vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/566168 / HA ZA 19-25 Vonnis van 9 oktober 2019 in de zaak van MAKERS 070 VASTGOED B.V., te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg , eiseres, advocaat mr. A.P. van Delden te Alphen aan den Rijn, tegen E.A.T. INTERNATIONAL BEHEER B.V., te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg , gedaagde, advocaat mr. M.A.T. Schroots te Rotterdam. Partijen zullen hierna Makers en EAT genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 21 december 2018, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; het vonnis van 17 april 2019, waarin een descente en comparitie van partijen is bevolen; de brief van 18 juni 2019 van Makers, met overlegging van nadere producties en een toelichting daarop; de brief van 18 juni 2019 van EAT, met een aanvullende productie; het proces-verbaal van de descente en comparitie van partijen van 4 juli 2019. 1.2. Het proces-verbaal van de descente en comparitie van partijen is met instemming van partijen buiten hun afwezigheid opgemaakt. Zij zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard op de verslaglegging kenbaar te maken. EAT heeft hier gebruik van gemaakt bij brief van 18 juli 2019 en Makers bij brief van 25 juli 2019. Deze brieven maken onderdeel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brieven. 1.3. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. Makers is rechthebbende tot een appartementsrecht op de begane grond in de onroerende zaak gelegen aan het [adres 1] , gemeente [gemeente] . Kadastraal staat dit perceel bekend als [Perceel I] (hierna: [Perceel I] . 2.2. EAT is eigenaar van het naastgelegen perceel, gelegen aan het [adres 2] , gemeente [gemeente] . Dit perceel staat kadastraal bekend als [perceel II] (hierna: [perceel II] ). 2.3. In 1946 heeft de familie [A] een bakkerswinkel geopend op de begane grond van het pand op [Perceel I] en heeft de bovengelegen woning betrokken. Aan de achterzijde van het pand was een bakkerij gevestigd. 2.4. Op [perceel II] is een woning gebouwd. Deze woning is vanaf 1946 bewoond door de heer [B] (hierna: [B] ). 2.5. Tussen de woning(en)/winkel op het [perceel II] en het [Perceel I] bevindt zich een binnenplaats (hierna: de binnenplaats). De binnenplaats is gelegen op [perceel II] . De binnenplaats wordt van [de Straat 1] afgesloten door een poort met een deur (hierna: de poortdeur). 2.6. Aan de binnenplaats grenst een smalle strook grond die naast de zijgevel van de woning/winkel op het [Perceel I] gelegen is. Deze strook grond is op enig moment afgesloten met een erfafscheiding, met daarin een deur. In de onder 2.8 opgenomen situatieschets is deze strook grond gearceerd weergegeven. 2.6. In de zijgevel van de winkel/woning op het [Perceel I] zit een deur die toegang geeft tot de eerste verdieping van de woning/winkel op het [Perceel I] . Voor de gebruikers van de woning/winkel gelegen op het [Perceel I] was het mogelijk om via de onder 2.6 vermelde strook grond, de deur in de erfafscheiding en de binnenplaats de openbare weg van [de Straat 1] te bereiken. Een globale looproute is met een stippelpijl in de situatieschets in 2.8 weergegeven. De looproute wordt hierna aangeduid als een (feitelijk) overpad, aan welke aanduiding op geen enkele wijze een juridische betekenis kan worden toegekend. 2.7. Hetgeen is vermeld in 2.5 tot en met 2.7 laat zich in de volgende situatieschets weergeven: IVM PRIVACY OVERWEGINGEN NIET GEPUBLICEERD. 2.8. [A c.s.] heeft in de loop der jaren de bakkerswinkel gelegen op het [Perceel I] gefaseerd uitgebreid. In totaal hebben drie verbouwingen plaatsgevonden. Eén van die verbouwingen vond plaats in 1964. Toen is de winkel uitgebreid en is een achteruitgang gecreëerd aan de [de Straat 2] voor de bevoorrading van de bakkerij. Vanaf dat moment had de winkel/woning gelegen op het [Perceel I] dus een vooringang aan [de Straat 1] , een ingang in de zijgevel en een achteringang aan de [de Straat 2] . 2.9. In de periode van 1946 tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw is de deur in de zijgevel van de winkel/woning gelegen op het [Perceel I] gebruikt als ingang naar de op de eerste verdieping gelegen woning. 2.10. In 1973 is de poortdeur voorzien van een slot naar aanleiding van een inbraak in de woning op het [perceel II] . 2.11. In 1974 is [B] , samen met zijn echtgenote, eigenaar van de woning op het [perceel II] geworden. 