vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/547629 / HA ZA 18-161 Vonnis van 23 januari 2019 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijfsnaam] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. P.A.J.M. Lodestijn te Nijmegen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HYUNDAI MOTOR NETHERLANDS B.V., gevestigd te Sassenheim, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. W.B.J. van Overbeek te Amsterdam. Partijen zullen hierna [bedrijfsnaam] en Hyundai genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties, de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties, het tussenvonnis van 25 april 2018, de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte indienen nadere producties, de akte indienen nadere productie van 30 oktober 2018 zijdens Hyundai, het proces-verbaal van de op 30 oktober 2018 gehouden comparitie van partijen. 1.2. Het proces-verbaal van de comparitie van partijen is, met hun instemming, buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen op de verslaglegging te maken. Partijen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt: mr. Lodestijn bij B-formulieren van 12 en 15 november 2018, mr. Van Overbeek bij B-formulieren van 6 en 15 november 2018. Deze reacties zijn aan het proces-verbaal gehecht; het proces-verbaal zal gelezen worden met inachtneming van de inhoud van de reacties. In geval van een geschil tussen partijen over de verslaglegging van het verhandelde ter terechtzitting over een voor de beslissing relevant punt, zal de rechtbank daarop in dit vonnis ingaan. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald op heden. 2. De feiten 2.1. [bedrijfsnaam] is vanaf 1 mei 1988 aangesteld als Hyundai-dealer voor het rayon [plaats 1] , [plaats 2] en omstreken. Zij is aangesteld door Greenib Car B.V., de toenmalige Hyundai-importeur voor Nederland (hierna: Greenib). 2.2. Het moederbedrijf van Hyundai heeft de distributieovereenkomst met Greenib in maart 2014 opgezegd tegen 31 maart 2016. Als gevolg van deze opzegging heeft Greenib alle door haar gesloten Hyundai-dealerovereenkomsten, -subdealerovereenkomsten en - reparateurovereenkomsten opgezegd. Greenib heeft ook de tussen haar en [bedrijfsnaam] geldende overeenkomsten per brief van 24 maart 2014 opgezegd tegen 31 maart 2016. 2.3. Ten tijde van de opzegging door Greenib golden tussen Greenib en [bedrijfsnaam] de dealerovereenkomst van 1 juni 2013 (hierna: de Dealerovereenkomst) en de reparateursovereenkomst van 1 juni 2013 (hierna: de Reparateursovereenkomst). 2.4. Van de Reparateurovereenkomst maakten deel uit de “Officiële Erkend Reparateur Standaarden behorende bij het Erkend Reparateurcontract van juni 2013” (hierna: de Standaarden). Art. 1.3.1 van deze Standaarden luidt (zowel in de versie van 2013 als in de versie van 2016): “De Erkend Reparateur moet beschikken over een eigen vermogen/totaal vermogen-ratio die de financiële onafhankelijkheid van het bedrijf aantoont met een minimumratio zoals vastgelegd door Greenib Car b.v.” 2.5. Artikel L.4.5 van de Dealerovereenkomst (hierna: artikel L.4.5) luidt als volgt: “Dealer dient na afloop van deze Overeenkomst elk ongeoorloofd gebruik van Intellectuele Eigendomsrechten te staken. Daarnaast dient Dealer terstond alle borden waarop hij wordt voorgesteld als Dealer van Hyundai Motorvoertuigen en Hyundai Accessoires te verwijderen van het Bedrijfsterrein waar hij zaken doet, dan wel de bevoegde vertegenwoordigers van Importeur toegang te verschaffen tot dat Bedrijfsterrein om bedoelde borden te verwijderen, en dient hij zich niet langer te presenteren op welke manier dan ook als Hyundai Dealer of als relatie op welke manier dan ook van Importeur (of HMC en/of HME). Voor elk geval van schending van deze bepalingen dat plaatsvindt na 14 dagen vanaf het feitelijke einde van deze Overeenkomst verplicht Dealer zich om Importeur voor elke afzonderlijke schending een contractuele – niet voor rechterlijke matiging vatbare – boete te betalen ten bedrage van € 6.000, zulks onverminderd het recht van Importeur om volledige schadevergoeding te eisen. Importeur zal in voorkomend geval specificeren welke schendingen zij heeft geconstateerd.” Artikel 4.5 van de Reparateursovereenkomst is – onder vervanging van de term ‘Dealer’ door ‘Reparateur’ – gelijkluidend. 