voor het Besluit veiligheidsregio’s, waarin bepalingen zijn opgenomen inzake de organisatie en de taken van de veiligheidsregio’s en de gemeentelijke brandweer alsmede de financiële bijdrage van het Rijk. Ook ten aanzien van het Besluit veiligheidsregio’s geldt dat, voor zover daarmee uiteindelijk ook milieubelangen zijn gediend, de bepalingen daar niet in eerste instantie op zijn gericht. Voor het oordeel dat vergunningvoorschrift 11.61 in strijd is met het specialiteitsbeginsel bestaat dan ook geen grond. 10.4.1 Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om vergunningvoorschrift 11.61 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift vrijwel letterlijk overeenkomt met voorbeeldvoorschrift 182 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 10.4.2 Het betoog faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ingevolge vergunningvoorschrift 11.61, in overeenstemming met voorbeeldvoorschrift 4.2.36 van PGS 29:2016, de schuimbehoefte moet worden bepaald volgens NFPA-norm 11, terwijl daarvoor in voorbeeldvoorschrift 182 van PGS 29:2008 nog werd verwezen naar NFC 11. Voorts is het, anders dan voorheen op grond van PGS 29:2008 het geval was, niet meer verplicht de vereiste hoeveelheid schuim op het terrein aanwezig te hebben indien wordt deelgenomen aan het samenwerkingsverband IBP. 11.1 Vergunningvoorschrift 11.62 luidt als volgt: “Het type schuimvormend middel en het expansievoud van het schuim moeten zijn afgestemd op de aard en omvang van de aanwezige stoffen en gevaren. De bestendigheid en toepasbaarheid van het schuimvormend middel en het schuim moeten door testen zijn aangetoond overeenkomstig NEN-EN 1568 deel 1 t/m 4. Het soort schuimvormend middel moet compatibel zijn met het schuimvormend middel van de overheidsbrandweer, indien schuimvormend middel van de overheid ingezet wordt om het scenario te bestrijden.” 11.2.1 Eiseres voert aan dat de norm in dit voorschrift “EN-1568” zou moeten zijn. Volgens eiseres maakt verweerder met de verwijzing naar “NEN-EN-1568” inbreuk op de vrije marktwerking binnen de Europese Unie en worden handelsbeperkingen opgelegd. Het schuim en schuimvormend middel van eiseres wordt door een Duits bedrijf geleverd. De bestendigheid daarvan is aangetoond overeenkomstig DIN-EN-1568. 11.2.2 De StAB merkt in het deskundigenrapport op dat NEN-EN-1568 de Nederlandse versie is van de Europese norm EN-1568. De DIN-EN-1568 is de Duitse versie van deze Europese norm. Inhoudelijk bestaat geen verschil. Indien schuimvormend middel wordt geleverd dat voldoet aan DIN-EN-1568, wordt dus ook voldaan aan NEN-EN-1568. Er bestaat volgens de StAB geen noodzaak het voorschrift te wijzigen. 11.2.3 Eiseres heeft haar stelling dat het vergunningvoorschrift inbreuk maakt op de vrije marktwerking binnen de Europese Unie op geen enkele wijze nader onderbouwd. De rechtbank laat deze stelling dan ook verder buiten beschouwing. Voor het overige bestaan geen aanknopingspunten de deskundige niet te volgen in haar conclusie dat geen noodzaak voor wijziging van het voorschrift bestaat. De beroepsgrond faalt. 11.3.1 Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om voorschrift 11.62 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift vrijwel letterlijk overeenkomt met voorbeeldvoorschriften 183 en 185 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 11.3.2 Het betoog faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ingevolge vergunningvoorschrift 11.62, en anders dan voorheen op grond van PGS 29:2008 het geval was, in overeenstemming met voorbeeldvoorschrift 4.2.37 van PGS 29:2016 de bestendigheid en toepasbaarheid van het schuimvormend middel en het schuim door testen moeten zijn aangetoond overeenkomstig NEN-EN 1568 deel 1 tot en met deel 4. Daarnaast zijn in het vergunningvoorschrift in overeenstemming met het op dit onderdeel gewijzigde voorbeeldvoorschrift eisen gesteld aan de compatibiliteit van het soort schuimvormend middel indien schuimvormend middel van de overheid wordt ingezet. 12.1 Vergunningvoorschrift 11.66 luidt als volgt: “Op locaties waar overeenkomstig het (goedgekeurde) brandveiligheidsplan verhoogde brandrisico’s met stoffen van de klassen 1 en 2 aanwezig zijn (zoals pompputten/-plaatsen en verladingsplaatsen) moeten stationaire watermonitoren aanwezig zijn om brandoverslag te voorkomen. Monitoren die bestemd zijn voor schuimsuppletie moeten voldoende capaciteit hebben om de gehele oppervlakte (of compartiment geschikt voor de opvang van het scenario) te voorzien van een schuimlaag conform NFPA 11. Brandbestrijdingsvoorzieningen anders dan stationaire watermonitoren zoals bijvoorbeeld mobiele bestrijding met de bedrijfsbrandweer zijn ook mogelijk indien deze aanpak is beschreven in het goedgekeurde brandveiligheidsplan.” 