vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Zaaknummer / rolnummer: C/09/570320 / HA ZA 19-284 Vonnis van 27 november 2019 in de zaak van [eiseres] te [plaats] , hierna te noemen: [eiseres] , eiseres in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. G.A. Soebhag te Rotterdam, tegen 1 [de Vereffenaar] te [plaats] , in hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van [X] , overleden op [datum overlijden] , hierna te noemen: [de Vereffenaar q.q.] , 2. de erfgenamen van [X] te [plaats] , hierna tezamen te noemen: [de Vereffenaar c.s.] , gedaagden in conventie, eisers in (voorwaardelijke) reconventie, advocaat mr. M.D. Winter te Den Haag. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 6 maart 2019, met producties; de conclusie van antwoord, tevens van eis in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; het tussenvonnis van 5 juni 2019, waarbij de comparitie van partijen is gelast; het proces-verbaal van de op 10 oktober 2019 gehouden comparitie van partijen. 1.2. Het proces-verbaal van de comparitie van 10 oktober 2019 is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op de inhoud van het proces-verbaal te reageren. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. 1.3. Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten Inleidend 2.1. [eiseres] heeft een affectieve relatie gehad met [X] (hierna: [X] ). Zij hebben met elkaar samengewoond tot het overlijden van [X] op [datum overlijden] . 2.2. [eiseres] en de vier kinderen van [X] zijn bij testament van 14 juni 1995 tot erfgenamen van [X] benoemd. De nalatenschap van [X] is beneficiair aanvaard. 2.3. [de Vereffenaar q.q.] is bij beschikking van deze rechtbank van 16 augustus 2007 benoemd tot vereffenaar over de nalatenschap van [X] . De vereffening is nog niet voltooid. Vóór het overlijden van [X] 2.4. In het vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2001, dat is gewezen tussen [X] enerzijds en zijn ex-echtgenote [ex-echtgenote] anderzijds in het kader van de afwikkeling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, is – voor zover hier relevant – vastgesteld dat [X] voor een bedrag van in totaal € 120.000 bij familieleden had geleend. Bestanddelen van de nalatenschap van [X] 2.5. Op verzoek van de erfgenamen van [X] heeft Accountantskantoor [de accountant] (hierna: de accountant) de volgende vermogensopstelling (hierna: de vermogensopstelling) opgemaakt, gedateerd 22 december 2003, van het vermogen van [X] per [datum overlijden] , de overlijdensdatum van [X] : Ivm privacy-overwegingen niet gepubliceerd. 2.6. Op 23 december 2003 is namens de erven [X] aangifte inkomstenbelasting gedaan over het jaar 2002. In deze aangifte staan bij de schulden van [X] onder meer leningen genoemd van [A] / [B] van € 147.479 en van [C] van € 22.689, dus samen € 170.168. [eiseres] staat in die aangifte niet als schuldeiser van [X] genoemd. 2.7. In een brief van de accountant van 20 juni 2007 staat onder meer het volgende: “In het jaar 1989 is wijlen de heer [X] cliënt geworden, hierdoor is er na het jaar 1989 een opdrachtbevestiging geweest voor de door ons kantoor verrichte werkzaamheden. Na het overlijden van de heer [X] hebben wij de belangen behartigd van de erven [X] . Op verzoek van mevrouw [eiseres] , de partner van wijlen de heer [X] en mevrouw [de notaris] van het notariskantoor [Notariskantoor] te [plaats] hebben wij alle gedeclareerde werkzaamheden verricht.” 2.8. Bij vonnis van deze rechtbank van 8 juli 2009 is [eiseres] veroordeeld om [de Vereffenaar q.q.] een bedrag van € 266.083,47 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 maart 2008 over een bedrag van € 49.242,60 en vanaf 18 november 2008 over een bedrag van € 216.840,87. In dit vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen: “De vordering van € 150.000 in verband met de aflossing van de op de panden aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] rustende hypothecaire geldlening 4.7. Tussen partijen is niet in geschil dat er bij FGH Bank een zogenoemde ‘parapluhypotheek’ was afgesloten, waar vrijwel alle tot de nalatenschap behorende panden, alsmede de (gedeeltelijk) in eigendom aan [eiseres] toebehorende panden aan de [adres 2] , [adres 1] en [adres 3] onder vielen. [eiseres] voert aan dat zij door de aflossing van deze hypotheekschuld niet bevoordeeld is, nu er op het pand aan de [adres 2] vóór het aangaan van de parapluhypotheek geen hypotheek rustte en dit pand slechts als extra zekerheid onder de ‘paraplu’ is gebracht. De vordering van [de Vereffenaar q.q.] dient volgens haar daarom te worden afgewezen. 