Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/564311 / KG ZA 18/1265 Vonnis in kort geding van 10 januari 2019 in de zaak van [eiser] te [plaats] , eiser, advocaat mr. mr. W.R. Jonk en mr. M.M.R. Slaghekke te Amsterdam, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.I. ten Kroode te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties; - de door de Staat overgelegde producties; - de op 12 december 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Ter zitting is vonnis bepaald op heden. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiser] heeft de Duitse nationaliteit, heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en heeft vaste woon- en verblijfplaats in Nederland. 2.2. [eiser] is op 9 januari 2004 in Duitsland veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraffen van acht maanden en zes maanden. Op 24 januari 2008 zijn deze voorwaardelijke straffen in Duitsland omgezet in een gevangenisstraf van dertien maanden (hierna: de gevangenisstraf). 2.3. Op 14 december 2017 hebben de Duitse autoriteiten, naar aanleiding van een verzoek van [eiser] , de Nederlandse autoriteiten verzocht de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf over te nemen. 2.4. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 maart 2018 geoordeeld dat er geen gronden zijn om het verzoek tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland te weigeren. 2.5. Op 5 maart 2018 hebben de Nederlandse autoriteiten de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf overgenomen. De Duitse autoriteiten zijn hierover bij brief van diezelfde datum geïnformeerd. 2.6. Bij brief van 15 maart 2018 van de selectiefunctionaris van de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: de DJI) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna: de selectiefunctionaris) is [eiser] opgeroepen om zich op 20 april 2018 te melden bij de Penitentiaire Inrichting [locatie] voor het ondergaan van de gevangenisstraf. 2.7. Bij e-mailberichten van 19 maart 2018 en 23 maart 2018 heeft de advocaat van [eiser] verzocht om [eiser] uitstel te verlenen van de plicht om zich op 20 april 2018 te melden bij de penitentiaire inrichting. 2.8. Bij brief van 26 maart 2018 heeft de selectiefunctionaris aan de advocaat [eiser] bericht dat zijn verzoek tot uitstel niet ontvankelijk is, omdat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) heeft bericht dat “het vonnis wordt ingetrokken, omdat deze met ingang van 24 maart 2018 is verjaard”. 2.9. Bij brief van 30 april 2018 heeft de Divisiedirecteur Individuele Zaken van de DJI als volgt aan de advocaat van [eiser] bericht: “(…) De mededeling dat dat het vonnis door het CJIB wordt ingetrokken omdat het met ingang van 24 maart 2018 is verjaard, is echter onjuist. Ten tijde van de overname van het Duitse vonnis op 5 maart 2018 was dit naar Duits recht nog niet verjaard. Aangezien na overname van het vonnis het Nederlands recht op de tenuitvoerlegging van toepassing is, is de Nederlandse verjaringstermijn van toepassing. Inmiddels heb ik de officier van justitie opdracht gegeven het vonnis ten uitvoer te leggen. Uw cliënt zal daarom een nieuwe oproep ontvangen om zich te melden in een Penitentiaire Inrichting. (…)” 2.10. Bij brief van 6 november 2018 is [eiser] opgeroepen om zich op 12 december 2018 te melden in de Penitentiaire Inrichting [locatie]. In verband met dit kort geding is aan [eiser] bij brief van 6 december 2018 uitstel om zich te melden verleend tot 11 januari 2019. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de executie van de gevangenisstraf van [eiser] in te trekken, althans, subsidiair, de executie van de gevangenisstraf uit te stellen voor een zodanige termijn dat [eiser] voorbereidingen kan treffen voor het verblijf in detentie. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. Aan [eiser] is eerst medegedeeld dat het vonnis werd ingetrokken en ruim een maand later ontving hij het bericht dat de mededeling dat het vonnis werd ingetrokken onjuist was. Het alsnog ten uitvoer leggen van het vonnis is onrechtmatig. [eiser] heeft op grond van de berichtgeving van de DJI het gerechtvaardigd vertrouwen gekregen dat zijn gevangenisstraf niet meer zou worden geëxecuteerd. Het is in strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder het vertrouwensbeginsel, om de gevangenisstraf te executeren. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vordering gegeven. 4.2. Volgens artikel 553 van het Wetboek van strafvordering (Sv) worden beslissingen van de strafrechter door het Openbaar Ministerie ten uitvoer gelegd. Daarbij is uitgangspunt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen ten uitvoer mag worden gelegd, maar ook ten uitvoer moet worden gelegd. Dit is anders als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.