2.12. In 1978 hebben [X] . en [Y] , een nieuwe generatie van de familie (hierna in enkelvoud: [X c.s.] , de bakkerswinkel gelegen op het [Perceel I] overgenomen. In 1983 is [X c.s.] eigenaar geworden van het [Perceel I] en de daarop gelegen winkel/woning. 2.13. In september 2002 heeft [B] de eigendom van het [perceel II] en de daarop gelegen woning overgedragen aan de heer [C] en mevrouw [D] (hierna in enkelvoud: [C] ). 2.14. In 2016 heeft [C] de eigendom van het [perceel II] en de daarop gelegen woning overgedragen aan EAT. 2.15. Op enig moment is de bakkerswinkel van [X c.s.] gesloten. In 2017 heeft [X c.s.] het appartementsrecht met betrekking tot [Perceel I] overgedragen aan Makers. 2.16. Makers heeft EAT verzocht om mee te werken aan de inschrijving van het volgens Makers ontstane recht van erfdienstbaarheid in de openbare registers. EAT heeft dit verzoek geweigerd. 3Het geschil 3.1. Makers vordert – samengevat weergegeven – dat de rechtbank voor recht verklaart dat ten behoeve van het [Perceel I] door verjaring een erfdienstbaarheid van overpad is ontstaan om vanaf de openbare weg aan [de Straat 1] via de poortdeur de zijgevel van de winkel/woning op het [Perceel I] te bereiken. Makers vordert voorts dat EAT wordt veroordeeld om mee te werken aan de inschrijving van het overpad in de openbare registers en dat zij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure. 3.2. Makers heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. Door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring is een erfdienstbaarheid ontstaan met betrekking het overpad. In 1865 hebben de toenmalige eigenaren van het [perceel II] de eigenaren van het [Perceel I] een recht van overpad verleend, dat niet is ingeschreven in de openbare registers. Van oudsher is het overpad gebruikt om van de deur in de zijgevel van het [Perceel I] , via de poortdeur, de openbare weg aan [de Straat 1] te bereiken (en omgekeerd). Uit de plaatsing van deur in de zijgevel van de winkel/woning op het [Perceel I] blijkt het bezit van de erfdienstbaarheid dat eind jaren veertig, begin jaren vijftig van de vorige eeuw is ontstaan en daarna altijd heeft voortgeduurd. De eigenaren van het [perceel II] hebben het gebruik van het overpad door de eigenaren van het [Perceel I] altijd geaccepteerd, waardoor het bezit van de erfdienstbaarheid te goeder trouw is geweest. 3.3. EAT voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Beoordelingskader 4.1. Makers heeft gesteld dat het bezit van de erfdienstbaarheid halverwege de twintigste eeuw dan wel op een later moment door verjaring is ontstaan. Omdat door de invoering van het (Nieuw) Burgerlijk Wetboek (BW) op 1 januari 1992 een erfdienstbaarheid op andere gronden middels verjaring kan ontstaan dan vóór die datum, toen het Oud Burgerlijk Wetboek (OBW) nog gold, zal de rechtbank de vordering gedifferentieerd dienen te beoordelen. De rechtbank zal als eerste de vraag beantwoorden of voor 1992 door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. Indien geen sprake is van verjaring onder OBW, zal de rechtbank de vordering beoordelen op basis van de criteria die onder het (huidige) BW gelden. Verjaring op basis van OBW 4.2. Artikel 744 OBW bepaalt dat erfdienstbaarheden zowel door verjaring als door titel worden verkregen. Het bepaalde in artikel 746 OBW brengt met zich mee dat ‘niet-voortdurende’ en/of ‘niet-zigtbare’ erfdienstbaarheden niet door verjaring kunnen ontstaan. Partijen zijn in geschil over de vraag of het onderhavige overpad een voortdurende erfdienstbaarheid is. Die vraag zal de rechtbank als eerste beantwoorden. 4.3. Artikel 724 lid 3 oud BW bepaalt dat onder niet-voortdurende erfdienstbaarheden moet worden verstaan ‘dezulke welke tot dezelver uitoefening ’s menschen toedoen noodig hebben, als daar zijn: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke.' 4.4. Omdat voor de uitoefening van een erfdienstbaarheid van voetpad menselijk handelen nodig is, werd een dergelijke erfdienstbaarheid in beginsel als een niet-voortdurende erfdienstbaarheid gekwalificeerd (vgl. Asser/Beekhuis, Tweede Deel Zakenrecht, Bijzonder Deel I (9e druk, 1963, p. 231); HR 6 oktober 1954, NJ 1954/657; HR 27 september 1996, NJ 1997/496 m.nt. W.M. Kleijn). 