4.8. Dat [eiseres] door de aflossing van de totale hypotheekschuld is bevoordeeld acht de rechtbank aannemelijk. Daaraan doet niet af de stelling van [eiseres] dat op het pand [adres 2] voorafgaand aan het afsluiten van de parapluhypotheek geen hypotheek rustte. Dat laat immers de mogelijkheid dat daarop later alsnog een lening is verstrekt onverlet. (…). Gelet daarop acht de rechtbank het redelijk de totale vordering van FGH naar rato over de meeverbonden panden te verdelen en aldus het bedrag te bepalen waarmee [eiseres] is bevoordeeld. Uitgaande van de totale maximale inschrijvingswaarde van de panden van € 995.000,-, de maximale inschrijvingswaarde van de panden voorzover deze in eigendom zijn van [eiseres] van € 161.500,- en een hoofdvordering van € 601.420,24, gaat de rechtbank er van uit dat [eiseres] voor een bedrag van, afgerond, € 100.000,- is bevoordeeld door de aflossing door [de Vereffenaar q.q.] (1/6 deel van de totale vordering). Dit bedrag dient dan ook door haar aan de nalatenschap te worden terugbetaald.” 2.9. Tegen de uitspraak van 8 juli 2009 is geen hoger beroep ingesteld. 2.10. [eiseres] heeft niet aan het vonnis van 8 juli 2009 voldaan. 3Het geschil in conventie 3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [eiseres] een vordering heeft op de nalatenschap van [X] ten bedrage van € 137.291,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop de betalingen zijn verricht, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen moment, tot de dag van algehele voldoening; II. [de Vereffenaar q.q.] te veroordelen het onder I bedoelde bedrag van € 137.291,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment waarop de betalingen zijn verricht, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen moment, tot de dag van algehele voldoening, ten behoeve van [eiseres] uit de nalatenschap te voldoen; III. [de Vereffenaar c.s.] te veroordelen in de (na)kosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij uit haar privévermogen diverse bedragen heeft betaald ten behoeve van [X] en de nalatenschap van [X] . Zij vordert deze bedragen als onverschuldigd betaald terug. Verder heeft [de Vereffenaar q.q.] panden verkocht die (deels) op naam van [eiseres] stonden. [eiseres] vordert de haar toekomende verkoopopbrengst van deze panden omdat zij die nooit heeft ontvangen, terwijl [de Vereffenaar q.q.] op grond van het vonnis van 8 juli 2009 wel een vordering op haar heeft van € 100.000 wegens aflossing van de mede op die panden rustende parapluhypotheek uit de nalatenschap van [X] . 3.3. [de Vereffenaar c.s.] voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in (voorwaardelijke) reconventie 3.5. [de Vereffenaar c.s.] vordert, indien en voor zover in rechte komt vast te staan dat [eiseres] enig vorderingsrecht op de nalatenschap van [X] toekomt, tot verrekening van de waarde van enig vorderingsrecht van [eiseres] , hetgeen door de rechtbank in goede justitie zal zijn vastgesteld, met de openstaande schuld van [eiseres] aan de nalatenschap van [X] , zoals door de rechtbank is vastgesteld bij vonnis van 8 juli 2009, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.6. [de Vereffenaar c.s.] legt aan deze vordering ten grondslag dat hem een recht tot verrekening toekomt, omdat [eiseres] inmiddels ruim € 300.000 aan de nalatenschap van [X] schuldig is nu [eiseres] (nog) niet aan het vonnis van 8 juli 2009 heeft voldaan. 3.7. [eiseres] voert verweer. 3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie Betalingen vanuit privévermogen [eiseres] 4.1. De kern van het geschil betreft de vraag of [eiseres] uit eigen vermogen bedragen heeft betaald ten behoeve van [X] of de nalatenschap van [X] . 4.2. [eiseres] stelt dat zij de betreffende bedragen uit haar privévermogen heeft betaald, omdat de bedragen zijn betaald vanaf bankrekeningen die staan ten name van [eiseres] , h/o [het Adviesbureau] . 4.3. [de Vereffenaar q.q.] erkent dat de betalingen door [eiseres] zijn gedaan vanaf de bankrekening ten name van [eiseres] , h/o [het Adviesbureau] . [de Vereffenaar q.q.] betwist dat [eiseres] een vorderingsrecht heeft uit hoofde van die betalingen, omdat die gelden feitelijk van [X] waren. [het Adviesbureau] was immers de onderneming van [X] en niet van [eiseres] , aldus [de Vereffenaar q.q.] Van wie was de onderneming (Adviesbureau) [het Adviesbureau] ? 