← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:12587

Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 19/4255 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 in de zaak tussen [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. De bestreden uitspraak op bezwaar De uitspraak van verweerder van 6 juni 2019 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november

  1. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A] en [B] . Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
  2. Eiser heeft met zijn ex-partner drie kinderen, waarvan 2 op 1 januari 2016 jonger waren dan 12 jaar. De kinderen stonden heel 2016 ingeschreven op het woonadres van zijn ex-partner.
  3. De kinderen verblijven per twee weken één weekend bij eiser. Daarnaast verblijven de kinderen extra dagen bij eiser tijdens vakanties en feestdagen.
  4. In geschil is of eiser voor het jaar 2016 recht heeft op toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK).
  5. Omdat de kinderen niet op eisers woonadres staan ingeschreven in de Brp, heeft eiser alleen recht op IACK als een van de kinderen doorgaans ten minste 3 gehele dagen per week bij eiser verblijft. Er moet sprake zijn van een bestendige situatie van een gelijk of vrijwel gelijk verblijf van het kind in de huishoudens van beide ouders. Dit is niet het geval. Het verblijf van de kinderen bij eiser, standaard om de week een weekend, is onvoldoende om te kunnen spreken van “doorgaans ten minste drie gehele dagen per week”. Dat de kinderen tijdens de vakanties vaker bij eiser verblijven kan er niet toe leiden dat aan het “doorgaans” criterium wordt voldaan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de financiële gevolgen van het mislopen van de IACK voor eiser een zware last vormen, bestaat er geen mogelijkheid om op basis van de voorliggende gegevens de IACK toe te kennen.
  6. Eiser komt gelet op het voorgaande niet in aanmerking voor de IACK. Zijn stelling dat de regeling oneerlijk uitpakt, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het staat de rechter niet vrij af te wijken van de wet en de rechter mag niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet beoordelen (artikel 11 van de Wet algemene bepalingen). .
  7. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de belastingrente en ook overigens is niet gebleken dat de belastingrente in strijd met de wettelijke bepalingen is berekend.
  8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Jasperse, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 november
  10. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.