Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2019:141
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 17/7743 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2019 in de zaak tussen [eiser], te [plaats], eiser, en de raad van bestuur van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO), verweerder (gemachtigde: mr. J.V. de Kort).
Procesverloop Bij besluit van 23 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidieaanvraag van eiser in het kader van de subsidieronde Onderzoekstalent 2017 afgewezen.
Bij besluit van 1 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2018.
Eiser is verschenen. Tevens zijn [X] en [Y] verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn mr. J.P. Heinrich en dr. E.V. van Dongen verschenen.
Overwegingen 1. ‘Onderzoekstalent’ is een financieringsprogramma binnen het gebied Maatschappij- en Gedragswetenschappen van NWO. Het programma biedt uitmuntende studenten de gelegenheid om promotieonderzoek te doen. Hiervoor worden (persoonsgebonden) subsidies beschikbaar gesteld voor personele kosten (vier jaar fulltime salaris voor een promovendus) en materiele kosten (maximaal €10.000,- inclusief kosten voor kennisbenutting en datamanagement). Aanvragen worden verdeeld en beoordeeld in vier afzonderlijke disciplinegroepen met een eigen beoordelingscommissie.
Op 26 september 2016 heeft prof. dr. G.B.M. Engbersen een vooraanmelding ingediend voor financiering van een onderzoeksvoorstel van [X], MSc (hierna: de kandidaat). Eiser wordt in de vooraanmelding als toekomstig aanvrager vermeld. Eiser heeft een uitgewerkte aanvraag ingediend.
De aanvraag van eiser is beoordeeld binnen de disciplinegroep Sociale Wetenschappen. In deze subsidieronde konden in deze disciplinegroep maximaal 6 aanvragen worden gehonoreerd. De aanvraag van eiser heeft een gewogen gemiddelde eindscore van ‘2,9’, wat overeenkomt met de kwalificatie ‘zeer goed’. De aanvraag van eiser is in de rangorde van de beoordelingscommissie op plaats 7 geëindigd. De aanvragen op de plaatsen 1 t/m 6 zijn door verweerder gehonoreerd.
De toegepaste standaardisering betekent naar het oordeel van de rechtbank anders dan eiser stelt, niet dat de facto alleen nog naar relatieve verschillen wordt gekeken en dat de voorstellen niet op zichzelf worden beoordeeld. Zoals verweerder heeft gesteld wordt met standaardisering slechts bereikt dat de scores van ‘kritische’ en/of ‘milde’ commissieleden worden vereffend, opdat de gegeven eindscores ten opzichte van elkaar kunnen worden gerangschikt. De aanvragen worden op hun eigen merites beoordeeld en niet in vergelijking met andere aanvragen en de handelswijze van verweerder is hiermee niet in strijd met de Call for Proposals, waaruit volgt dat de aanvragen absoluut beoordeeld worden.
Eiser heeft voorts aangevoerd dat standaardisering afbreuk doet aan de validiteit van de uitkomst als één of meerdere leden van de beoordelingscommissie slechts een subset van voorstellen beoordelen, omdat de gemiddelde kwaliteit van verschillende subsets van voorstellen zal verschillen. Deze stelling slaagt niet, reeds omdat verweerder onweersproken heeft gesteld dat in de regel subsidierondes van NWO zeer competitief zijn en de kwaliteitsverschillen tussen de (zeer goede) aanvragen dus klein zijn. De omstandigheid dat in de Call for Proposals niet staat vermeld dat standaardisering wordt toegepast en dat niet op andere wijze vooraf is bekendgemaakt dat standaardisering zou worden toegepast, maakt niet dat verweerder in redelijkheid de standaardisering niet kon toepassen.
Zoals verweerder heeft gesteld is het doel van de Call for Proposals potentiële aanvragers inzicht te geven in de aanvraagprocedure. Niet valt in te zien dat het voor eiser voorafgaand aan de indiening van de aanvraag van belang was om te weten dat bij de berekening van de eindscores standaardisering zou worden toegepast.
Verweerder heeft gesteld dat de beoordelingscommissie naar aanleiding van het interview met de kandidaat bij het voorstel van eiser wel een kritische noot had en bij de andere voorstellen niet. De rechtbank acht de wijze waarop de beoordelingscommissie de definitieve rangorde tussen de aanvragen met de gelijke eindscore heeft vastgesteld niet kennelijk onredelijk. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er meer aanspraken op de subsidie waren dan dat er geld beschikbaar was en dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht, waaruit volgt dat een subsidie moet worden geweigerd als het subsidieplafond zou worden overschreden, nu eenmaal een keuze moest maken.
Dat er ook voor een andere methode gekozen had kunnen worden, bijvoorbeeld door de aanvragen opnieuw te beoordelen en een nieuwe score te geven, maakt de door verweerder gevolgde methode niet onredelijk. Aangezien verweerder de definitieve rangorde niet heeft gebaseerd op het tweede cijfer achter de komma, maar op de minieme inhoudelijke verschillen, kan aan de stelling van eiser dat verweerder de rangorde niet mocht baseren op het tweede cijfer achter de komma vanwege het principe van behoud van het aantal ‘significante cijfers’ voorbij worden gegaan. Dit geldt ook voor de stelling van eiser dat, gelet op de standaarddeviatie van het oordeel van de beoordelingscommissie, geen sprake is van betekenisvolle verschillen tussen de eindscores van de aanvragen die op de plaatsen 5, 6 en 7 zijn geëindigd.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, voorzitter, en mr. J.L.E. Bakels en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. M. de Graaf, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2019. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.