RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Gravenhage Bestuursrecht zaaknummer: NL18.237 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2018 in de zaak tussen [eiser], eiser (gemachtigde: mr. H. van der Wal), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sidler). Procesverloop Bij besluit van 3 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.238, plaatsgevonden op 25 januari
- Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eiser heeft op 16 oktober 2017 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 11 maart 2015 in Italië en op 25 juli 2017 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 25 oktober 2017 de Italiaanse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: de Dublinverordening). Met het claimakkoord van 8 november 2017 hebben de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening ingestemd met dit verzoek. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in verschillende arresten geoordeeld dat de structuur van en de algehele omstandigheden in het Italiaanse opvangsysteem niet zodanig zijn dat overdracht aan dat land zonder meer leidt tot een met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) strijdige situatie. Er zijn weliswaar tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, maar deze zijn niet zo ernstig dat deze aan de overdracht van asielzoekers aan Italië in de weg moeten staan. Het EHRM heeft verder meermaals overwogen dat de situatie voor asielzoekers in Italië niet kan worden vergeleken met de situatie in Griekenland ten tijde van de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft onder meer bij uitspraak van 30 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1454) geoordeeld dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Uit het door eiser in de zienswijze aangehaalde rapporten komt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld naar voren dan in de eerder genoemde uitspraken van het EHRM en de Afdeling wordt geschetst. Nu de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Italië en de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht uit is gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, is er geen aanleiding om te veronderstellen dat Italië zich niet aan zijn verdragsverplichtingen zal houden. Dat de asielaanvraag in Italië al is afgewezen maakt dit niet anders. Verweerder heeft zich –met de in het besluit gegeven motivering- dan ook terecht op het standpunt gesteld dat met terugname van eiser door Italië geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.