Rechtbank Den HAAG Meervoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 19-7047 Zaaknummer: C/09/580803 Datum beschikking: 20 november 2019 Internationale kinderontvoering Beschikking op het op 30 september 2019 ingekomen verzoek van: [Y] de vader, wonende te [woonplaats Y] , Servië, advocaat: mr. J.H. Weermeijer te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [X] , de moeder, wonende te [woonplaats X] , advocaat: mr. N.J.F. Snoek te Amstelveen. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift; het F9-formulier van 14 oktober 2019, met bijlagen, van de zijde van de moeder; het aanvullend verweerschrift; - de brief van 1 november 2019, met bijlagen, van de zijde van de vader. Op 15 oktober 2019 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de vader, de moeder, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk 1] en bijgestaan door haar advocaat, alsmede de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) in de persoon van mevrouw [medewerker RvdK] Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. K.M. Braun. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden. Op genoemde regiezitting is aan partijen de gelegenheid geboden om een crossborder mediation traject te volgen, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, teneinde tot een minnelijke regeling te komen. Partijen hebben daar om hen moverende redenen geen gebruik van gemaakt. Bij beschikking van 17 oktober 2019 is drs. J.L. van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats mj] , Servië. De bijzondere curator is verzocht de volgende vragen te beantwoorden: Wat geeft [minderjarige] zelf aan over een eventueel verblijf in Servië en een eventueel verblijf in Nederland? In hoeverre lijkt [minderjarige] zich vrij te kunnen uiten? In hoeverre lijkt [minderjarige] de gevolgen van het verblijf in Servië of het verblijf in Nederland te overzien? Wil [minderjarige] met de rechter(s) spreken en zo ja, wenst [minderjarige] dat de bijzondere curator daarbij aanwezig zal zijn? Zijn er nog bijzonderheden naar voren gekomen die van belang zijn voor de te nemen beslissingen? De rechtbank heeft op 30 oktober 2019 het rapport van de bijzondere curator van 30 oktober 2019 ontvangen. De minderjarige [minderjarige] is op 6 november 2019 in het bijzijn van de tolk mevrouw [naam tolk 2] en de bijzondere curator in raadkamer gehoord. Op 6 november 2019 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk 3] en bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk 2] en bijgestaan door haar advocaat, de Raad in de persoon van mevrouw [medewerker RvdK] , alsmede de bijzondere curator. Van de zijde van de vader en van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd. Namens de Raad is mondeling ter zitting verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken. Na de zitting heeft de Raad dit verzoek schriftelijk bevestigd. Het verzoek is geregistreerd met het kenmerk C/09/582886, JE RK 19-2744. De rechtbank heeft bij afzonderlijke beslissing van 6 november 2019 op het verzoek toewijzend beslist, waarbij de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering als gecertificeerde instelling is benoemd. Verzoek en verweer De vader heeft verzocht: te bevelen dat [minderjarige] Malović, geboren op [geboortedatum] 2012 te Belgrado, Servië, onmiddellijk, doch vóór of uiterlijk op 30 oktober 2019 zal dienen terug te keren naar zijn gewone verblijfplaats in Servië, althans dat de terugkeer zal plaatsvinden op een datum en wijze als de rechtbank in goede justitie zal achten, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Servië, althans de staat waar zijn gewone verblijfplaats is gelegen, dan wel indien de moeder dit nalaat, te bevelen dat de moeder de minderjarige op eerste verzoek dient af te geven aan de vader met een geldig reisdocument, zodat de vader de minderjarige kan teruggeleiden naar Servië; te bepalen, voor zover rechtens vereist nu dit reeds voortvloeit uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Uitvoeringswet, dat de minderjarige zo nodig met behulp van de sterke arm der wet, althans met medewerking van het Openbaar Ministerie zal worden teruggeleid; te bepalen dat de moeder de kosten van teruggeleiding, voor zover de vader die noodgedwongen zal moeten maken, aan hem dient te vergoeden; met veroordeling van de moeder in de proceskosten; een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Feiten - Partijen hebben een affectieve relatie gehad. - Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats mj] , Servië. - Bij beslissing van 11 mei 2018 van de rechtbank in [woonplaats Y] , Servië, is de moeder belast met de “single custody” over [minderjarige] . Tevens is bepaald dat de vader kinderalimentatie dient te voldoen en is een contactregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. - In februari 2019 is de moeder met [minderjarige] vanuit Servië naar Nederland gereisd. Zij verblijven sindsdien in Nederland. - De vader, de moeder en [minderjarige] hebben de Servische nationaliteit. - De vader heeft zich in maart 2019 gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nr.] . Beoordeling Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Servië zijn partij bij het Verdrag. Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken. Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag). Niet in geschil is dat [minderjarige] onmiddellijk voor zijn vasthouding in Nederland zijn gewone verblijfplaats in Servië had. Niet in geschil is verder dat de rechtbank te [woonplaats Y] , Servië, bij beslissing van 11 mei 2018 de moeder heeft belast met de “single custody” over [minderjarige] , Ook staat vast dat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan. De vraag die de ouders thans verdeeld houdt is of het de moeder naar Servisch recht uit hoofde van voornoemde beslissing vrij stond om zelfstandig, zonder de vader of de rechtbank daarin te kennen, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] te wijzigen. De vader heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het Servische familierecht de gezaghebbende ouder in een dergelijk geval de toestemming dient te verkrijgen van de andere oudere, dan wel vervangende toestemming van de rechtbank. De vader heeft gesteld dat hij geen toestemming heeft verleend voor een permanent verblijf van [minderjarige] in het buitenland. De vader heeft gewezen op artikel 78 van de Servische familiewet (SFw) en zich op het standpunt gesteld dat dit artikel van toepassing is. Volgens de vader volgt uit de leden 3 en 4 van dit artikel dat de niet met het gezag belaste ouder nog steeds inspraak heeft bij belangrijke beslissingen, zoals een verhuizing naar het buitenland. Het toestemmingsformulier ten behoeve van de moeder om met [minderjarige] binnen Europa te mogen reizen dat de vader in oktober 2018 ten overstaan van de notaris heeft getekend is een aanwijzing om uit te gaan van de juistheid van de stelling dat de moeder de toestemming van de vader nodig heeft om zich met [minderjarige] in het buitenland te vestigen. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een schending van het gezagsrecht als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag. Volgens de moeder is het door de vader genoemde artikel 78 SFw alleen van toepassing als het gezag (custody) het resultaat is van een overeenkomst tussen de ouders. Nu de rechtbank te [woonplaats Y] het gezag na een wederzijdse claim op basis van artikel 77 lid 3 SFw heeft toevertrouwd aan de moeder, is volgens haar artikel 78 SFw niet van toepassing en stond het haar vrij om zonder toestemming van de vader met [minderjarige] te verhuizen naar Nederland. Het toestemmingsformulier is volgens de moeder nodig om (praktische) problemen bij de Servische grens te voorkomen. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens de Engelse vertaling van de Servische familiewet, luiden de artikelen 77 SFw en 78 SFw als volgt: Individual Exercise of Parental Rights Article 77
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.