12.2 Eiseres stelt zich op het standpunt dat dit vergunningvoorschrift in strijd is met de rechtszekerheid omdat niet is aangegeven aan welke normen uit de NFPA 11 moet worden voldaan. Daardoor is onvoldoende duidelijk welke verplichtingen uit het document voortvloeien. Het voorschrift is tevens in strijd met het specialiteitsbeginsel omdat brandveiligheidsvoorschriften geen betrekking hebben op het belang van de bescherming van het milieu, mede nu daarvoor specifieke regels op grond van de Wet veiligheidsregio’s zijn gesteld. Het voorschrift spreekt bovendien ten onrechte van “watermonitoren” in plaats van “voorzieningen”, zoals voorbeeldvoorschrift 4.2.51 van PGS 29:2016, versie 1.1. 12.3 In het deskundigenrapport van de StAB wordt geconcludeerd dat specifieke hoofdstukken van NFPA 11 van toepassing zijn, afhankelijk van het type schuim of het schuimsysteem dat binnen de inrichting wordt toegepast. Gelet hierop en mede gelet op de verklaringen ter zitting van eiseres mag naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat in de inrichting van eiseres voldoende deskundigheid aanwezig is om te bepalen welke normen van NFPA-norm 11 van toepassing zijn op het in de inrichting gebruikte type schuim of schuimsysteem. Het vergunningvoorschrift is dan ook niet in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid. 12.4 Voorschrift 11.66 heeft mede betrekking op het beperken van de (gevolgen van een) brand buiten de inrichting, waarmee een milieubelang wordt gediend. Onder verwijzing naar hetgeen onder 6.4.2 is overwogen, oordeelt de rechtbank dat dit voorschrift daarom niet in strijd is met het specialiteitsbeginsel. 12.5 Gelet op het verhandelde ter zitting, waarbij is verwezen naar een voorstel van de StAB in soortgelijke beroepszaken, kan wat betreft de redactie van dit voorschrift met instemming van beide partijen worden aangesloten bij voorbeeldvoorschrift 4.2.51 van PGS 29:2016, versie 1.1 door het woord “watermonitoren” te vervangen door “voorzieningen”. In zoverre slaagt de beroepsgrond. De rechtbank ziet aanleiding om het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen en zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. 13.1 Vergunningvoorschrift 11.67 luidt als volgt: “Uiterlijk 1 januari 2017 moet vergunninghouder een studierapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag overleggen waarin wordt aangetoond op welke wijze de aansluit- en bedieningspunten van bluswatersysteem, koelsystemen, blussystemen of andere voor de incidentbestrijding benodigde stationaire en mobiele apparatuur bij incidenten blijven functioneren en bediening mogelijk blijft. In de studie moet ten minste de variant worden uitgewerkt waarbij wordt uitgegaan van een blootstelling aan een stralingsbelasting van maximaal 3 kW/m2. Deze punten mogen zijn voorzien van op afstand bedienbare apparatuur die bestand is tegen de ter plekke optredende maximale stralingsbelasting en/of andere maatregelen zoals brandmuren met kijkglazen. Hierbij wordt uitgegaan van het tankbrandscenario. Bij drijvend dak tanks mag worden uitgegaan van het rimbrandscenario indien de tanks zijn voorzien van branddetectie in de rimseal en een stationair blussysteem dat voldoet aan de NFPA 11. In het studierapport moet de bijbehorende plotkaart met stralingscontouren worden opgenomen.” 13.2 Eiseres betoogt dat dit vergunningvoorschrift in strijd is met het specialiteitsbeginsel. Het ziet immers op de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van brandweerpersoneel. Niet duidelijk is in hoeverre dit voorschrift ook het belang van de externe veiligheid zou dienen. Eiseres voert verder aan dat de uiterste datum van 1 januari 2017 reeds is verstreken en dat zij een redelijke termijn van zes maanden nodig heeft om het voorgeschreven studierapport alsnog op te stellen. Daarnaast is onduidelijk wat wordt bedoeld met de zinssnede dat de apparatuur bij incidenten moet blijven functioneren en dat bediening mogelijk blijft. Aangenomen mag worden dat voor de bediening slechts een kortstondige inzet van brandweerlieden is vereist, dat de apparatuur bovenwinds kan worden benaderd en dat de brandweer bescherming gebruikt. Dit staat echter niet uitdrukkelijk in het voorschrift, zodat het voor velerlei uitleg vatbaar is. Eiseres kan zich evenmin verenigen met de eis dat moet worden uitgegaan van een blootstelling aan een stralingsbelasting van maximaal 3 kW/m2. De stralingsbelasting zou op 6 kW/m2 moeten liggen. Uit bijlage 1 van het Brandweer Brzo Scenarioboek, Module 0, volgt dat een stralingsbelasting van 3 kW/m2 de werkgrens van de brandweer voor langdurige inzet betreft, terwijl in andere gevallen een hogere stralingsbelasting mogelijk is. Bij het bedienen van aansluit- en bedieningspunten gaat het niet om langdurige inzet en kan een hogere stralingsbelasting van 6 kW/m2 worden toegestaan. 