Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd & Bopz Zaaksgegevens: C/09/541818 / JE RK 17-2179 Datum uitspraak: 29 juni 2018 Beschikking van de meervoudige kamer Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak naar aanleiding van het op 20 oktober 2017 ingekomen verzoekschrift van: Jeugdbescherming Gelderland, regio noord (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling), betreffende: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2013 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De rechtbank merkt als belanghebbenden aan: [de man] hierna te noemen: de vader, wonende te [woonplaats 1] advocaat: mr. M-J.E. Gilsing, te Den Haag, [de vrouw] hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats 2] advocaat: mr. R. Shahbazi, te Den Haag, en [pleegvader] en [pleegmoeder] , hierna te noemen: de pleegouders, wonende te [woonplaats 3] . Het procesverloop Bij beschikking d.d. 8 december 2017 van de meervoudige kamer in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling verlengd van 16 december 2017 tot 16 december 2018, is de machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg verlengd van 16 december 2017 tot 16 juli 2018, en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden. De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook: voornoemde beschikking d.d. 8 december 2017; de stukken van de zijde van de gecertificeerde instelling, ingekomen op 25 juni 2018; de brief van de zijde van de pleegouders, ingekomen op 26 juni 2018, waarin zij meedelen niet op de terechtzitting te zullen verschijnen. Op 29 juni 2018 is de behandeling van de zaak ter zitting door de meervoudige kamer met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen: de heer [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling; de vader, vergezeld van zijn partner en bijgestaan door zijn advocaat; de advocaat van de moeder. Opgeroepen en niet verschenen zijn: de moeder; de pleegouders. Verzoek en verweer Het verzoek strekt thans nog tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. Blijkens de overgelegde stukken en de aanvulling daarop ter zitting, is de grond van het verzoek gelegen in het volgende. Er is sprake van een zeer complexe situatie. [minderjarige] woont in een warm pleeggezin waar wordt voorzien in zijn behoeftes. Bij de vader is, in navolging van het advies in de NIFP rapportage van mei 2017 hulpverlening van Basic Trust ingezet voor de hechting tussen [minderjarige] en de vader en om het contact met de pleegouders te verbeteren. Volgens de gecertificeerde instelling staat de strijd tussen de vader en de pleegouders op dit moment op de voorgrond en niet [minderjarige] . Tijdens de huisbezoeken bij de pleegouders is duidelijk geworden wat de gevolgen zijn van de slechte verstandhouding tussen de vader en de pleegouders voor [minderjarige] . De minderjarige heeft altijd last na de omgangmomenten met de vader. Hij gooit met spullen, heeft woedeaanvallen en plast in zijn broek. Na omgangsmomenten met de moeder heeft [minderjarige] hier geen last van. Tijdens een kennismakingsgesprek van de (huidige) gezinsvoogd met [minderjarige] was ook spanning voelbaar. De pleegmoeder stapte niet goed in het gesprek en begeleidde [minderjarige] hier niet in. Later kreeg de gezinsvoogd een verslag van de pleegmoeder waaruit bleek dat [minderjarige] dezelfde reactie had gegeven op het kennismakingsgesprek met de gezinsvoogd als na de omgangmomenten met de vader. Als deze spanningen ook aanwezig zijn tijdens en rond de omgangsmomenten met de vader, heeft [minderjarige] daar last van. Zowel de vader als de pleegouders zijn schuldig aan de strijd. Zij leggen alle schuld buiten zichzelf en nemen geen verantwoordelijkheid voor hun eigen gedrag. De huidige situatie is zeer zorgelijk, dezelfde kenmerken worden gezien als bij een conflictueuze echtscheidingssituatie. [minderjarige] voelt de onderlinge spanning en reageert daarop. Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . Er zijn twee opties, maar deze zijn beiden niet ideaal. De eerste optie is dat [minderjarige] in het pleeggezin blijft wonen, waarin hij gehecht is en waar in zijn behoeftes wordt voorzien. De vader geeft echter geen emotionele toestemming voor dit verblijf en de strijd tussen de pleegouders en de vader duurt voort. De tweede optie is dat [minderjarige] bij de vader en zijn partner wordt geplaatst. Er bestaat echter nog onvoldoende zicht op de opvoedvaardigheden van de vader. Het verschil tussen de opvoedsituatie bij de vader en de opvoedsituatie bij de pleegouders zal groot zijn. De pleegouders willen vanaf nu de omgang tussen [minderjarige] en de vader niet meer bij hen thuis laten plaatsvinden en zij staan niet positief tegenover de opbouw van de omgangsregeling met de vader. De opbouw van de omgangsregeling zal ook een grotere belasting zijn voor [minderjarige] als niet wordt bewogen naar een betere samenwerking. Door en namens de vader is primair gepleit voor afwijzing van de verzochte machtiging, omdat verlenging van de machtiging een onrechtmatige inbreuk oplevert van de in artikel 8 EVRM en artikel 9 IVRK gegarandeerde rechten. Subsidiair heeft de vader verzocht de verzochte machtiging te verlengen voor de duur van ten hoogste drie maanden, zodat gericht wordt gewerkt aan een terugplaatsing van [minderjarige] bij de vader. De aanvaardbare termijn staat onder druk en het is van belang dat er duidelijkheid komt over het perspectief van [minderjarige] . De onzekerheid over het perspectief levert nu voor alle betrokkenen veel spanning op. De pleegouders nemen een adoptieve houding aan ten opzichte van [minderjarige] . Een optimale samenwerking tussen de vader en de pleegouders is nodig om zicht te krijgen op de situatie van [minderjarige] en de mogelijkheden voor plaatsing bij de vader. De pleegouders willen echter niet meewerken aan de opbouw van de omgang tussen [minderjarige] en de vader. De vader voelt zich door de pleegouders als persoon gediskwalificeerd. De pogingen van de vader en zijn partner om een bezoek te plannen zodat [minderjarige] kennis kan maken met zijn nieuwe (half)zusje zijn niet geslaagd, omdat de pleegouders hebben afgezegd en vervolgens niet reageerden. De vader en zijn partner zijn bereid en in staat [minderjarige] om op korte termijn voor [minderjarige] te zorgen. [minderjarige] kan het nieuwe schooljaar starten op zijn nieuwe school. De benodigde hulpverlening van Basic Trust kan in het kader van de ondertoezichtstelling bij de vader worden voortgezet. Desgevraagd laat de vader weten dat hij bereid is met [minderjarige] bij de pleegouders op bezoek te gaan, wanneer [minderjarige] bij hem is geplaatst. Ook de positieve samenwerking met de huidige jeugdbeschermer kan worden voortgezet in het kader van de ondertoezichtstelling. Namens de moeder is opgemerkt dat zij ten onrechte is uitgesloten als opvoeder van [minderjarige] . De basis voor deze uitsluiting is gelegen in de NIFP-rapportage uit mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.