← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:13400

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 19/2333 V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2019 op het verzet van [opposant] , te [woonplaats] , opposant. Procesverloop Opposant heeft bij brief van 13 april 2019 beroep ingesteld tegen de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 maart 2018 (dit betreft een schrijffout en dient te worden gelezen als 2019) betreffende de aansprakelijkstelling van de Staat der Nederlanden wegens onrechtmatige rechtspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 26 juni 2018, schending van de goede procesorde en een verzoek om schadevergoeding. Bij uitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 december

  1. Opposant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Minister voor Rechtsbescherming is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Overwegingen
  2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de brief van 13 maart 2018 van de Minister voor Rechtsbescherming geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen het rechtsmiddel bezwaar dan wel beroep openstaat.
  3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
  4. Opposant voert aan dat de brief van de Minister voor Rechtsbescherming van 13 maart 2019 een beschikking op grond van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb is, omdat daarin het verzoek van opposant tot het geven van een beschikking is afgewezen. De rechtbank heeft zich daarom ten onrechte onbevoegd verklaard om kennis te nemen van zijn beroep gericht tegen de beschikking van 13 maart
  5. Verder stelt opposant dat hij in zijn beroepschrift het Gerechtshof Amsterdam nooit heeft aangemerkt als bestuursorgaan. Het beroep van opposant was gericht tegen de volgende bestuursorganen: de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister voor Rechtsbescherming en de Raad voor de Rechtspraak. Tot slot stelt opposant dat de bestuursrechter op grond van de in artikel 8:88 van de Awb genoemde omstandigheden bevoegd is om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden.
  6. In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 9 juli
  7. Vast blijft staan dat een reactie op een privaatrechtelijke aansprakelijkstelling geen publiekrechtelijke rechtshandeling betreft. De brief van de 13 maart 2019 is daarmee geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar en beroep open staat. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. van Limpt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december
  9. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.