13.3 De rechtbank overweegt dat dit vergunningvoorschrift in eerste instantie is bedoeld ter bevordering van de veiligheid en de arbeidsomstandigheden van het brandweerpersoneel. Het voorschrift draagt evenwel indirect bij aan het externe veiligheidsbelang. Indien de bediening van de blusapparatuur binnen de hittestralingscontouren is gelegen, kan de effectieve brandbestrijding worden belemmerd met mogelijke escalatie en consequenties voor de externe veiligheid. Het voorkomen van een brand of het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen van een brand buiten de inrichting is tevens een milieubelang dat bescherming verdient in de voorschriften van een omgevingsvergunning als de onderhavige. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen onder 6.4.2 is overwogen. Gelet hierop is dit voorschrift niet in strijd met het specialiteitsbeginsel. 13.4 Het bestreden voorschrift strekt ertoe dat eiseres door middel van een studierapport aantoont dat de voor incidentbestrijding benodigde stationaire en mobiele apparatuur blijft functioneren en dat bediening mogelijk blijft. Een maximale warmtebelasting van 3 kW/m2 is daarbij het uitgangspunt indien beschermende brandweerkleding wordt gedragen. 13.5 Eiseres voert terecht aan dat zij een redelijke termijn nodig heeft om het vereiste rapport op te stellen. Gelet op het deskundigenrapport van de StAB moet een nieuwe termijn van vier maanden na het van kracht worden van het voorschrift daarvoor toereikend worden geacht. Hierbij is in aanmerking genomen dat tijdens het locatiebezoek van de StAB aan de inrichting van eiseres is gebleken dat dit vooral een kwestie is van het invoeren van de beschikbare gegevens in het juiste model. Uit het deskundigenrapport blijkt tevens dat eiseres nagenoeg geheel kan voldoen aan de voorwaarde inzake de functionaliteit van systemen die in vergunningvoorschrift 11.67 wordt gesteld en dat er op zich geen aanleiding bestaat om uitzonderingen toe te staan. Met aanvullende maatregelen zoals een waterscherm kan alsnog aan de warmtebelasting van 3 kW/m2 worden voldaan. Doordat de brandscenario’s niet uitgaan van een tankputbrand, maar van een brand op het tankdak of de rimseal is er reeds door de tankhoogte een zodanig grote afstand tot personen op het maaiveld dat doorgaans aan de eis van 3 kW/m2 zal worden voldaan, aldus het deskundigenrapport. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze conclusie niet te volgen. Mede gelet op de toelichting die in het deskundigenrapport van de StAB op dit voorschrift is gegeven kan er naar het oordeel van de rechtbank geen onduidelijkheid bestaan over het doel en de strekking van dit voorschrift. 13.6 Eiseres merkt eveneens terecht op dat voorbeeldvoorschrift 4.3.7 van PGS 29:2016 kortdurende blootstelling aan een hogere warmtebelasting dan 3 kW/m2 onder omstandigheden toestaat. Bij een blootstelling van minder dan drie minuten mag de warmtebelasting maximaal 4,6 kW/m2 bedragen. Indien speciaal gealuminiseerde brandweerkleding wordt gedragen en de blootstelling maximaal vijf minuten bedraagt, mag de warmtestralings-belasting niet groter zijn dan 6,3 kW/m2. Omdat eiseres uitsluitend werkt met de bedrijfsbrandweer van Shell en deze brandweer zodanig is uitgerust dat blootstelling aan een kortstondige, hogere warmtebelasting geen enkel beletsel vormt, is er geen bezwaar om het vergunningvoorschrift aan te vullen met de uitzonderingsbepaling uit voorbeeldvoorschrift 4.3.7 van PGS 29:2016, zoals ook door verweerder in diens reactie op het deskundigen-rapport van de StAB is voorgesteld. 13.7 Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit op dit onderdeel te vernietigen. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door aan de omgevingsvergunning van eiseres een gewijzigd vergunningvoorschrift 11.67 te verbinden, op een wijze als in het dictum van deze uitspraak is aangegeven. 14.1 Vergunningvoorschrift 15.0.1 luidt – voor zover van belang – als volgt: “De voorschriften in dit hoofdstuk zijn uitsluitend van toepassing op de volgende tankputten en tanks, inclusief de daarvan deel uitmakende leidingen, afsluiters meet-en regeltechnische- en (brand)veiligheidsvoorzieningen: (…) Put [put 1] tanks: [tank 1], [tank 2], [tank 3] en [tank 4] (…) Een en ander zoals aangeduid in het document “Geactualiseerd plan van aanpak d.d. 13-12-2013, kenmerk Hexion: “[kenmerk]”, ons kenmerk “[cijferreeks]”.” 