Rechtbank DEN HAAG Zittingsplaats Leiden HvB Rolnr.: 7368375 CV EXPL 18-5331 Datum: 30 oktober 2019 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] gevestigd en kantoorhoudende te [plaats] , eisende partij, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen, tegen [gedaagde] , thans wonende te [plaats] , gedaagde partij, procederende in persoon. Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”. 1Procedure 1.
- De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 1 november 2018 met een productie, de conclusie van antwoord. 1.
- Na conclusie van antwoord is een inlichtingen- en schikkingscomparitie gelast. De comparitie is gehouden op 31 januari 2019; van het verhandelde is aantekening gehouden. Voorafgaande aan en ter voorbereiding van de comparitie heeft [eiser] producties overgelegd. Ter comparitie is de zaak naar de rol verwezen voor verdere aktewisseling tussen partijen. 1.
- Vervolgens heeft eerst [gedaagde] een akte genomen op 13 maart 2019 en daarna heeft [eiser] op 10 april 2019 een akte genomen. 1.
- Bij rolbeslissing van 8 mei 2019 is [eiser] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de volledige akte van [gedaagde] , omdat [eiser] die volledige akte met bijlagen van [gedaagde] bij de eerste toezending daarvan niet volledig had ontvangen. 1.
- Daarna heeft [eiser] op 5 juni 2019 nog een akte genomen. 1.
- Vervolgens is de zaak voor vonnis gezet. 2Feiten Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en het verhandelde ter comparitie gaat de kantonrechter van het volgende uit. 2.
- Op 9 mei 2017 heeft [gedaagde] met [eiser] een contract afgesloten voor het leveren van telecommunicatie diensten. 2.
- Op 16 maart 2018 is [gedaagde] verhuisd naar een adres in [plaats] . Na de datum van de dagvaarding in deze procedure is [gedaagde] verhuisd naar [plaats] . 3Vordering [eiser] vordert in dit geding om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 113,45 in hoofdsom en € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten, dus totaal € 154,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2018, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde] drie facturen van 12 februari 2018, 15 maart 2018 en 13 april 2018 ook na aanmaning ten onrechte onbetaald heeft gelaten. 4Verweer Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat de internetaansluiting van [eiser] in de periode dat zij in [plaats] woonde nimmer naar behoren heeft gewerkt ook niet nadat er een monteur was langs geweest van [eiser] . Zij is toen gestopt met betalen en heeft [eiser] laten weten om die reden van het contract af te willen maar dat mocht niet van [eiser] , aldus [gedaagde] . Daarna is [gedaagde] , terwijl zij nog in [plaats] woonde, overgestapt naar een andere provider en heeft zij geen problemen meer. 5Beoordeling 5.
- Bij haar nadere akte van 5 juni 2019 weerspreekt [eiser] niet langer dat [gedaagde] in de periode dat zij in [plaats] woonde meermalen heeft geklaagd dat haar internetverbinding niet naar behoren werkte, dat er meermalen een monteur is langs geweest en dat haar Mediabox iedere keer ging scannen waardoor het 5 tot 10 minuten duurde voordat zij televisie kon kijken. Ook weerspreekt [eiser] niet langer dat [gedaagde] op 10 april 2018 heeft aangegeven dat de problemen nog steeds speelden, dat het gesprek dat [gedaagde] telefonisch met [eiser] niet fijn is verlopen en [gedaagde] heeft meegedeeld over te zullen stappen naar KPN. 5.
- De kantonrechter verwerpt het (impliciete) verweer van [eiser] dat de telkens door [gedaagde] gemelde storing niet zo ernstig was dat deze ontbinding niet rechtvaardigde. Wanneer [eiser] er herhaalde malen niet in slaagt de door [gedaagde] gemelde storing te verhelpen en zij telkens 5 á 10 minuten moet wachten voordat zij televisie kan kijken, is dat wel degelijk een tekortkoming die ontbinding rechtvaardigt. 5.
- Uit de bewoordingen die [gedaagde] klaarblijkelijk aan de telefoon heeft gebruikt en later per mail van 1 april 2018 moet het [eiser] onomstotelijk duidelijk zijn geweest dat [gedaagde] (een consument) niet verder wilde en dus daarmee terecht en op goede gronden de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden. 5.
- Uit dit een en ander moet verder worden afgeleid dat de aansluiting van [gedaagde] in de periode dat zij [plaats] woonde nimmer naar behoren heeft gewerkt en dat zij zich na de ontbinding van de overeenkomst er zich terecht op beroept dat zij de facturen die ook volgens [eiser] op die periode betrekking hebben niet (meer) hoeft te betalen. 5.
- Dat betekent dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en dat zij als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de proceskosten. Nu [gedaagde] in persoon verschenen is, zullen de noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten tot op heden aan haar kant forfaitair worden vastgesteld op het hierna vermelde bedrag. Beslissing De kantonrechter: - wijst de vordering af; - veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 45,00 aan noodzakelijke reis-, verblijf- en verletkosten. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. L.C. Heuveling van Beek en uitgesproken door kantonrechter mr. S.M. de Bruijn ter openbare terechtzitting van 30 oktober 2019.