RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats ’s-Gravenhage KB Rolnr.: 7379342 \ RL EXPL 18-27169 20 februari 2019 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van: [eiser] , wonende te [woonplaats] ,eisende partij,gemachtigde: [gemachtigde] , tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] ,gedaagde partij,gemachtigde: mr. R.M. van der Zwan. Partijen worden hierna genoemd ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’. 1Procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: - de dagvaarding van 26 oktober 2018; - de mondelinge conclusie van antwoord; - de brief zijdens [gedaagde] van 11 januari 2019; - de fax zijdens [eiser] van 15 januari 2019; - de in het geding gebrachte producties. 1.2. Op 15 januari 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden. Namens [eiser] is verschenen de heer [gemachtigde] . [gedaagde] is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer mr. R.M. van der Zwan. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. 2Feiten 2.1. Tussen [eiser] en gedaagde bestaat een huurovereenkomst van huur met betrekking tot drie garageboxen aan de [adres] te [plaats] . De huursom maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen bedraagt thans € 385,14. 3Vordering en grondslag 3.1. [eiser] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: a ontbinding van de huurovereenkomst; b veroordeling van [gedaagde] tot: - ontruiming van het gehuurde; - betaling van een bedrag van € 2.002,24 (huur t/m oktober); - betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 300,34+ € 63,07 BTW; - betaling van een bedrag van € 385,14 voor elke ingegane maand vanaf 1 november 2018 tot de ontruiming; - betaling van de wettelijke rente, tot 26 oktober 2018 ad € 11,57; - (overige) rente en kosten rechtens. 3.2. [eiser] legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen. 3.3. [gedaagde] is bij herhaling in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur. [eiser] heeft recht en belang op grond van deze ernstige tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen. 3.4. Aangezien [gedaagde] in gebreke bleef de verschuldigde bedragen te voldoen, heeft [eiser] de vordering ter incasso uit handen gegeven. De door de gemachtigde van [eiser] verrichte werkzaamheden hebben meer omvat dan de werkzaamheden die nodig zijn voor de voorbereiding en het voeren van deze procedure. De aan die werkzaamheden verbonden kosten belopen de som van € 363,41 inclusief BTW. Op grond van de wet is [gedaagde] gehouden deze kosten aan [eiser] te vergoeden. 3.5. [eiser] maakt voorts aanspraak op wettelijke rente. Tot 26 oktober 2018 heeft [eiser] die rente becijferd op een bedrag van € 11,57. Op grond van de wet is [gedaagde] gehouden deze rente aan [eiser] te vergoeden. 3.6. Tot en met de maand oktober 2018 becijfert [eiser] de huurbetalingsachterstand van [gedaagde] op een bedrag van € 2.002,24. 4Verweer 4.1. [gedaagde] verweert zich tegen de vordering en concludeert tot afwijzing. [gedaagde] heeft daartoe aangevoerd dat hij na de ontvangst van de dagvaarding, vóór de eerst dienende dag, de gehele verschuldigde vordering heeft voldaan, waarvan blijkt uit door hem overgelegde betalingsbewijzen: op 9 november 2018 € 2.387,38 (huur), op 9 november 2018 € 14,00 (rente), op 15 november 2018 € 361,41 (incassokosten) en op 22 november 2018 € 82,57 (explootkosten), totaal dus € 2.845,36. Ook de nadien verschuldigd geworden huur, heeft hij voldaan. 4.2. [gedaagde] had deze procedure willen voorkomen. Ter voorkoming daarvan zou hij volgens de gemachtigde van [eiser] echter zeer hoge extra kosten hebben moeten betalen, hoewel daarvoor geen rechtsgrond bestaat. Nu de huurachterstand is betaald en de kosten zijn voldaan, moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en dient zij te worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] . 5Beoordeling 5.1. De kantonrechter stelt op grond van de overgelegde betaalbewijzen vast dat [gedaagde] vóór 29 november 2019, de eerst dienende dag, in totaal € 2.845,36 heeft betaald. 5.2. In haar e-mail van 20 november 2018 (productie 1 [gedaagde] ) heeft Invorderingsbedrijf namens [eiser] aangegeven dat, om voortzetting van de procedure te voorkomen, moest worden betaald:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.