RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: NL19.23554 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , geboren op [geboortedag] 1993, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken). Procesverloop Bij besluit van 4 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 9 april 2019 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer NL19.23555. Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de voorlopige voorziening, plaatsgevonden op 19 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft eiser verzocht om na de behandeling van de zaak de medische stukken waarnaar is verwezen alsnog toe te voegen aan het dossier zodat de rechtbank over dezelfde stukken als partijen beschikt. Eiser heeft hiervoor kort na de zitting zorggedragen. Overwegingen 1. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening (Verordening (EU) 604/2013) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. 2. Eiser heeft op 9 april 2019 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hij heeft daarbij gesteld dat hij [naam] heet, dat hij is geboren op [geboortedag] 2002 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 11 juni 2015 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verder is uit dactyloscopisch onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening in Italië gebleken dat eiser in Italië staat geregistreerd onder de naam [naam] , geboren op [geboortedag] 1993 en van Nigeriaanse nationaliteit. Daarnaast heeft eiser verklaard dat zijn asielaanvraag in Italië is afgewezen en dat hij Italië moest verlaten. Ook uit het onderzoek op grond van artikel 34 van de Dublinverordening blijkt dat eisers asielaanvraag in Italië is afgewezen. Gelet op het voorgaande hebben de Nederlandse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten op 24 mei 2019 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De Italiaanse autoriteiten hebben niet tijdig, binnen twee weken, gereageerd op dit verzoek zodat Italië op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening wordt geacht te hebben ingestemd met terugname van eiser en een fictief claimakkoord tot stand is gekomen. Dit betekent dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser daarom niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. 3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft hem ten onrechte en in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening niet gehoord. De stelling van verweerder dat eiser zonder voorafgaande kennisgeving niet is gekomen is bovendien onterecht en onjuist. Er is immers meerdere keren aangegeven dat eiser eerst door zijn advocaat moest worden voorbereid op het gehoor en om die reden is er ook verzocht om uitstel van het gehoor. Verder voert eiser aan dat verweerder er ten onrechte vanuit blijft gaan dat hij meerderjarig is terwijl hij een echt bevonden geboortebewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij minderjarig is. Dat er geen legalisatie heeft plaatsgevonden is volgens het beleid geen reden om aan te nemen dat geen sprake is van een identificerend document. Bovendien mag van asielzoekers niet worden verwacht dat zij zich wenden tot de autoriteiten van hun land van herkomst om documenten te laten legaliseren. De in het beleid van verweerder en in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) neergelegde bewijslast in geval van registratie in een ander EU-land is volgens eiser ook onevenredig hoog en maakt een effectief beroep op het EU-recht onmogelijk. Voorts voert eiser aan dat hij vanwege zijn medische situatie kwetsbaar is zodat verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken. Eiser heeft door zijn verklaringen en de algemene informatie over de slechte situatie van asielzoekers in Italië aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in een situatie van ernstige materiële deprivatie terecht komt. Overdracht naar Italië leidt dan ook tot strijd met artikel 4 van het Handvest van de gronderechten van de Europese Unie (het Handvest). Tot slot voert eiser aan dat het gelet op de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) getroffen interim measures in de rede ligt om hem in afwachting van een uitspraak van het EHRM niet over te dragen.Het oordeel van de rechtbank 4. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiser dat alles wat eerder naar voren is gebracht, in het bijzonder de zienswijze, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op dient in te gaan. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de zienswijze van eiser en eiser heeft in beroep niet concreet aangegeven waarom de reactie van verweerder op de zienswijze volgens hem niet toereikend is. De rechtbank zal zich daarom alleen richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd. Leeftijdsregistratie 5. Naar aanleiding van het onderzoek in het Eurodac-systeem en het verschil in inschatting tussen de verbalisanten van de vreemdelingenpolitie en de gehoormedewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van de leeftijd van eiser, heeft verweerder nader onderzoek verricht door de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te verzoeken om informatie over eiser. De Italiaanse autoriteiten hebben geantwoord dat eiser in Italië is geregistreerd onder de naam [naam] met als geboortedatum [geboortedag] 1993 waardoor hij in dat land als meerderjarig staat geregistreerd. In Nederland heeft eiser een andere naam opgegeven en gezegd dat hij is geboren op [geboortedag] 2002 en ten tijde van de asielaanvraag minderjarig was. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat informatie uit één andere lidstaat waaruit blijkt dat de vreemdeling meerderjarig is, volstaat om de vreemdeling ook in Nederland meerderjarig te verklaren, mits in Nederland geen authentieke, identificerende documenten zijn overgelegd. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 15 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2219, van 11 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:392, en van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395) dat verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel van uit mag gaan dat de registratie van de geboortedatum van eiser in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden, zodat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat de in Italië geregistreerde geboortedatum onjuist is. 6. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de registratie in Italië onjuist is of dat deze onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. In de enkele, niet nader onderbouwde, stelling van eiser dat hij in Italië de geboortedatum [geboortedag] 2002 heeft opgegeven maar dat ze hem niet vertrouwden heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om van voornoemd uitgangspunt af te wijken. Voorts overweegt de rechtbank dat eiser geen authentieke, identificerende documenten heeft overgelegd die de gestelde minderjarigheid onderbouwen. In het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C1/4.3 van de Vc 2000, staat dat een document met betrekking tot de identiteit een goedgelijkende pasfoto, de geboorteplaats van de vreemdeling en de geboortedatum van de vreemdeling moet bevatten. Verder staat in het beleid van verweerder dat een identiteitsdocument alleen de identiteit kan onderbouwen als het door de overheid van het land van herkomst officieel is uitgegeven. Eiser heeft een geboortebewijs overgelegd dat door Bureau Documenten echt is bevonden en waarop een pasfoto, een geboorteplaats en een geboortedatum staat vermeld. Verweerder heeft ter zitting het argument dat dit document moet zijn gelegaliseerd om enige waarde te hebben, laten vallen. Verweerder heeft echter ter zitting nader gemotiveerd dat dit geboortebewijs geen identiteitsdocument is omdat een identiteitsdocument niet een document kan zijn dat enkel op grond van verklaringen van derden wordt afgegeven. Aan de afgifte van een identiteitsdocument moeten niet alleen verklaringen maar ook brondocumenten ten grondslag liggen. Verweerder heeft tevens aangegeven dat in het onderhavige geval de inhoud van het document niet met de verklaringen van eiser overeenkomt. Eiser heeft verklaard dat zijn vader enige jaren geleden is overleden terwijl de overgelegde documenten door zijn vader op 2 mei 2019 zouden zijn aangevraagd en verkregen. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat deze tegenwerpingen eerst op zitting zijn aangevoerd en het beroep daarom moet slagen. 7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren omdat de motivering waarom aan het geboortebewijs geen waarde toekomt niet in de besluitvormingsfase maar pas op zitting is gegeven. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht en overweegt daartoe als volgt. 8. Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder de eis dat een document gelegaliseerd moet zijn, heeft laten vallen. De rechtbank overweegt op dit punt ten overvloede dat eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat van een asielzoeker inderdaad niet bij wijze van uitgangspunt kan worden gevergd om documenten door de autoriteiten, waartegen hij nu juist bescherming zoekt, te laten legaliseren en dat verweerder overigens steevast het standpunt inneemt dat legalisatie niets zegt over de inhoud van een document. De rechtbank overweegt verder dat de voorwaarde dat een document niet als identiteitsdocument kan gelden als aan de afgifte van het document geen brondocument ten grondslag ligt niet is opgenomen in paragraaf C1/4.3 van de Vc 2000 en verweerder ter zitting niet heeft aangegeven waar deze voorwaarde voor een identiteitsdocument is neergelegd. Wel is in paragraaf C1/4.3 van de Vc 2000 opgenomen dat een identiteitsdocument alleen de identiteit kan onderbouwen als het door de overheid van het land van herkomst officieel is uitgegeven. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat de door eiser overgelegde “Affidavit as to declaration of age” van [naam] van 2 mei 2019 wel strookt met de informatie van de “High Court of Justice Delta State of Nigeria in the Agbor Judicial Division” zoals die op de website van dit gerecht wordt weergegeven. Het overgelegde geboortebewijs zou zijn afgegeven door de “National Population Commission”. De rechtbank heeft partijen tevens voorgehouden dat op de website van deze Commission informatie is opgenomen over de verkrijging van een geboortebewijs en dat het door eiser overgelegde document lijkt te zijn verkregen op grond van de op deze website vermelde procedure. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen motiveren waarom de High Court en de National Population Commission niet moeten worden gekwalificeerd als deel uitmakend van de overheid van Nigeria, zodat niet gemotiveerd is betwist door verweerder dat eiser de documenten officieel van de overheid heeft verkregen. De rechtbank overweegt dan ook dat verweerder, ook ter zitting, niet voldoende heeft gemotiveerd waarom het geboortebewijs dat eiser heeft overgelegd in beginsel niet als identiteitsdocument moet worden aangemerkt. De rechtbank stelt hierbij vast dat in paragraaf C1/4.3 van de Vc 2000 niet alle vereisten die verweerder kennelijk aan identiteitsdocumenten stelt zijn opgenomen en daarmee het beleid niet volledig kenbaar is voor derden. 9. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat aan het geboortebewijs geen waarde toekomt omdat de inhoud niet in overeenstemming is met de verklaringen van eiser wordt dit standpunt gevolgd door de rechtbank. Uit de stukken valt op te maken dat het geboortebewijs op 2 mei 2019 is afgegeven op grond van meergenoemde affidavit. Blijkens de inhoud van de “Affidavit as to the declaration of age” zou deze verklaring onder ede zijn afgelegd op 2 mei 2019 door de biologische vader van eiser. Eiser heeft echter in deze procedure meermalen en gedetailleerd verklaard dat [naam] zijn biologische vader is en dat zijn vader omstreeks 2014 is overleden. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat indien verweerder nadere uitleg over deze documenten had willen verkrijgen hij gehoord had moeten worden. De rechtbank volgt dit niet. Indien eiser documenten inbrengt om zijn gestelde minderjarigheid te onderbouwen en de inhoud van deze documenten lijnrecht staat tegenover de in de procedure afgelegde verklaringen ligt het op de weg van eiser om deze documenten, tegelijk met de overlegging hiervan, nader toe te lichten. Eiser heeft dit nagelaten. Omdat de rechtbank op dit punt van eiser een verklaring wenste heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting korte tijd geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen om zich samen met zijn gemachtigde te beraden over de af te leggen verklaring. Eiser heeft bij hervatting van het onderzoek verklaard dat zijn vader daadwerkelijk is overleden en dat, anders dan in de affidavit is vermeld, een ander volwassen familielid zich heeft uitgegeven voor de vader van eiser en onder ede een verklaring heeft afgelegd over eiser. Bij deze stand van zaken stelt de rechtbank vast dat de affidavit in strijd met de waarheid is afgelegd en opgemaakt en dat het geboortebewijs vervolgens op grond van dit fraudeleuze document is verkregen. Het standpunt van verweerder dat daarom geen waarde toekomt aan het geboortebewijs wordt gevolgd door de rechtbank. Het geboortebewijs wordt immers zonder nader onderzoek op grond van een niet geverifieerde maar wel beëdigde verklaring van een persoon afgegeven, waarbij in dit concrete geval in ieder geval in strijd met de waarheid de identiteit van de biologische vader van eiser is voorgewend. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat verweerder ook niet hoeft uit te gaan van de overige inhoud van de affidavit, zoals de gestelde geboortedatum van eiser. Nu het geboortebewijs enkel op grond van deze affidavit is afgegeven concludeert de rechtbank dat aan het geboortebewijs geen bewijswaarde toekomt. Dit betekent dat verweerder mag uitgaan van de onderzoeksresultaten van Eurodac zodat eiser in deze procedure niet als minderjarige hoeft te worden aangemerkt en dat hij ook geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser een leeftijdsonderzoek aan te bieden. Horen 10. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder hem ten onrechte en in strijd met artikel 5 van de Dublinverordening niet heeft gehoord overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 30, tweede lid, van de Vw 2000 staat dat de vreemdeling wordt gehoord over zijn eventuele bezwaren tegen overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat. Verder staat in punt 18 van de preambule van de Dublinverordening dat een persoonlijk onderhoud met de verzoeker dient plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Zodra het verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, moet de verzoeker over de toepassing van de Dublinverordening worden geïnformeerd en ervan in kennis worden gesteld dat het onderhoud de verzoeker de mogelijkheid biedt om informatie te verstrekken over de aanwezigheid van gezinsleden, familieleden of andere familierelaties in de lidstaten om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. Het persoonlijk onderhoud is verder uitgewerkt in artikel 5 van de Dublinverordening. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker, om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen. Het onderhoud biedt de verzoeker tevens de mogelijkheid de overeenkomstig artikel 4 aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen. Op grond van het tweede lid kan het persoonlijk onderhoud achterwege blijven indien de verzoeker
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.