Rechtbank DEN HAAG Meervoudige kamer Rekestnummer: FA RK 18-6801 Zaaknummer: C/09/560083 Datum beschikking: 26 november 2019 Adoptie en vaststelling geboortegegevens Beschikking op het op 18 september 2018 ingekomen verzoekschrift van: [X] , verzoekster, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. J.H. van der Tol te Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [XX] , de draagmoeder, wonende te Armenië, en uitsluitend ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van geboortegegevens van de minderjarige: de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente ’s-Gravenhage, zetelend te ’s-Gravenhage, hierna: de ambtenaar. Procedure Bij beschikking van 19 maart 2019 van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek te verrichten naar de volgende vragen: is met het oog op het verzoek tot adoptie van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door verzoekster nader onderzoek vereist, dan wel acht de Raad toewijzing van het verzoek tot adoptie in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; indien de Raad toewijzing van dit verzoek niet in het belang acht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] : welke maatregel acht de Raad dan passend; ziet de Raad aanleiding om – indien zij toewijzing van het adoptieverzoek in het belang van de minderjarigen acht – een verzoek in te dienen tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder, voor zover de draagmoeder (naar Nederlands recht) nog belast is met het gezag over de kinderen. Iedere verdere beslissing is aangehouden. De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen: een rapport Raadsonderzoek van 29 mei 2019, met kenmerk [nrs.] de brief van 28 juni 2019 van verzoekster; het bericht van 16 september 2019 van verzoekster. Op 29 oktober 2019 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat, de heer [naam] namens de ambtenaar en de heer [medew. RvdK] namens de Raad. De draagmoeder is niet opgeroepen voor de zitting omdat zij reeds schriftelijk in een notariële akte heeft verklaard afstand te doen van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden jegens de kinderen, en zij verzoekster toestemming heeft gegeven om de kinderen te adopteren. Beoordeling De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist. De rechtbank stelt voorop dat draagmoederschap tot op heden in Nederland wettelijk niet is geregeld. Gelet op de ingrijpende gevolgen van draagmoederschap voor de rechten en verplichtingen van zowel de kinderen als de draagmoeder in kwestie acht de rechtbank het in het kader van de openbare ordetoets van belang om te beoordelen of het draagmoederschap zorgvuldig heeft plaatsgevonden, met voldoende inachtneming van de belangen van het kind en de draagmoeder. Daarbij is mede van belang, zoals door de Staatscommissie Herijking Ouderschap in haar rapport ‘Kind en ouders in de 21e eeuw’ van 7 december 2016 is verwoord, dat de belangen van de draagmoeder en de kinderen voorop staan, in die zin dat de draagmoeder goed voorbereid en begeleid wordt en de kinderen in staat zullen zijn te achterhalen van wie zij afstammen. Aan deze voorwaarden dient naar het oordeel van de rechtbank zo veel mogelijk te zijn voldaan, nu verzoekster bij toepassing van hoogtechnologisch draagmoederschap in Nederland aan deze eisen zou hebben moeten voldoen en in het algemeen voorkomen moet worden dat aan de Nederlandse eisen kan worden ontkomen door te kiezen voor draagmoederschap in het buitenland. De Nederlandse eisen zijn immers opgesteld ter bescherming van de rechten van zwakkeren, zoals de kinderen die uit draagmoederschap geboren worden (en onder omstandigheden ook de draagmoeder). Deze bescherming acht de rechtbank van groot belang. Uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat het traject van draagmoederschap in Armenië met waarborgen is omkleed die grotendeels overeenkomen met de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking Ouderschap van 7 december 2016. Naar het oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat sprake is geweest van commercieel draagmoederschap. Tussen verzoekster en de draagmoeder is op 15 december 2016 ten overstaan van een notaris een draagmoederschapsovereenkomst opgesteld. Ook is door de draagmoeder ten overstaan van een notaris een schriftelijke verklaring afgelegd waarin zij afstand doet van haar ouderlijke rechten en verantwoordelijkheden jegens de kinderen en zij verzoekster toestemming geeft de kinderen te adopteren. De draagmoeder en verzoekster zijn in Armenië ondersteund door deskundigen. Eén van de in het rapport van de Staatscommissie Herijking Ouderschap "Kind en ouders in de 21ste eeuw" geformuleerde nadere eisen voor draagmoederschap is dat geen gebruik mag zijn gemaakt van anonieme donoren. Dit sluit aan bij de Nederlandse wetgeving over inzage in donorgegevens, welke wetgeving weer aansluit bij het internationale recht van elk kind om zijn ouders te kennen. In deze zaak is gebruik gemaakt van de eicellen van verzoekster en van spermacellen van een anonieme zaaddonor. Het is voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] daarom niet mogelijk om in de toekomst te achterhalen van wie zij, naast verzoekster, genetisch afstammen. Van de donor zijn alleen algemene informatie en persoonlijkheidstrekken bekend. De rechtbank acht dit – gelet op het voorgaande – in strijd met de rechten van het kind. In het onderhavige geval