14.2 Eiseres betoogt dat tankput [put 1] ten onrechte in het vergunningvoorschrift is opgenomen. In die tankput wordt namelijk epikotehars opgeslagen. Blijkens paragraaf 1.3.1 van PGS 29:2016, versie 1.1 is PGS 29 niet van toepassing op deze vloeistof omdat dit een vlampunt van meer dan 100 °C heeft en ten minste 20 °C onder het vlampunt wordt opgeslagen. 14.3 In paragraaf 1.3.1 van PGS 29:2016, versie 1.1 is - voor zover thans van belang - opgenomen dat de richtlijn niet van toepassing is op brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 100 ºC die niet verwarmd worden (onverwarmde stoffen van PGS-klasse 4) of die verwarmd worden op - en overgeslagen, mits de temperatuur van de vloeistof ten minste 20 ºC onder het vlampunt blijft. 14.4 Het deskundigenrapport van de StAB vermeldt dat eiseres heeft aangegeven dat zij epikotehars met xyleen (X75, vlampunt < 100 °C) opslaat in tankput [put 2], in de tanks [tank 5] en [tank 6]. In bijlage 3 van de aanvraag voor de vergunning van 11 juni 2009 is een overzicht gegeven van de tankputten, de zich daarin bevindende tanks en de inhoud daarvan, waaruit blijkt dat epikote 1001-X-75 (gebaseerd op xyleen) wordt opgeslagen in tankput [put 1], tank [tank 3]. Conform de aanvraag valt tankput [put 1] dus wel onder PGS 29. 14.5 De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om zich niet te baseren op de bevindingen van de door haar ingeschakelde deskundige. Gelet hierop moet worden aangenomen dat tankput [put 1] onder de werkingssfeer van PGS 29 valt, nu hierin blijkens de aanvraag uit 2009 epikotehars met xyleen wordt opgeslagen. Voor zover het juist is wat eiseres stelt, namelijk dat in deze tankput niet langer producten worden opgeslagen waarop PGS 29 van toepassing is, kan eiseres een aanvraag tot wijziging van de omgevingsvergunning indienen. Deze beroepsgrond treft geen doel. 15.1 Vergunningvoorschrift 15.5.1 luidt als volgt: “Uiterlijk 6 maanden na in werking treden van de vergunning moeten de tankputten [tankput 1], [tankput 2], [tankput 3], [tankput 4] en [put 2] elk 100% van het grootste werkvolume van een tank of hydraulisch gelinkte tanks in betreffende tankput kunnen bevatten aangevuld met het volume van de schuimlaag om uitdamping en ontbranding van stoffen te voorkomen. De opvangcapaciteit van de tankputten [tankput 5], [tankput 6], [tankput 7], [tankput 8], [tankput 9], [tankput 10] en [put 1] moet elk ten minste gelijk zijn aan de inhoud van de grootste tank vermeerderd met de grootste van de volgende twee volumina: 10% van het volume van de overige tanks (inclusief tanks kleiner dan 150 m3 en tanks met niet verwarmde klasse 4 en/of niet brandbare vloeistoffen) in die tankput; het volume bluswater dat volgens de in de vergunning vereiste capaciteit in één uur in de tankput kan worden gebracht. Bij de bepaling van de opvangcapaciteit moet rekening worden gehouden met het volume dat wordt ingenomen door andere elementen in de tankput zoals terpen, fundaties en andere opslagvoorzieningen. Het werkvolume wordt bepaald door het niveau waarbij de hoogteniveau-alarmering wordt geactiveerd. De dikte van de schuimlaag is afhankelijk van het type schuim en moet door het bedrijf worden onderbouwd op basis van een erkende norm zoals NFPA 11.” 15.2.1 Eiseres voert aan dat het vergunningvoorschrift ten onrechte betrekking heeft op tankputten [tankput 7], [tankput 9] en [tankput 10], welke niet van haar zijn maar van Shell. Het voorschrift heeft eveneens ten onrechte betrekking op tankput [put 1] omdat daarin epikotehars wordt opgeslagen. Op deze vloeistof is PGS 29 niet van toepassing. 15.2.2 Uit het deskundigenbericht van de StAB concludeert de rechtbank dat de tankputten [tankput 7], [tankput 9] en [tankput 10] in bijlage 3 van de vergunning van 11 juni 2009 worden vermeld als onderdeel van de inrichting. Verder wordt vermeld dat in tankput [put 1] epikote 1001-X-75 (gebaseerd op xyleen) wordt opgeslagen. Op basis van die vergunning maken deze tanks dus deel uit van de inrichting. Wat deze laatste tank betreft, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder 14.4 en 14.5. 15.3.1 Volgens eiseres is onduidelijk wat wordt bedoeld met het werkvolume van “hydraulisch gelinkte tanks”. Tanks kunnen een gezamenlijke zuig- of vulleiding hebben, maar er staat altijd maar één tank ongelijnd. Het voorschrift specificeert niet of in zo’n geval moet worden uitgegaan van het gezamenlijk volume van beide tanks of slechts één tank. Ook vermeldt het vergunningvoorschrift niet welk volume bluswater in één uur in de tankput kan worden ingebracht. 