← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:11806

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL19.25057 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. C.G. Matze), en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. I.E. Lemmers). Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober

  1. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  2. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ontbreekt. De beroepsgrond faalt. 1.
  3. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er van 1 januari tot 30 april 2019 in totaal acht vreemdelingen gedwongen naar Algerije zijn uitgezet. Voor zeven vreemdelingen zijn laissez-passers (lp’s) afgegeven, die in zes gevallen hebben geleid tot gedwongen vertrek. Gelet daarop kan in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije worden aangenomen. 1.
  4. In het geval van eiser is de lp-aanvraag op 30 oktober 2019 verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. De aanvraag loopt op dit moment. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten in het geval van eiser geen (vervangende) reisdocumenten verstrekken, dan wel anderszins niet meewerken aan zijn gedwongen terugkeer. Daarnaast rust op eiser de plicht of actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting naar Algerije. Dat eiser meewerkt, is niet gebleken. Zo is niet in geschil dat eiser eerder een alias heeft opgegeven en geen enkele moeite doet om aan identiteits- of nationaliteitsdocumenten te komen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ook in het geval van eiser niet ontbreekt.
  5. Het betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting, slaagt ook niet. Eiser is in bewaring gesteld op 14 oktober
  6. Verweerder heeft op 23 oktober 2019 een vertrekgesprek met eiser gehouden. Zoals is overwogen onder 1.2, heeft verweerder op 30 oktober 2019 de lp-aanvraag verzonden naar de Algerijnse autoriteiten. Voor een antwoord op die lp-aanvraag is verweerder afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Gelet op het voorgaande was verweerder niet gehouden meer of andere uitzettingshandelingen te verrichten dan hij heeft gedaan.
  7. Eiser heeft zijn overige beroepsgronden ter zitting ingetrokken. Daarom gaat de rechtbank daar niet op in.
  8. Het beroep is ongegrond.
  9. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.