Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 18-4754 Zaaknummer: C/09/555830 Datum beschikking: 23 december 2019 Gezag, omgang en kinderalimentatie Beschikking op het op 29 juni 2018 ingekomen verzoek van: [Y] de vader, volgens de Basisregistratie Personen (BRP) formeel wonende te [plaatsnaam] , feitelijk verblijvende te [verblijfplaats Y] advocaat: mr. M. Marić te Leiden. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [X] de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. L. de Roode te Leiderdorp. Procedure Bij beschikking van 30 november 2018 van deze rechtbank is het volgende bepaald: [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn voorlopig iedere zondagochtend en iedere donderdagochtend bij de vader, waarbij de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] omstreeks 9.00 uur bij de moeder ophaalt en hen omstreeks 12.00 uur weer bij de moeder terugbrengt; de vader moet voorlopig met ingang van 1 november 2018 aan de moeder betalen een bedrag van € 137,- per maand per kind als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Verder zijn de ouders verwezen naar het omgangshuis van Cardea Jeugdzorg voor ouderschapsbemiddeling, zo nodig omgangsbegeleiding en om zo mogelijk alsnog een ouderschapsplan op te stellen. Beide ouders zijn eveneens verwezen naar de voor hen bekende mediator. Iedere verdere beslissing over het gezag, de definitieve omgangs- of zorgregeling (hierna: omgangsregeling) en de definitieve kinderalimentatie is aangehouden. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: het bericht van 1 augustus 2019 van Cardea; het bericht met gewijzigd verzoek van 15 november 2019 met bijlagen van de vader; het bericht van 18 november 2019 met bijlagen van de moeder. Op 28 november 2019 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder, ieder bijgestaan door hun advocaat, en namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) de heer [medew. RvdK] . Aanvullend verzoek De vader heeft op 15 november 2019 aanvullend verzocht om een omgangsregeling te bepalen waarbij de twee kinderen om de week van zondagochtend 9.00 uur tot dinsdagochtend 9.00 uur, en iedere week op dinsdag- en donderdagochtend van 9.00 uur tot 12.00 uur bij de vader zijn, waarbij de moeder telkens de kinderen brengt en de vader telkens de kinderen terugbrengt, zoveel mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling De rechtbank handhaaft al hetgeen bij de eerdere beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist. Omgangsregeling Volgens het bericht van Cardea van 1 augustus 2019 hebben de vader en de moeder vanaf 3 april 2019 vier mediationgesprekken gehad. Het traject is op 10 juli 2019 voortijdig beëindigd zonder dat de ouders tot afspraken zijn gekomen. Standpunt van de vader De vader heeft gesteld dat het de ouders niet is gelukt om tijdens de mediation en het traject bij Cardea afspraken te maken over uitbreiding van de omgangsregeling. Hij vindt dat de voorlopige omgangsregeling met de kinderen goed is verlopen, en verzoekt mede daarom die omgangsregeling uit te breiden. [minderjarige 1] vraagt regelmatig of hij bij de vader mag blijven slapen. Het is in het belang van de kinderen dat de regeling wordt uitgebreid en dat de moeder de kinderen naar de vader brengt en de vader de kinderen naar de moeder terugbrengt. De vader heeft een woning in [verblijfplaats Y] waarbij de kinderen samen in een kamer kunnen overnachten. De vader is op zondag en maandag vrij van werk. Standpunt van de moeder De moeder verzet zich tegen uitbreiding van de voorlopige omgangsregeling. [minderjarige 1] gaat in oktober 2020 naar de basisschool, zodat de huidige regeling op donderdagochtend dan volgens haar moet worden veranderd. Daarnaast wil de moeder dat de huidige regeling op zondagochtend wordt beperkt tot eenmaal per twee weken, omdat zij op zondagochtend eenmaal per twee weken ook graag met de kinderen naar de kerk wil kunnen gaan. Ter zitting van 28 november 2019 heeft de toen opnieuw zeer geëmotioneerde moeder drie incidenten aangehaald, waarvan het eerste incident op 14 april 2018 heeft plaatsgevonden en al uitgebreid in de eerdere procestukken is behandeld, het tweede incident op 25 juli 2019 en het derde incident op 15 september 2019. Op 25 juli 2019 is [minderjarige 2] volgens de moeder met 40 graden koorts van de vader thuisgekomen. De vader heeft hier niets van gezegd en hij heeft niet gezien dat ze zo ziek was. Op 15 september 2019 heeft de vader [minderjarige 1] onder zijn arm geklemd, terwijl [minderjarige 1] aan het schreeuwen was, en hem naar de auto meegenomen. De vader heeft hier ter zitting inhoudelijk op gereageerd. De moeder vindt een omgang van meer dan twee keer drie uur per week gelet op deze drie incidenten onverantwoord. Advies van de RvdK Ter zitting is namens de RvdK mondeling geadviseerd om de omgangsregeling uit te breiden. De vader moet meer ruimte gaan krijgen met de kinderen. De bezwaren van de moeder zijn op te vangen door met elkaar in gesprek te gaan; het is daarom jammer dat de mediation en de ouderschapsbemiddeling niets hebben opgeleverd. Het is belangrijk dat de kinderen hun vader goed leren kennen en dat zij onbelast een relatie met hem opbouwen. De communicatie tussen de ouders speelt hierbij een grote rol. Namens de RvdK is aangegeven dat er geen enkele concrete onderbouwing van de moeder is aangedragen waaruit een bedreiging van de vader naar de kinderen zou kunnen blijken. Aan de gronden voor een ondertoezichtstelling is (nog) niet voldaan, aldus de RvdK ter tweede zitting. Oordeel van de rechtbank Het is voor de rechtbank voldoende aannemelijk dat de vader een betrokken vader is, die graag ook wil kunnen bijdragen aan de dagelijkse verzorging, opvoeding en activiteiten van de kinderen. De vader en de kinderen hebben ook recht op omgang met elkaar. De kinderen hebben twee ouders en gelijkwaardig ouderschap is het uitgangspunt van de wet. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat de vader niet voor de kinderen zou kunnen zorgen. Het is de rechtbank wel gebleken dat de moeder erg veel moeite heeft om de vader te vertrouwen en de vader een (grotere) rol te geven in het leven van hun beide kinderen. Ter zitting wordt de moeder nog steeds zeer emotioneel als zij vertelt over een incident dat al ruim anderhalf jaar geleden heeft plaatsgevonden. Zij wil de huidige, zeer minimale regeling het liefst nog verder inperken. De rechtbank is van oordeel, mede gelet op het mondelinge advies van de RvdK ter zitting, dat de vader juist meer ruimte moet gaan krijgen om zijn verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen nemen. Het is daarbij aan de moeder om zo nodig passende hulpverlening te gaan zoeken voor mogelijke traumaverwerking en om over haar eigen angsten heen te komen. Bij het traject Ouderschap Blijft hadden de ouders kunnen gaan werken aan het wederzijds vertrouwen, hun onderlinge verstandhouding en communicatie. De rechtbank betreurt het dan ook ten zeerste dat zowel het mediationtraject als het traject Ouderschap Blijft door de moeder voortijdig en zonder relevant resultaat is beëindigd. De rechtbank is met de RvdK van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om de omgangsregeling nu uit te gaan breiden. De kinderen zijn nu al meer dan een jaar iedere zondagochtend en donderdagochtend bij de vader. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat er zwaarwegende omstandigheden zijn die aan het gaan overnachten van de kinderen bij hun vader in de weg staan. Niet of onvoldoende gesteld of gebleken is dat de geestelijke en/of lichamelijke veiligheid van de kinderen in gevaar zou komen door een overnachting bij de vader. Ook zal de rechtbank daarbij een brengregeling instellen, zodat beide ouders een gelijk aandeel krijgen in het vervoer en vooral zodat de kinderen als het goed is de emotionele tostemming van de ene ouder kunnen gaan voelen om bij de andere ouder te mogen zijn. De rechtbank zal daarom alles afwegende de hierna volgende opbouwregeling vaststellen, waarbij de rechtbank ook zoveel mogelijk rekening houdt met de werkdagen en werktijden van de vader en de moeder. De vader is als kok op zondag en maandag vrij en naar de rechtbank begrijpt ook iedere ochtend; de moeder werkt als kandidaat-notaris op maandag en dinsdag van 8.00 uur tot 17.00 uur en op vrijdag van 8.00 tot 13.00 uur. Op die drie werkdagen moet de moeder om 07.15 uur de deur uit. De oma en opa aan moederszijde en/of het kinderdagverblijf zorgen dan voor de kinderopvang, zo begrijpt de rechtbank. De kinderen zullen daarom alles afwegende naar het oordeel van de rechtbank met ingang van 1 januari 2020 bij de vader zijn: in de ene week van zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur, waarbij de moeder de kinderen telkens bij de vader moet brengen en de vader de kinderen telkens bij de moeder moet terugbrengen. In de andere week zijn de kinderen bij de vader op donderdag van 9.00 uur tot 12.00 uur, waarbij de moeder brengt en de vader terugbrengt. Met ingang van 1 april 2020 zijn de kinderen bij de vader in de ene week van zondag 9.00 uur tot dinsdag 9.00 uur met brengregeling en in de andere week op donderdag van 9.00 uur tot 12.00 uur met brengregeling. Het staat de ouders uiteraard vrij om in onderling overleg en na overeenstemming om praktische redenen zoals werkredenen de modaliteiten van deze nu door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling te wijzigen. Ook gaat de rechtbank ervan uit dat deze twee ouders zo nodig met hulp van hun advocaten zelf in staat zullen zijn om de modaliteiten van deze omgangsregeling indien nodig te wijzigen zodra [minderjarige 1] in oktober 2020 naar de basisschool zal gaan en om dan ook zelf een regeling overeen te komen voor de verdeling van de schoolvakanties en de feestdagen. Indien dat laatste onverhoopt niet lukt, loopt de bovenstaande basisregeling gewoon door tijdens de schoolvakanties en de feestdagen. Gezag Op grond van artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nooit het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechter verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de moeder niet met het verzoek instemt, wordt het verzoek op grond van artikel 1:253c lid 2 BW slechts afgewezen indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.