15.3.2 In het deskundigenbericht is vermeld dat verweerder bereid is de zinsnede “of hydraulisch gelinkte tanks” te schrappen, hetgeen verweerder heeft bevestigd. In het deskundigenbericht is ten aanzien van de omvang van opvangvoorziening voor gebruikt bluswater vermeld dat deze van een zodanige grootte moet zijn dat gedurende 1 uur maximale bluscapaciteit geen verontreinigd bluswater in het oppervlaktewater of de bodem kan geraken. De StAB verwijst in dit opzicht naar de vergunning van 11 juni 2009, waarin als vereiste capaciteit in één uur wordt vermeld dat deze minimaal 360 m3 per uur moet zijn. Van onduidelijkheid acht de StAB daarom geen sprake. 15.3.3 Ten aanzien van de gestelde onduidelijkheid met betrekking tot de vereiste opvangcapaciteit volgt de rechtbank de StAB. Eiseres heeft hiertegen ook geen argumenten ingebracht. Gelet op het deskundigenbericht slaagt de grond met betrekking tot de zinsnede over de hydraulisch gelinkte tanks. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. 15.4.1 Eiseres betoogt dat vergunningvoorschrift 15.5.1 strenger is dan voorbeeldvoor-schrift 2.3.2 van PGS 29:2016, versie 1.1 omdat daarin wordt uitgegaan van 100% van het grootste werkvolume van een tank in de tankput, in plaats van de inhoud van de grootste tank vermeerderd met een bepaald volume. Uit voorlopig onderzoek is bovendien gebleken dat tankput [put 2] een opvangcapaciteit van 94% heeft en dus net niet aan het vergunningvoorschrift voldoet. Het vergroten van de opvangcapaciteit naar 100% maakt echter geen wezenlijk verschil voor de veiligheid. De benodigde maatregelen om de aanvullende opvangcapaciteit te realiseren zijn onnodig bezwarend en brengen oneven-redige kosten met zich. Verweerder had maatwerk moeten leveren. 15.4.2 In voorbeeldvoorschrift 2.3.2 onder a van PGS 29:2016, versie 1.1, voor zover hier van belang, staat dat de tankput 100% van het grootste werkvolume van een tank in de tankput moet kunnen bevatten. Indien van toepassing moet het volume van de tankput worden aangevuld met het volume van de schuimlaag om uitdamping van toxische stoffen te voorkomen of blus- en koelwater dat in de tankput kan worden gebracht voor de bestrijding van een uitgewerkt scenario van een tankputbrand (voor PGS-klasse 1 en 2 in vastdaktanks). 15.4.3 Vaststaat dat in de inrichting van eiseres hoofdzakelijk toxische stoffen worden opgeslagen. Nu ook volgens het in overweging 15.4.2 genoemde voorbeeldvoorschrift in een dergelijk geval het volume moet worden vermeerderd met het volume van de schuimlaag, vermag de rechtbank niet in te zien dat dit vergunningvoorschrift strenger is dan PGS 29:2016, versie 1.1 en evenmin dat het onnodig bezwarend is, aangezien dit als BBT-niveau is opgenomen in de bijlage behorende bij artikel 9.2 van het Mor. De grond slaagt niet. 15.5.1 Daarnaast is het vergunningvoorschrift volgens eiseres onnodig bezwarend vanwege de verwijzing naar de “een erkende norm zoals NFPA 11”. Deze brengt een onderzoeksver-plichting mee wat betreft de dikte van de schuimlaag, hetgeen niet relevant is voor de werking van het voorschrift. Bovendien is onduidelijk welke concrete verplichtingen in het dit geval uit NFPA 11 voortvloeien. 15.5.2 De StAB wijst erop dat dit onderdeel van het vergunningvoorschrift ook voorkomt in voorbeeldvoorschrift 2.3.2 van PGS 29:2016 en dat daarover consensus bestaat. De schuimsoort en de mate van verschuiming zijn van belang. De dikte is afhankelijk van het middel. De concretisering hangt af van het in de inrichting gebruikte type schuim en schuimsysteem, waarop specifieke hoofdstukken van NFPA 11 van toepassing zijn. Het voorschrift is daarmee voldoende concreet, aldus de StAB. De deskundige concludeert dat van een onderzoeksverplichting geen sprake is. 15.5.3 De rechtbank ziet geen aanleiding de StAB niet te volgen in haar overwegingen en conclusies. De grond slaagt niet. 15.6.1 Eiseres betoogt tot slot dat de termijn van zes maanden onredelijk kort is. Het onderzoek of aan het voorschrift wordt voldaan en het uitvoeren van eventuele aanpassingen aan de tankputten is een omvangrijk project, waarbij mogelijk aanzienlijke investeringen moeten worden gedaan. Dit is in wezen de verplichting om een gap-analyse uit te voeren. Nu de eerdere gap-analyse op basis van voorschrift 15.1 uit de vergunning van 11 juni 2009 door verweerder is afgekeurd, kan eiseres daar ook niet haar voordeel mee doen. Eiseres heeft minimaal twee jaar de tijd nodig om aan het voorschrift te kunnen voldoen. 15.6.2 De StAB stelt vast dat voorschrift 15.1 van de vergunning van 11 juni 2009 een gedeeltelijk gelijke strekking als vergunningvoorschrift 15.5.1 heeft en verplichtte tot een gap-analyse op dit punt. In feite had eiseres dus al sinds 2010 inzicht dienen te hebben in de vraag of aan PGS 29:2008 kan worden voldaan en in de te nemen maatregelen. Gelet daarop is de in vergunningvoorschrift 15.5.1 gestelde termijn van zes maanden alleszins redelijk te noemen. Ook tankput [put 2] moest reeds sinds 2010 aan de eis van 100% opvang-capaciteit voldoen. 