RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL19.28120 V-nummer: 289.172.4263 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] geboren op [geboortedatum] , van [land] nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. S. Sewnath), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. L.J.M. Rog). Procesverloop Bij besluit van 18 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat eiser niet mag worden uitgezet totdat op zijn beroep is beslist. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 27 november 2019 het verzoek van eiser om te worden opgevangen door het CoAtotdat op het beroep is beslist, toegewezen. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 13 december
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk in de Arabisch ( [land] ) taal is [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Eiser heeft op 21 oktober 2019 asiel gevraagd in Nederland. Na invoer van eisers vingerafdrukken in Eurodac is gebleken dat eiser sinds 12 oktober 2017 subsidiaire bescherming heeft in Duitsland.
- Volgens eiser heeft hij geen verblijfsstatus meer in Duitsland omdat hij in 2018 vrijwillig Duitsland is uitgereisd om zijn familie in [naam land] te bezoeken en te trouwen met zijn huidige echtgenote. Hij heeft destijds een verklaring moeten ondertekenen dat hij geen toegang meer krijgt tot Duitsland als hij langer dan twintig dagen buiten de EU verblijft en dan niet meer in aanmerking komt voor verlenging van zijn verblijfsvergunning. Volgens eiser heeft hij vanwege zijn afwezigheid van zes maanden geen zodanige band meer met Duitsland dat het voor hem redelijk is om naar dat land terug te gaan. Eiser is samen met zijn echtgenote via Duitsland naar Nederland gereisd waar zijn echtgenote asiel heeft gevraagd. Volgens eiser kan daarom niet van hem worden gevergd dat hij naar Duitsland terugkeert. Eiser krijgt voorts in Duitsland niet de voorzieningen die hij wil. Hij wil graag met zijn vrouw in Nederland zijn en hun leven opbouwen, met - onder meer- een woning.
- De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat Duitsland aan eiser subsidiaire bescherming heeft verleend. Zijn vergunning is zoals blijkt uit het verslag van het aanmeldgehoor geldig tot 2 januari
- Daarnaast staat vast dat eiser sinds 2016, met een tussenpoos van zes maanden voor verblijf bij zijn familie in Noord- [naam land] , rechtmatig in Duitsland heeft verbleven en nog steeds kan verblijven. Dat betekent dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser daardoor een zodanige band heeft met Duitsland dat het voor hem redelijk is om naar dit land terug te keren.
- Verweerder heeft onderzoek gedaan naar het betoog van eiser dat hij niet meer toegelaten wordt in Duitsland. Verweerder heeft daartoe informatie opgevraagd bij de Duitse autoriteiten. Uit de brief van 14 november 2019 blijkt dat eiser in Duitsland nog steeds subsidiaire bescherming geniet. Op basis van dit onderzoek gaat verweerder er terecht van uit dat eiser weer zal worden toegelaten tot Duitsland en dit wordt bevestigd door zijn eerdere toelating tot Duitsland op 21 oktober
- Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die informatie niet klopt of onvolledig is. Dat blijkt in ieder geval niet uit de door eiser overgelegde onvertaalde brieven aan Der Landrat van 17 september 2018 en 21 november
- Verweerder heeft terecht gesteld dat het feit dat de gestelde echtgenote van eiser inmiddels asiel heeft gevraagd in Nederland hieraan niets veranderd. De rechtbank begrijpt dat eiser graag met zijn echtgenote in één land wil verblijven. Ze zijn immers al lang van elkaar gescheiden. Zoals verweerder op de zitting heeft voorgesteld zou dat eventueel in Duitsland kunnen. Eiser heeft daar immers een verblijfsstatus. Conclusie
- De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier, op 13 december
- de griffier de voorzieningenrechter Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. NL19.
- Centraal orgaan opvang Asielzoekers. Europese Unie. Zie pagina
- Artikel 3.106a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.