RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL19.24233 en NL19.24235 V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [naam] , eiser, [naam 2] , eiseres, mede namens hun minderjarige dochter [naam 3], hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. P.H. Hillen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Talsma). Procesverloop Eisers hebben beroep ingesteld tegen de twee afzonderlijke besluiten van verweerder van 8 oktober 2019 (de bestreden besluiten). Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL19.24234 en NL19.24236, plaatsgevonden op 8 november
- Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Medjugorac. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eisers hebben de Servische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum] en [geboortedatum 2] . Op 16 september 2019 hebben zij asielaanvragen ingediend. Aan deze aanvragen hebben zij ten grondslag gelegd dat zij in Servië problemen hebben ondervonden vanwege hun Roma-afkomst en hun islamitische geloof. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht geloofwaardig dat eisers problemen hebben ondervonden vanwege hun Roma-afkomst, maar stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat deze discriminatie een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor eisers onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De verklaringen van eisers over de problemen vanwege hun geloof acht verweerder niet geloofwaardig. Eisers zijn afkomstig uit een veilig land van herkomst en hebben niet aannemelijk gemaakt dat Servië ten aanzien van hen zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen, aldus verweerder. Eisers stellen dat Servië voor hen als moslim-Roma niet veilig is. Ter onderbouwing hebben zij verwezen naar het arrest Lingurar tegen Roemenië van het EHRM en de third party intervention van het European Roma Rights Centre in de zaak Dimovic tegen Servië bij het EHRM. Eisers stellen dat zij slachtoffer zijn van stelselmatige discriminatoire bejegening. Gelet op de informatie uit de third party intervention over de bejegening van Roma door de Servische politie, kan van eisers niet verwacht worden dat zij frequent aangifte doen of zich tot hogere instanties wenden als hun aangifte niet in behandeling wordt genomen. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Niet in geschil is dat Servië in het algemeen kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat Servië ook voor mensen met een Roma-achtergrond veilig is. Uit de door eisers overgelegde stukken komt geen wezenlijk ander beeld naar voren van de situatie van Roma in Servië. Het is daarom aan eisers om aannemelijk te maken dat Servië in hun specifieke geval geen veilig land is.
- Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eisers blijkens hun verklaringen in Servië toegang hadden tot onderwijs, medische zorg en huisvesting. Ook hebben zij kunnen werken en een aantal keer financiële bijstand ontvangen. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geconcludeerd dat niet is gebleken dat de problemen die eisers vanwege hun Roma-afkomst hebben ondervonden een dusdanige ernstige beperking van hun bestaansmogelijkheden oplevert dat het voor hen onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat niet is gebleken dat eisers in de negatieve belangstelling van de Servische autoriteiten staan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij de bescherming van die autoriteiten niet in kunnen roepen bij voorkomende problemen. Dat zij meermaals tevergeefs hebben geklaagd bij de autoriteiten, hebben eisers niet met stukken onderbouwd en daarom niet aannemelijk gemaakt.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvragen terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw was verweerder vervolgens gehouden een inreisverbod aan eisers op te leggen. Dat de Roma in het algemeen een nomadisch volk zijn, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat verweerder op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw in het specifieke geval van eisers af had moeten zien van het opleggen van een inreisverbod. Eisers hebben gelet op hetgeen onder
- is overwogen niet aannemelijk gemaakt dat zij met hun minderjarige kind na terugkeer naar Servië gedwongen zullen zijn om op straat te leven. De op die stelling gebaseerde conclusie dat er onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van de minderjarige dochter van eisers, volgt de rechtbank niet.
- De beroepen zijn ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 april 2019, no. 48474/
- Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie onder meer de uitspraken van 12 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:13), van 3 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2115) en van 24 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3090).