15.6.3 De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de StAB. Dat een bepaalde tankput bijna voldoet, is geen reden om dit voorschrift onnodig bezwarend te achten dan wel de termijn te verlengen. Door eiseres is bovendien niet concreet onderbouwd, waarop de noodzaak van de door haar genoemde termijn van twee jaar berust. 15.7.1 Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder niet bevoegd was om vergunning-voorschrift 15.5.1 op te nemen in de vergunning. Zij voert daartoe aan dat de tekst van dit voorschrift vrijwel letterlijk overeenkomt met paragraaf 5.3 van PGS 29:2008 en dat het vergunningvoorschrift dus ten onrechte niet is gebaseerd op ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu die zich na het verlenen van de omgevingsvergunning van 11 juni 2009 hebben voorgedaan. 15.7.2 Het betoog faalt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ingevolge vergunningvoorschrift 15.5.1 ten opzichte van genoemd voorbeeldvoorschrift de eerste alinea is uitgebreid met een termijn waarbinnen bepaalde tankputten moeten voldoen aan de gestelde norm en dat ook de slotalinea nieuw is ten opzichte van genoemd voorbeeldvoorschrift. 16.1 Vergunningvoorschrift 15.5.2 luidt als volgt: “In verband met mogelijk optredende golfslag door wind moet rekening worden gehouden met additionele dijkhoogte. Hiertoe moet binnen 6 maanden na in werking treden van de vergunning de hoogte van de tankputdijk, zoals deze volgt uit voorschrift 15.5.1, zijn verhoogd met 15 cm tenzij kan worden aangetoond met een numeriek golfmodel dat dit niet nodig is.” 16.2 Eiseres voert aan dat vergunningvoorschrift 15.5.2 overeenkomt met voorbeeldvoorschrift 38 van PGS 29:2008. Nu dit voorschrift niet in de vergunning van 11 juni 2009 is opgenomen, is verweerder niet bevoegd het voorschrift met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo, alsnog in het bestreden besluit op te nemen. Eiseres betoogt voorts dat de termijn van zes maanden onredelijk kort is. Voordat duidelijk is of de tankputdijken moeten worden opgehoogd, dient eiseres de maatregelen te treffen die volgen uit voorschrift 15.5.1. Het voorschrift houdt daar ten onrechte geen rekening mee. 16.3 De rechtbank stelt vast dat in voorbeeldvoorschrift 38 van PGS 29:2008 een verhoging van de putdijk van 25 centimeter in plaats van 15 centimeter is voorgeschreven. Reeds daarom is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nieuwe technische ontwikkeling. De rechtbank is voorts met de StAB van oordeel dat de termijn in vergunningvoorschrift 15.5.2 gekoppeld dient te worden aan de termijn in vergunningvoorschrift 15.5.1 omdat beide voorschriften zien op de opvangcapaciteit van de tankput. Gelet op hetgeen onder 15.6.3 is overwogen, is de termijn van zes maanden redelijk. 17.1 Vergunningvoorschrift 15.9.3 luidt als volgt: “Uiterlijk 1 januari 2017 moet vergunninghouder een rapport ter goedkeuring aan het bevoegd gezag overleggen waarin wordt aangetoond op welke wijze bij incidenten een aansluitpunt of een handmatige bediening voor het afvoeren van bluswater blijft functioneren en bediening mogelijk blijft. In de studie moet ten minste de variant worden uitgewerkt waarbij wordt uitgegaan van een blootstelling aan een stralingsbelasting van maximaal 3 kW/m². Hierbij wordt uitgegaan van het maximale brandscenario. In afwachting van de goedkeuring van het rapport en daarbij behorende maatregelen moet bij incidenten in situaties die niet buiten de warmtestralingscontour van 3 kW/m² liggen gebruik worden gemaakt van een verticaal waterscherm. In het rapport moet een bijbehorende plotkaart met stralingscontouren worden opgenomen.” 17.2.1 Eiseres betoogt dat vergunningvoorschrift 15.9.3 overeenkomt met het doel van voorbeeldvoorschrift 60 van PGS 29:2008. Nu dit voorschrift niet in de vergunning van 11 juni 2009 is opgenomen, is verweerder niet bevoegd het voorschrift met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo, alsnog in het bestreden besluit op te nemen. Het vergunningvoorschrift is tevens in strijd met het specialiteitsbeginsel omdat het een veiligheidsvoorschrift is en dus niet strekt tot bescherming van het milieu. Voor het aspect veiligheid gelden specifieke regels op grond van de Wet veiligheidsregio’s. 17.2.2 De rechtbank stelt vast dat de tekst en strekking van voorbeeldvoorschrift 60 van PGS 29:2008 afwijken van de tekst van het vergunningvoorschrift, zodat sprake is van een nieuwe technische ontwikkeling en verweerder bevoegd was vergunningvoorschrift 15.9.3 ambtshalve aan de vergunning te verbinden. De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar betoog dat het voorschrift in strijd is met het specialiteitsbeginsel. Het vergunningvoorschrift beoogt de nadelige gevolgen van incidenten voor het milieu te voorkomen door eisen te stellen aan de aansluitpunten voor de afvoer van bluswater. Het vergunningvoorschrift dient daarmee de bescherming van het milieu. Zoals onder 6.4.2 is overwogen, heeft de Wet veiligheidsregio’s andere doelen. De beroepsgrond faalt. 