2.6. Artikel 4.7 van de Dealerovereenkomst (hierna: artikel L.4.7) luidt: “Dealer zal zich, zolang Hyundai Motorvoertuigen binnen de EER selectief worden gedistribueerd, ook na afloop van deze Overeenkomst onthouden van het aan- en wederverkopen van Hyundai Motorvoertuigen. Het voorgaande laat onverlet het recht van Dealer alsdan Hyundai Motorvoertuigen op basis van een volmacht te kopen in naam en voor rekening van een geïdentificeerde eindgebruiker (vgl. artikel B.1.2). Voorts blijft Dealer gerechtigd de Hyundai Motorvoertuigen die hij op voorraad had op het moment waarop deze Overeenkomst feitelijk eindigde en die Importeur niet heeft teruggekocht te wederverkopen, zulks onverminderd het gestelde in artikel L.4.5.” 2.7. De Dealerovereenkomst definieert bij de term Hyundai Motorvoertuig “nieuwe” voertuigen aldus: “Een motorvoertuig wordt niet beschouwd als niet nieuw vanwege het enkele feit dat het op enig moment gekentekend is, of omdat er 1.000 kilometer of minder op de kilometerteller staat.” 2.8. Greenib heeft haar rechten en verplichtingen onder de Dealerovereenkomst en de Reparateursovereenkomst per 2 januari 2015 met instemming van [bedrijfsnaam] overgedragen aan Hyundai. 2.9. In april 2015 heeft Hyundai de door Greenib gedane opzeggingen aan haar contractuele wederpartijen bevestigd. Bij die bevestiging gaf Hyundai ofwel aan dat zij voornemens was de contractuele relatie met de desbetreffende partij voort te zetten, of dat zij de relatie definitief niet zou voortzetten, danwel dat zij nog niet wist of zij de contractuele relatie zou voortzetten. Aan [bedrijfsnaam] heeft Hyundai de opzegging van de Dealerovereenkomst en de Reparateursovereenkomst per brief van 30 april 2015 bevestigd. Hyundai zei nog niet met zekerheid te kunnen aangeven of zij na 31 maart 2016 een nieuw contract met [bedrijfsnaam] zou aangaan. Zij adviseerde [bedrijfsnaam] er in zijn bedrijfsvoering rekening mee te houden dat de relatie met Hyundai op 31 maart 2016 zou eindigen. 2.10. Bij brief van 22 september 2015 heeft Hyundai [bedrijfsnaam] een sommatie gestuurd: “(…) Wij hebben vernomen dat u ATK-RTK-KOFFERBAK op een onrechtmatige wijze nieuwe Hyundai auto’s te koop laat aanbieden. Zoals u begrijpt, maken wij ernstig bezwaar tegen deze gang van zaken. (…) ATK-RTK-KOFFERBAK is geen erkende Hyundai-dealer noch een niet-erkende wederverkoper van nieuwe Hyundai-voertuigen. Erkende Hyundai-Dealers is het contractueel niet toegestaan nieuwe Hyundai auto’s aan niet-erkende leverancier(
- s)te leveren. Indien u dit wel doet is er sprake van contractbreuk (wanprestatie) jegens uw leverancier (…). (…) Uw activiteiten schaden hierdoor het distributienetwerk van Hyundai. Naar ons oordeel is dit alles zowel jegens ons als jegens de Nederlandse erkende Hyundai-dealers onrechtmatig. Sommatie Om bovengenoemde redenen verzoeken wij u, en voor zover nodig sommeren wij u, om u in het vervolg te houden aan het ‘doorleververbod’ zolang deze binnen de EER door middel van een selectief distributiesysteem op de markt worden gebracht en ons te bevestigen dat u de betrokken partij auto’s weer zult terugnemen van ATK-RTK-KOFFERBAK. (…)” 2.11. [bedrijfsnaam] heeft op deze sommatie gereageerd bij brief van 13 oktober 2015: “(…) Wij bieden u onze welgemeende excuses aan voor het feit dat ik in deze uw vertrouwen heb beschaamd. Hetgeen natuurlijk absoluut niet de bedoeling is. Overigens was het onderwerp wel informeel besproken. Wij hebben mijns inziens samen een gemeenschappelijk doel en dat is zo veel mogelijk door Hyundai Motor Netherlands b.v. geïmporteerde nieuwe Hyundai s op de Nederlandse markt te verkopen, hetgeen wij met veel enthousiasme doen. Wij hebben al meer dan 27 jaar een prettige relatie met u en willen die graag voor nu en in de toekomst continueren.” 2.12. Per brief van 2 december 2015 heeft Hyundai [bedrijfsnaam] bevestigd wat partijen de dag ervoor in persoon hadden besproken. In deze brief staat onder meer het volgende: “Afgelopen dinsdag 1 december 2015 hebben wij u persoonlijk geïnformeerd betreffende het feit dat wij niet de intentie hebben na 31 maart 2016 met u een nieuw contract aan te gaan. Wij blijven met elkaar in contact over de afwikkeling van onze relatie, waarbij wij hetgeen daarover contractueel is vastgelegd als uitgangspunt zullen nemen. Wij wijzen u erop dat u gedurende de opzegtermijn in beginsel gehouden bent te blijven voldoen aan uw contractuele verplichtingen. Hetzelfde geldt uiteraard voor ons. Mocht u er de voorkeur aan geven uw contractuele relatie met ons eerder te laten eindigen dan 31 maart 2016, dan zijn wij bereid daarover met u van gedachten te wisselen.” 