← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:13688

Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd & Bopz Zaaksgegevens: C/09/584114 / JE RK 19-2909 Datum uitspraak: 3 december 2019 Beschikking van de kinderrechter Voorlopige ondertoezichtstelling in de zaak naar aanleiding van het op 26 november 2019 ingekomen verzoekschrift van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad), betreffende: - [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2018 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vrouw] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling. Het procesverloop Bij beschikking d.d. 26 november 2019 heeft de kinderrechter in deze rechtbank beslist tot afwijzing van de spoedvoorziening tot voorlopige ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook: - voornoemde beschikking d.d. 26 november 2019 waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd. Op 3 december 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: - dhr. [vertegenwoordiger van de raad 1] , namens de Raad; - mevr. [vertegenwoordigers van de gi] , namens de gecertificeerde instelling; - de moeder. Feiten – De moeder is belast met het ouderlijk gezag. – [minderjarige] verblijft feitelijk met de moeder bij [verblijfplaats] . Verzoek en verweer Het verzoek strekt, na mondelinge wijziging op de zitting, primair tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar en subsidiair tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De Raad heeft bepleit dat er al langere tijd zorgen zijn, reeds is gebleken dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] en dat de zorg die nodig is voor het wegnemen daarvan niet of onvoldoende wordt geaccepteerd. De moeder wil eigenlijk niet meewerken met de beoogde plaatsing van haar en [minderjarige] bij [moeder-kindhuis] en zal het alleen doen als het moet. De gecertificeerde instelling heeft zich achter het verzoek geschaard. De moeder heeft verweer gevoerd. De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat zij inmiddels meewerkt aan de doorplaatsing naar een moeder-kindhuis met 24 uur per dag toezicht en begeleiding en er daarom geen ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Beoordeling Op grond van de informatie, zoals gebleken uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen en uit de verklaringen van de gehoorde personen, komt de kinderrechter tot het oordeel dat er op dit moment (nog) onvoldoende informatie beschikbaar is om te concluderen dat een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar geboden is. Wel is gebleken dat er sprake is van een ernstig vermoeden dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en het dringend en onverwijld noodzakelijk is dat [minderjarige] , hangend een nader in te stellen onderzoek naar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht wordt gesteld. Er bestaan zorgen om de opvoedsituatie van [minderjarige] bij zijn moeder. Zij wonen op dit moment in een moeder-kindhuis voor moeders met LVB-problematiek. Duidelijk is dat de moeder en [minderjarige] veel van elkaar houden. De moeder stelt de belangen van [minderjarige] echter niet altijd voorop. De moeder houdt regelmatig niet aan de begeleidings- en veiligheidsafspraken. De moeder erkent dat. Ook heeft zij eind november 2019, pas na aandringen en een conflict met [verblijfplaats] en Veilig Thuis, medische hulp ingeschakeld voor [minderjarige] voor zijn luchtwegproblemen. Geconcludeerd kan worden dat er intensievere begeleiding nodig is, wat het huidige moeder-kindhuis niet kan bieden. De moeder stemt echter niet vrijwillig in met een plaatsing in een ander moeder-kind huis, waar 24-uurs toezicht en begeleiding is. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de inzet van een jeugdbeschermer in elk geval de komende drie maanden in het kader van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om in samenwerking met de moeder de doorplaatsing in goede banen te leiden en een plan op te stellen, zodat [minderjarige] op een veilige en verantwoorde manier bij de moeder kan blijven wonen. Daarin kan mogelijk ook het netwerk van de moeder een rol spelen. Ondertussen kan de Raad onderzoek doen naar de vraag of na deze periode de verzochte ondertoezichtstelling geboden is. De kinderrechter zal het verzoek tot ondertoezichtstelling aanhouden tot een zitting vlak voor het einde van de voorlopige ondertoezichtstelling, om de situatie op dat moment met de informatie uit het onderzoek opnieuw te beoordelen. Derhalve zal als volgt worden beslist. Beslissing De kinderrechter: stelt [minderjarige] van 3 december 2019 tot 3 maart 2020 voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering; houdt de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling aan tot een nader te bepalen zitting gelegen vlak voor 3 maart 2020; gelast de griffier tegen die zitting op te roepen: - de Raad voor de Kinderbescherming; - William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering; - de moeder; verzoekt de Raad uiterlijk een week voor die nader te bepalen zitting een schriftelijke rapportage aan de rechtbank en de belanghebbenden te overleggen met daarin de laatste stand van zaken, waarin tevens gemotiveerd wordt aangegeven of het aangehouden verzoek al dan niet wordt gehandhaafd. Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2019 door mr. P.M.E. Bernini, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 19 december 2019. Ingevolge artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat tegen deze beslissing geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.