4.4. Om te kunnen beoordelen of het saldo op de bankrekening ten name van [eiseres] , h/o [het Adviesbureau] van [eiseres] was, dient allereerst te worden vastgesteld van wie de onderneming [het Adviesbureau] dan wel [het Adviesbureau] was. De rechtbank gaat er daarbij vanuit [het Adviesbureau] dezelfde onderneming is als [het Adviesbureau] , nu [eiseres] dat onbetwist heeft gesteld. 4.5. [eiseres] stelt dat zij de onderneming, genaamd [het Adviesbureau] , sinds 1994 samen met [X] uitoefende, dan wel dat het alleen haar onderneming was. [de Vereffenaar q.q.] betwist dit en stelt dat [het Adviesbureau] de onderneming van [X] was. 4.6. [de Vereffenaar q.q.] wijst ter onderbouwing van zijn stelling dat [het Adviesbureau] de onderneming van [X] was onder meer op de vermogensopstelling, waaruit het vermogen van [X] op de datum van zijn overlijden blijkt. In de vermogensopstelling staat op bladzijde 3 onder 3 de rekening-courantverhouding met [het Adviesbureau] vermeld. Vast staat dat de vermogensopstelling is opgemaakt door een accountant, in opdracht van de erfgenamen van [X] , zodat van de juistheid daarvan mag worden uitgegaan. De rechtbank is met [de Vereffenaar q.q.] van oordeel dat uit de vermogensopstelling volgt dat [X] een rekening-courantverhouding had met [het Adviesbureau] en dat dit betekent dat [het Adviesbureau] (in ieder geval – mede – ) eigendom was van [X] . De rechtbank is met [de Vereffenaar q.q.] van oordeel dat als het gaat om een eenmanszaak, een schriftelijke rekening-courantovereenkomst niet is vereist. Juist van [eiseres] mocht, gelet op haar stellingen ten aanzien van de rekening-courantverhouding, worden verwacht dat zij een schriftelijke rekening-courantovereenkomst in het geding zou brengen, waaruit haar standpunt dat de onderneming ook van haar was, blijkt. Het voorgaande wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat [het Adviesbureau] de eenmanszaak was van [X] . 4.7. De volgende feiten en omstandigheden wijzen er naar het oordeel van de rechtbank ook op dat [het Adviesbureau] de eenmanszaak was van [X] : de letters ‘ [xx] ’ in de naam ‘ [het Adviesbureau] ’ zijn de initialen van [X] ; [X] bezat ten tijde van de oprichting van [het Adviesbureau] in 1994 al veel panden, terwijl [eiseres] tot dat moment in een ziekenhuis werkte; na het overlijden van [X] heeft [eiseres] aan de huurders gevraagd om de huur op haar privérekening te storten. De rechtbank leidt hieruit af dat de huur vóór het overlijden van [X] op een rekening van [X] werd gestort. Hiermee valt niet te rijmen dat [het Adviesbureau] de onderneming van [eiseres] was; [eiseres] heeft geen uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit volgt dat [het Adviesbureau] vóór het overlijden van [X] op haar naam stond. Risicospreiding? 4.8. Nu vast staat dat [het Adviesbureau] de eenmanszaak van [X] was, rijst de vraag waarom de bankrekening op naam van [eiseres] , h/o [het Adviesbureau] gesteld is. [de Vereffenaar q.q.] heeft gesteld dat [X] dit uit oogpunt van risicospreiding heeft gedaan. Dat [X] aan risicospreiding deed, volgt volgens hem uit het feit dat er panden die (deels) op naam van [eiseres] waren gesteld onder de parapluhypotheek van [X] waren gebracht. 4.9. De rechtbank overweegt als volgt. In de vermogensopstelling van [X] staan zeventien panden genoemd die volledig op naam staan van [X] en twee panden waarvan [X] en [eiseres] ieder voor 50% eigenaar waren, namelijk de panden aan de [adres 3] en de [adres 1] . Verder staat vast dat [eiseres] het pand aan de [adres 2] in volledige eigendom had. De panden aan de [adres 2] en de [adres 1] vielen onder de op naam van [X] staande parapluhypotheek bij FGH Bank met contractnummer [contractnummer 1] . Het pand aan de [adres 3] viel onder een op naam van [X] en [eiseres] staande hypotheek bij de FGH Bank met contractnummer [contractnummer 2] . 4.10. Ter zitting heeft [eiseres] desgevraagd verklaard dat [X] het pand aan de [adres 2] onder de parapluhypotheek heeft gebracht om zodoende de onderneming sterk te maken. [eiseres] heeft ter zitting toegelicht dat [X] meer gefinancierd wilde hebben en dat hij geld nodig had voor de verbouwing en renovatie van panden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit geen plausibele verklaring voor het onderbrengen van de panden aan de [adres 2] en de [adres 1] (mede) ten name van [eiseres] onder de parapluhypotheek van [X] , zonder dat er voor [eiseres] iets tegenover stond. 4.11. Bovendien heeft [eiseres] niet (met stukken) toegelicht dat en hoe zij (haar aandeel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.