4.5. Makers heeft betoogd dat het overpad wel als een voortdurende erfdienstbaarheid moet worden gekwalificeerd en hiervoor heeft zij een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 27 september 1996 (NJ 1997/496), waarin de Hoge Raad een uitzonderingssituatie aanvaardde. De rechtbank is met EAT van oordeel dat de door Makers gemaakte vergelijking met dat arrest niet opgaat, zij het om andere redenen. In het geval waarover de Hoge Raad in voormeld arrest heeft geoordeeld stond het volgende centraal. In een muur die twee erven (die daarvoor in één hand waren geweest) van elkaar scheidde stond een deur die leidde naar een kelder van het heersende erf. De eigenaar van het heersende erf kon de kelderdeur enkel via het daarvoor gelegen open terrein op het lijdend erf bereiken. Uit de – door de Hoge Raad in stand gelaten – overwegingen van het hof volgt dat de permanente aanwezigheid van die kelderdeur in een muur die beide erven van elkaar scheidde, bepalend was voor het karakter van de inbreuk op het eigendomsrecht van het dienende erf. 4.6. In het onderhavige geval is van een dergelijke situatie echter geen sprake. De deur in de zijgevel van de winkel/woning op het [Perceel I] biedt toegang tot een strook grond die onderdeel vormt van hetzelfde perceel. Voor het bereiken van die strook grond is het gebruik van het overpad niet noodzakelijk. Bovendien wordt het onderhavige overpad juist gekenmerkt door het gebruik van het overpad naar de poortdeur richting [de Straat 1] en vice versa. Om in dit geval van ‘gebruik’ te spreken, is vereist dat bewoners/gebruikers van de winkel/woning op het [perceel I/II] het overpad betreden, en dit gebruik betreft een niet-voortdurende erfdienstbaarheid. 4.7. Het vorenstaande brengt met zich mee dat de erfdienstbaarheid, vanwege het niet-voortdurende karakter, niet is ontstaan door verjaring op grond van het tot 1992 geldende OBW. Verjaring op basis van BW 4.8. De volgende vraag is of op grond van het vanaf 1992 geldende Burgerlijk Wetboek (BW) een recht van erfdienstbaarheid is ontstaan door verjaring. Onder het (huidige) BW is het voor verjaring niet langer vereist dat de erfdienstbaarheid voortdurend en zichtbaar is. Voor verkrijgende verjaring is wel vereist dat gedurende een onafgebroken periode vanaf 1992 tien jaar sprake is van bezit van een erfdienstbaarheid en de bezitter te goeder trouw is (artikel 3:99 BW). Is de bezitter niet te goeder trouw geweest, dan is een periode vanaf 1992 twintig jaar van bezit vereist voordat de bevrijdende verjaring is voltooid (artikel 3:105 jo. 3:306 BW). 4.9. Makers stelt dat zowel aan de vereisten van verkrijgende als bevrijdende verjaring is voldaan. Het bezit van de erfdienstbaarheid blijkt volgens Makers in de eerste plaats uit het feit dat in de zijgevel van de winkel/woning aan het [Perceel I] een deur zit. De deur in de zijgevel is lange tijd gebruikt als hoofdingang van de op de eerste etage gelegen woning boven de bakkerswinkel en het ligt daarom ook voor de hand dat het overpad regelmatig is gebruikt door de eigenaar van het [Perceel I] . Dat dit ook het geval was, blijkt uit de schriftelijke verklaringen van [A c.s.] en [B] die Makers heeft overgelegd. Hoewel de intensiteit van het gebruik van het overpad vanaf 1964 is afgenomen, bleef men gebruik maken van het overpad, aldus Makers. Het bezit heeft dus voortgeduurd en inmiddels zijn de in 1992 aangevangen termijnen van zowel de verkrijgende (10 jaar) als de bevrijdende verjaring (20 jaar) voltooid. Ten slotte stelt Makers dat [A c.s.] te goeder trouw bezitter is geweest, omdat er afspraken waren met de eigenaar van het [perceel II] over het gebruik van het overpad. 4.10. Makers heeft zich ter onderbouwing van haar stellingen beroepen op de navolgende verklaringen van achtereenvolgens [A c.s.] en [B] . 4.10.1. [A c.s.] heeft op 11 januari 2017 het volgende schriftelijk verklaard: Ondergetekenden verklaren (…) dat: Er sinds de bouw omstreeks 1865 van [Perceel I] (…) een doorgang is gelegen tussen [Perceel I] en [perceel II] (…). Er sinds omstreeks 1865, via bovengenoemde doorgang, toegang is tot het perceel behorende bij [perceel II] en tot de poort en historische entreedeur van het woonhuis (zijgevel) behorende bij [Perceel I] . De historische entreedeur alsmede een 2e toegangsdeur zijn heden nog steeds aanwezig – en in gebruik, ook als vluchtroute. Er is sinds omstreeks 1865 recht van overpad is verleend door de eigenaar van [perceel II] aan de eigenaar van [Perceel I] zodat men de poort en de toegangsdeur(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.