RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 19/7959 uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 17 oktober 2019 op het verzoek om voorlopige voorzieningen in de zaak tussen [naam], verzoeker, gemachtigde: mr. R. Akkaya, en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: mr. R. Jonkman. Procesverloop Verzoeker heeft op 16 oktober 2019 beroep ingesteld tegen de toegangsweigering tot Nederland van 16 oktober
- Verzoeker heeft ook beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel die hem op 16 oktober 2019 is opgelegd. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat de vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven, hij niet wordt uitgezet, en dat hem alsnog de toegang tot het Schengengebied wordt verleend. Omdat onverwijlde spoed dat vereist, is een zitting achterwege gebleven. Overwegingen
- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Op 16 oktober 2019 is hij vanuit Istanbul, Turkije aangekomen op luchthaven Eindhoven. Verweerder heeft verzoeker de toegang tot Nederland geweigerd op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6, van de Schengengrenscode. Alsmede is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Voor verzoeker is een vlucht geboekt naar Istanbul die zal vertrekken op 17 oktober 2019 om 13:50 uur.
- Verweerder heeft zich bij de toegangsweigering op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in bezit is van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van zijn verblijf blijkt.
- Op wat verzoeker hiertegen heeft ingebracht, wordt hierna ingegaan.
- De voorzieningenrechter dient te beoordelen of de beroepen een redelijke kans van slagen hebben.
- Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet heeft aangetoond. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op de reservering bij ‘Hotel Steensel’ te Eindhoven, die verzoeker op 14 oktober 2019 heeft geannuleerd, waardoor verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt waar hij zal verblijven. Dat verzoeker ten tijde van zijn visumaanvraag reeds van plan was om bij zijn vriend te verblijven kan daar niet aan af doen. Bij zijn visumaanvraag heeft hij immers een hotelreservering overgelegd.
- Gelet op het voorgaande hebben het beroep tegen de toegangsweigering en het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel geen redelijke kans van slagen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De griffier heeft de beslissing op 17 oktober 2019 om 9:41 uur telefonisch bekend gemaakt aan de gemachtigde van verweerder en om 9:42 uur aan de gemachtigde van verzoeker. Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Verordening (EU) nr. 2016/399