Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/857359-16 Datum uitspraak: 17 december 2019 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1961 te [geboorteplaats] , [adres] 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 3 december 2019. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Klee en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.B. Baumgarten naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: zij op een of meer tijdstippen gelegen in de periode van op of omstreeks 25 maart 2010 tot en met 17 oktober 2015 te Den Haag in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een grote hoeveelheid) geld (in totaal 226.390 euro's, althans enig geldbedrag) en/of bankpas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welk(
- e)geld en/of goed(eren) verdachte en/of haar mededader(
- s)anders dan door misdrijf, te weten als mantelzorger/kennis en/of in het kader van een lening, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend. 3Vrijspraak 3.1 Inleiding Deze zaak is gaan lopen met de aangifte van [aangever] , de neef van [slachtoffer] , nu 89 jaar (hierna: [aangever] ). [aangever] had op 4 oktober 2015 van een bestuurslid van de VVE gehoord dat [slachtoffer] al langere tijd de bijdrage voor de VVE niet had betaald. Bij een bezoek aan [slachtoffer] op 5 oktober 2015 bleek dat op haar bankrekeningen (vrijwel) geen saldo aanwezig was. Dat bevreemdde [aangever] omdat hij wist dat [slachtoffer] geld/vermogen had. De bankpassen van de rekeningen zouden in het bezit zijn van verdachte die de boodschappen daarmee zou betalen vanaf het moment dat [slachtoffer] zelf niet meer de deur uit kon om contant geld te halen. Bij het bekijken van de bankafschriften zou vanaf maart 2010 tot eind 2013/begin 2014 een bedrag van € 226.390,00, middels overboekingen naar de rekening van [De man van verdachte] en contante geldopnames, van de rekeningen van zijn tante zijn afgeschreven. Vaststaat dat er in de periode van 2010 tot begin 2014 grote sommen geld van de rekening van [slachtoffer] naar de rekening van [De man van verdachte] zijn gegaan. Dat ging met tienduizenden euro’s tegelijk. Verdachte en [De man van verdachte] erkennen dat ook. Volgens hen waren dit evenwel schenkingen. [slachtoffer] tekende zelf voor de overschrijvingen en was altijd aanwezig bij de contante opnames. Bij de eerste overschrijving staat weliswaar als omschrijving “lening” maar volgens verdachte en [De man van verdachte] was dat omdat dat belastingtechnisch beter was. Van de schenkingen is nooit aangifte gedaan bij de belastingdienst. Verdachte en [De man van verdachte] hebben verder verklaard dat verdachte een goede vriendin was van [slachtoffer] , zij haar elke dag belde en hielp met de boodschappen. [slachtoffer] wilde verdachte en [De man van verdachte] helpen door het geld aan hen te geven. Ze zou hebben gezegd dat ze het zelf niet nodig had, aldus verdachte en [De man van verdachte] . [slachtoffer] heeft in eerste instantie verklaard dat zij het geld gaf aan verdachte als deze daarom vroeg en dat ze het niet erg vond om dat geld te geven. Later stelde zij dat het gehele bedrag een lening betrof. De vraag die nu aan de rechtbank voorligt is of verdachte en [De man van verdachte] het geld rechtmatig onder zich hadden en het zich vervolgens wederrechtelijk hebben toegeëigend. 3.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van verdachte van het tenlastegelegde. De officier van justitie is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting weliswaar sprake lijkt te zijn van moreel onjuist gedrag aan de zijde van de verdachte en [De man van verdachte] , maar dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte zich, al dan niet samen met [De man van verdachte] , zonder toestemming en tegen de wil van [slachtoffer] het geld heeft toegeëigend. 3.3 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is onder meer aangevoerd dat telkenmale sprake is geweest van giften van de zijde van [slachtoffer] . Het betroffen geen leningen en er hoefde niets terugbetaald te worden. Bovendien, zo stelt de raadsman, zo al wordt aangenomen dat sprake was van een lening, was deze niet opeisbaar en was dus geen sprake van enige wederrechtelijke toe-eigening van het geld door verdachte en/of [De man van verdachte] . 3.4 Het oordeel van de rechtbank. Voor een bewezenverklaring van verduistering dient te worden vastgesteld dat het geld dat toebehoort aan een ander anders dan door misdrijf, dus rechtmatig, in handen was van verdachte en voorts dat verdachte zich dat geld vervolgens wederrechtelijk heeft toegeëigend. Van dat laatste is sprake indien verdachte zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over het geld is gaan beschikken. In deze zaak is in dat licht van belang hoe de contante geldopnames en overschrijvingen van de rekening van [slachtoffer] in zijn werk zijn gegaan en wat daarbij over de bedragen tussen [slachtoffer] en verdachte en [De man van verdachte] is afgesproken zodat kan worden bepaald of het geld rechtmatig in handen van verdachte en [De man van verdachte] is gekomen en voorts of zij zich dit geld vervolgens wederrechtelijk hebben toegeëigend zoals bedoeld in de wet. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting dit niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. De aangifte en de latere verklaringen van [slachtoffer] bevatten diverse tegenstrijdigheden en inconsistenties die maken dat deze niet op juiste waarde kunnen worden geschat. Ook het getuigenverhoor van [slachtoffer] door de rechter-commissaris heeft geen duidelijkheid kunnen bieden. [slachtoffer] heeft er blijk van gegeven zaken niet (meer) goed te kunnen herinneren en zij heeft op vragen wisselende en onsamenhangende antwoorden gegeven. Hiertegenover staan de stellige verklaringen van verdachte en [De man van verdachte] dat het absoluut niet om een lening ging maar om een schenking. Meermalen zouden verdachte en [De man van verdachte] tegen [slachtoffer] hebben gezegd dat zij het geld nooit zouden kunnen terugbetalen waarop [slachtoffer] telkenmale antwoordde dat het geen lening betrof en dat het geld niet hoefde te worden terugbetaald. De rechtbank overweegt dat vele vraagtekens kunnen worden gezet bij de goede trouw van verdachte en [De man van verdachte] en de vraag kan worden gesteld of het morele kompas van verdachte en [De man van verdachte] altijd de juiste richting aangaf in hun gretigheid om het geld aan te nemen van een vrouw op leeftijd. Bovendien hebben zij eenmaal een bedrag dat naar eigen zeggen door [slachtoffer] geschonken zou zijn op het bankafschrift laten omschrijven als lening om zo successierechten te ontduiken. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat op basis van de thans beschikbare informatie teveel twijfel bestaat om te komen tot een bewezenverklaring van het wederrechtelijk toe-eigenen van de geldbedragen van [slachtoffer] door verdachte en [De man van verdachte] in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht zodat vrijspraak van het ten laste gelegde dient te volgen. Dat sprake is geweest van een opeisbare lening, zo de enkele niet-terugbetaling daarvan al zou kunnen leiden tot verduistering, kan gelet op het voorgaande immers onvoldoende uit het dossier worden opgemaakt, noch dat verdachte de gelden onder zich had als mantelzorger. Indien sprake was van een gift dan zijn de bedragen overgegaan in het vermogen van verdachte en [De man van verdachte] en behoorden zij [slachtoffer] niet langer toe. 4De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mr. R.E. Perquin, voorzitter, mr. R.C. Hartendorp, rechter, mr. R.J. Wortelboer, rechter, in tegenwoordigheid van W.M.W. van Nuss, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 december 2019. Mr. Wortelboer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.