ziet de rechtbank zich echter geconfronteerd met het feit dat verzoekster [minderjarige 2] en [minderjarige 1] mee heeft genomen naar Nederland en met hen hier een gezin vormt. De rechtbank is in die zin voor een voldongen feit geplaatst. Om te kunnen beoordelen of de belangen van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gediend zijn met een adoptie door verzoekster of dat andere maatregelen passender zijn, heeft de rechtbank de Raad verzocht een onderzoek te verrichten. De Raad komt tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van een naar Nederlandse maatstaven integere procedure, nu gebruik is gemaakt van een anonieme zaaddonor. Vast staat echter dat verzoekster de biologische moeder is van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] en zij hen vanaf de geboorte heeft verzorgd en de verantwoordelijkheid voor hen draagt. Het is redelijkerwijs te voorzien dat de kinderen niets van de draagmoeder in de hoedanigheid van ouder te verwachten hebben. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn volledig afhankelijk van de zorg van verzoekster. De Raad heeft geen zorgelijke signalen ontvangen omtrent de leef- en woonsituatie van de kinderen. De Raad komt daarom tot conclusie dat het in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is dat zij opgroeien bij en opgevoed worden door verzoekster. Een ongestoorde voortzetting van de huidige situatie is in het belang van de kinderen. De Raad verzet zich daarom niet tegen de adoptie van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] door verzoekster. Indien nodig zal de Raad een verzoek tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder indienen. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat adoptie door verzoekster, ondanks dat gebruik is gemaakt van een anonieme zaaddonor, in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] is en zal zij tot verdere inhoudelijke beoordeling van het verzoek overgaan. De afstamming van de minderjarigen Of tussen een vrouw en het buiten huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren kind door geboorte familierechtelijke betrekkingen ontstaan wordt ingevolge artikel 10:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaald door het recht van de nationaliteit van de vrouw. De draagmoeder heeft de Armeense nationaliteit. Naar Armeens recht ontstaat er bij hoogtechnologisch draagmoederschap geen familierechtelijke betrekking tussen het kind en de draagmoeder maar tussen het kind en de wensouder(s). Dit blijkt ook uit de overgelegde geboorteakten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Ingevolge artikel 10:101 lid 1 juncto artikel 10:100 leden 1, onder b en c, 2 en 3 BW wordt een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling, waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte erkend, tenzij: aan de rechtshandeling geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan, of de erkenning van de rechtshandeling onverenigbaar is met de openbare orde. Niet in geschil is dat sprake is van door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte geboorteakten. Tevens is niet in geschil dat sprake is geweest van behoorlijke rechtspleging. In dit geval gaat het slechts om de vraag of de openbare orde zich verzet tegen erkenning van de in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekkingen zoals neergelegd in de in Armenië opgemaakte geboorteakten van de minderjarigen. Naar Nederlands recht is ingevolge artikel 1:198 BW de moeder van een kind de vrouw uit wie het kind is geboren, de vrouw die op het tijdstip van de geboorte van het kind is gehuwd of door een geregistreerd partnerschap is verbonden met de vrouw uit wie het kind is geboren, de vrouw die het kind heeft erkend, wier ouderschap gerechtelijk is vastgesteld of die het kind heeft geadopteerd. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze regel een beginsel weer van juridische en sociale aard dat in de Nederlandse samenleving als fundamenteel wordt beschouwd. Gelezen in samenhang met artikel 7 IVRK (een kind heeft het recht om, voor zover mogelijk, zijn of haar ouders te kennen) en artikel 8 IVRK (eerbiediging van het recht van het kind zijn identiteit te behouden) acht de rechtbank dit beginsel, dat blijkens de wetsgeschiedenis onverkort van toepassing is indien het genetisch materiaal niet afkomstig is van de vrouw die het kind heeft gebaard, van openbare orde. Een kind moet, indien mogelijk, aan de hand van de geboorteakte in staat worden gesteld zijn afstamming te kennen. Uit het vorenstaande volgt dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoekster en de kinderen zoals neergelegd in de Armeense geboorteakten niet kan worden erkend wegens onverenigbaarheid met de openbare orde. Nu [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn geboren uit de draagmoeder merkt de rechtbank de draagmoeder als (juridische) moeder van de kinderen aan. Ten tijde van de geboorte was de draagmoeder ongehuwd en er was geen sprake van een geregistreerd partnerschap, zodat de kinderen ten tijde van hun geboorte geen vader hebben zoals bedoeld in artikel 1:199 BW. Deze procedure strekt er toe dat verzoekster de juridische moeder wordt van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Verzoekster heeft daartoe een verzoek tot adoptie ingediend. Voor toewijzing van een verzoek tot adoptie is het noodzakelijk dat de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.