uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL19.22029 en NL19.22031 uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen [verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer 1] , [verzoekster] , verzoekster, V-nummer [V-nummer 2] , en hun minderjarige kind, [naam minderjarige] , V-nummer [V-nummer 3] , gezamenlijk te noemen verzoekers (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. R. Hopman). Procesverloop Verzoekers hebben op 7 april 2019 bij verweerder aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluiten van 17 september 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de beroepen met zaaknummers NL19.22028 en NL19.22030, plaatsgevonden op 1 oktober 2019. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen I.G.S. Ringelé. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Verzoeker en verzoekster komen uit Nigeria. Zij zijn het Dublingebied via Italië ingereisd. Verzoekster heeft daar asiel aangevraagd op 14 september 2016 en verzoeker op 31 maart 2017. Verzoeker en verzoekster zijn vervolgens naar Nederland gereisd waar zij op 7 april 2019 asiel hebben aangevraagd en waar op [geboortedatum] 2019 hun kind is geboren. 2. Verweerder heeft de asielaanvragen van verzoekers niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening1 Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken. Verweerder ziet in wat verzoekers naar voren hebben gebracht geen aanleiding om de asielaanvragen, ondanks dat hij daartoe niet verplicht is, toch in behandeling te nemen. 3. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om hen niet over te dragen aan Italië totdat op hun beroep is beslist door de rechtbank. In de beroepszaak hebben verzoekers onder meer een beroep gedaan op een aantal recent door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) toegewezen interim measures.2 In een van die zaken ging het om een echtpaar met een twee maanden oude baby en dus om een met verzoekers vergelijkbaar geval, aldus verzoekers. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder niet naar behoren heeft onderzocht en niet deugdelijk heeft onderbouwd dat er in Italië adequate opvang is voor kwetsbare Dublinclaimanten, in het bijzonder gezinnen met minderjarige kinderen, en ten onrechte heeft nagelaten individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten te verkrijgen dat verzoekers na overdracht ook daadwerkelijk tot adequate opvangvoorzieningen zullen worden toegelaten. Verweerder had de aanvragen dan ook aan zich moeten trekken. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door het EHRM aan Nederland gestelde vragen, het antwoord daarop, en gevolgen daarvan voor de opgelegde interim measures, het vervolg in die zaken, van belang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten in de beroepszaken. Het is de voorzieningenrechter ambtshalve bekend dat recentelijk naast de door verzoeker genoemde zaken in nog vijf zaken interim measures zijn getroffen. In de interim measures zijn aan Nederland vragen gesteld over of de Nederlandse overheid (medische) informatie heeft uitgewisseld met de Italiaanse overheid, er zekerheid is verkregen over de ontvangst en eventueel over de daaropvolgende medische zorg en over hoe de betrokkene(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.