17.3.1 Eiseres betoogt dat het vergunningvoorschrift ten onrechte niet in overeenstemming is gebracht met voorbeeldvoorschrift 4.3.7 van PGS 29:2016, versie 1.1. De maatgevende stralingsbelasting zou op 6 kW/m² moeten liggen. Uit bijlage 1 van het Brandweer Brzo Scenarioboek Module 0 (het scenarioboek) volgt namelijk dat een stralingsbelasting van 3 kW/m² de werkgrens van de brandweer voor langdurige inzet betreft, terwijl in andere gevallen een hogere stralingsbelasting mogelijk is. Bij het bedienen van aansluit- en bedieningspunten gaat het om kortstondige inzet. Een stralingsbelasting van 6 kW/m² is volgens het scenarioboek redelijk. Eiseres kan zich tot slot niet verenigen met de in het vergunningvoorschrift gestelde termijn omdat deze is verstreken voordat het bestreden besluit in werking is getreden. Een termijn van zes maanden zou redelijk zijn. 17.3.2 In het deskundigenbericht is, onder verwijzing naar het advies over vergunningvoorschrift 11.67, vermeld dat voorbeeldvoorschrift 4.3.7 van PGS 29:2016, versie 1.1 onder omstandigheden kortdurende blootstelling aan een hogere warmtebelasting dan 3 kW/m2 toestaat. Bij een blootstelling van minder dan drie minuten mag de warmtebelasting maximaal 4,6 kW/m2 bedragen. Indien speciaal gealuminiseerde brandweerkleding wordt gedragen en de blootstelling maximaal vijf minuten bedraagt, mag de warmtestralingsbelasting niet groter zijn dan 6,3 kW/m2. Eiseres dient door middel van een studierapport aan te tonen dat aan de gestelde normen wordt voldaan. Een nieuwe termijn van drie of vier maanden is alleszins redelijk voor het overleggen van een rapport waaruit blijkt dat aan de voorgeschreven warmtebelasting kan worden voldaan. 17.3.3 Verweerder is in de brief van 15 september 2017 akkoord gegaan met wijziging van de termijn naar vier maanden na inwerkingtreding van het voorschrift. Verder kan de tekst van voorbeeldvoorschrift 4.3.7 van PGS 29:2016, versie 1.1 aan het vergunningvoorschrift worden toegevoegd. Dan moet de zinssnede “aansluit- en bedieningspunten” worden gewijzigd in “aansluit- en/of bedieningspunten”. 17.3.4 De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. De grond slaagt in zoverre. In de niet nader onderbouwde reactie van eiseres op het deskundigenbericht dat het maar de vraag is of zij aan het voorschrift kan voldoen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde tekst niet in de vergunning kan worden opgenomen. 18.1 In vergunningvoorschrift 15.12.2 zijn verplichtingen opgenomen ten aanzien van de constructieve veiligheid van de tanks met een vast dak in geval van overdruk. Daarbij is onder het tweede aandachtsstreepje het volgende opgenomen: “Overdruk als gevolg van een explosieve verbranding van damp in de tank. Voor explosieve verbranding van damp in de tank geldt dat de tank hiervoor constructief moet voldoen aan API 650 of BS 2654 of NEN EN 14015.” 18.2 Eiseres stelt dat de API 650, NEN EN 14015 en BS 2654 normen voorschrijven die geen betrekking hebben op en/of rekening houden met explosieve verbranding van damp in een tank. Ook de constructieve normen ontbreken daarin. Zonder nadere concretisering is dan ook onduidelijk welke verplichtingen in het onderhavige geval uit die normen of documenten voortvloeien. Het voorschrift is in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. 18.3 De StAB merkt op dat de constructieve normen in de normbladen API 650, de BS 2654 of de NEN EN 14015 ook gelden voor stalen tanks waarin explosieve verbranding van damp kan optreden en meldt dat verweerder geen bezwaar heeft tegen een nadere concretisering. 18.4 Verweerder geeft aan dat het gaat om Appendix F van API 650, Appendix K van NEN EN 14015 en Appendix F van BS 2654. Hierin staat bovendien beschreven hoe kan worden bepaald of bij een staande tank sprake is van een frangible roof-joint en aan welke vereisten wat betreft sterkte deze verbinding moet voldoen. 18.5 Gelet op het bovenstaande slaagt deze grond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevings-vergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. 18.6 Voor zover eiseres betoogt dat dit vergunningvoorschrift niet aan de vergunning had mogen worden verbonden, omdat dit al voorkomt in de aan haar vergunning van 11 juni 2009 voorafgaande versie PGS 29:2008, slaagt dit niet. Eiseres verwijst in dat opzicht naar voorbeeldvoorschrift 75. De rechtbank stelt echter vast dat het vergunningvoorschrift veel uitgebreider en specifieker is dan het genoemde voorbeeldvoorschrift. 19.1 In vergunningvoorschrift 15.16.2 is bepaald dat een fysiek onafhankelijke instrumentele overvulbeveiliging (de onafhankelijke overvulbeveiliging) moet worden aangebracht bij tanks met klasse 1 producten of toxische producten (gevaarszinnen H330 (“dodelijk bij inademing”) en H331 (“toxisch bij inademing”) en bij tanks met klasse 2 en 3 producten met een bepaald vlampunt. Verder worden de randvoorwaarden genoemd waaraan deze overvulbeveiliging moet voldoen. Zo mag een operator niet worden aangemerkt als independent protection layer en wordt omschreven wat wordt verstaan onder “fysiek onafhankelijk”. Voorts vermeldt het voorschrift dat een dergelijke overvulbeveiliging achterwege kan blijven indien wordt aangetoond dat zich geen Buncefield-scenario kan voordoen, waarbij dit laatste begrip nader wordt gedefinieerd. 19.2.1 Eiseres kan zich niet verenigen met dit vergunningvoorschrift. Zij betoogt dat het onjuist is dat de tussenkomst van een operator geheel wordt uitgesloten. Enerzijds zou dit betekenen dat de hoogniveau alarmering, die in het vergunningvoorschrift wordt voorgeschreven, niet meer als onafhankelijk beveiligingsniveau zou kunnen gelden. Volgens eiseres is het vergunningvoorschrift op dit punt strenger dan PGS 29:2016, versie 1.1. Anderzijds levert dit verbod juist een extra risico op in haar ogen, omdat ook de instrumentele beveiliging kan falen. Zij wijst in dat kader naar de rapportage van de Major Incident Investigation Board Buncefield: Why did it happen?; the underlying causes of the explosion and fire at the Buncefield oil storage depot, Hemel Hempstead, Hertfordshire on 11 December 2005. Bovendien bestaat over dit vergunningvoorschrift nog geen overeenstemming, zoals blijkt uit de “Impactanalyse PGS 29 nonconsensus”. 19.2.2 De rechtbank is van oordeel dat het gegeven dat dit voorschrift voorkomt op de lijst van punten waarover nog geen consensus is bereikt, onvoldoende is voor het oordeel dat verweerder het voorschrift hoe dan ook niet aan de vergunning had mogen verbinden, zeker nu PGS 29:2016, versie 1.1, in de bijlage behorende bij artikel 9.2 van het Mor inmiddels als BBT is aangemerkt. 19.2.3 Verweerder constateert dat een omissie is opgetreden in het bestreden vergunning-voorschrift. Op basis van deze omissie kan worden geconcludeerd dat bij de uit te voeren veiligheidsstudie in geen enkele onafhankelijke beveiligingslaag een operator een rol kan/mag spelen. Dat is onjuist. De beperking, dat een operator geen rol mag spelen, geldt uitsluitend voor de beveiligingsloop onafhankelijke overvulbeveiliging. Verweerder heeft er, nu PGS 29:2016, versie 1.1, als BBT is aangewezen in het Mor, geen bezwaar tegen om het vergunningvoorschrift af te stemmen op voorbeeldvoorschriften 3.3.12 en 3.3.13 van PGS 29:2016, versie 1.1. 19.2.4 De rechtbank stelt vast dat verweerder niet langer vasthoudt aan een algeheel verbod op tussenkomst van een operator, maar het vergunningvoorschrift wil afstemmen op de voorbeeldvoorschriften 3.3.12 en 3.3.13 van PGS 29:2016, versie 1.1. De grond die hierop was gericht, slaagt dus. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door dit vergunningvoorschrift in de gewijzigde redactie aan de omgevingsvergunning van eiseres te verbinden, op een wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is vermeld. 19.3.1 Voorts hanteert verweerder naar de mening van eiseres een onjuiste definitie van het Buncefield-scenario. De definitie die verweerder hanteert impliceert ten onrechte dat het ontstaan van een dampwolk altijd een brand en explosie tot gevolg zal hebben met de ernst zoals bij Buncefield het geval was. Eiseres heeft een rapport overgelegd van GexCon van 16 oktober 2017 om te onderbouwen dat een Buncefield-scenario zich bij haar inrichting niet kan voordoen. In dat rapport wordt de kans op het optreden van een Buncefieldscenario bij eiseres op 1 maal per 2,8 miljoen jaar geschat. 19.3.2 De kritiek van eiseres op de definitie van een Buncefield-scenario wordt door verweerder niet gevolgd. Er is geen algemeen vastgestelde definitie. Verweerder heeft slechts beoogd om een kader te geven voor een beoordeling ingeval eiseres wenst aan te tonen dat een onafhankelijke overvulbeveiliging bij bepaalde tanks(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.