2.13. Op 30 december 2015 heeft Hyundai in het Hyundai-portaal een Bulletin geplaatst waarin het volgende stond: “ Aanvraag Hyundai Erkend Reparateur Overeenkomst In ons bulletin 15SM0020 van 7 december 2015 hebben wij u geïnformeerd over de beëindiging van de huidige Erkend Reparateurovereenkomsten. Met dat bulletin hebben wij u ook aangegeven dat u in januari 2016 een aanvraag kunt indienen bij Hyundai Motor Netherlands voor een nieuw Erkend Reparateurovereenkomst ingaande per 1 april 2016. Uw aanvraag dient te worden onderbouwd met de volgende documenten: Een zelfevaluatie van de Hyundai Erkend Reparateur Standaarden Een businessplan voor ten minste 5 jaar Als hulp is er een zelf evaluatieformulier bijgevoegd. (…) (…)” Het Bulletin was zichtbaar voor alle bedrijven die op 30 december 2015 nog Erkend Hyundai Reparateur waren, waaronder [bedrijfsnaam] . 2.14. Op 6 januari 2016 heeft [bedrijfsnaam] Hyundai een e-mail gezonden met als onderwerp “Aanvraag Hyundai Erkend Reparateur Overeenkomst”. Bij deze e-mail gingen twee bijlagen: een ingevulde Zelfevaluatie voor Erkend Reparateur 2016 en een businessplan. 2.15. Hyundai heeft [bedrijfsnaam] bij brief van 12 januari 2016 het volgende bericht: “(…) Uw financiële situatie, als gevolg waarvan u alleen maar nieuwe auto’s kunt afnemen na deze te hebben betaald, bleek immers niet voor verbetering vatbaar te zijn, zo werd ons tijdens het gesprek [over voortgezet Hyundai-dealerschap] duidelijk.(…) (…) Rest ons nog te reageren op uw verzoek van 6 januari jl., waarin u ons verzoekt u per 1 april 2016 aangesteld te worden als Hyundai Erkend Reparateur. Dat verzoek zullen wij niet in behandeling nemen. Er is een aantal redenen om u niet als Erkend Reparateur aan te stellen: (
- a)Uw financiële positie is belabberd. Om die reden wordt de aankoop van nieuwe Hyundai voertuigen als gezegd niet gefinancierd en moet bovendien getwijfeld worden aan de continuïteit van uw onderneming. Feitelijk voldoet u nu al niet meer aan de door ons gestelde solvabiliteitseisen. (
- b)Uw in het kader van uw aanvraag verrichte self-assessment is niet realistisch. U gaat er ten onrechte vanuit dat pas in 2017 aan de uitstralingseisen voldaan dient te zijn; dat moet al per 1 april 2016 zo zijn. Ook de door u met het oog op uw aanvraag aangereikte cijfers sluiten niet aan op die welke u ons eerder toezond; ze zijn niet realistisch (te hoog), o.m. vanwege te laag ingeschatte kosten. Uw ondernemersplan verdient het bovendien nauwelijks als zodanig aangeduid te worden. (
- c)U heeft zich eind vorig jaar schuldig gemaakt aan het verkopen van nieuwe Hyundai voertuigen aan een niet-erkende wederverkoper. Wij verwijzen kortheidshalve naar onze brief van 22 september 2015. Deze handelswijze moet als onrechtmatig jegens ons en onze dealers worden beschouwd. Wij gaan geen overeenkomst aan met iemand die niet van onbesproken gedrag is. Per 1 april a.s. zal in [plaats 1] een nieuwe Hyundai Dealer worden aangesteld, die ook verantwoordelijke zal zijn voor reparaties en onderhoud. Vanuit dit perspectief is er in de markt geen behoefte aan een tweede Erkend Reparateur. Wij zullen binnenkort met u separaat in contact treden over de afwikkeling van onze relatie. (…)” 2.16. [bedrijfsnaam] heeft Hyundai bij brief van 23 februari 2016 het volgende bericht: ““(…) Waar ik mij (helaas) wel […] bij zal moeten neerleggen, is uw beslissing dat u niet bereid bent per 1 april a.s. met ons de jarenlange relatie als Hyundai-dealer voort te zetten. Ik lees in uw brief dat u per die datum in [plaats 1] een nieuwe Hyundai-dealer zult aanstellen die tevens verantwoordelijk wordt voor reparaties en onderhoud. In uw visie bestaat er daarom in de markt geen behoefte aan een tweede Hyundai-reparateur. Die visie deel ik niet, al was het alleen maar omdat deze niet strookt met het uitgangspunt van een vrije en open markt. In het licht hiervan heeft u besloten mijn verzoek om per 1 april a.s. te worden erkend als Hyundai-reparateur niet in behandeling te nemen. De redenen die u hiervoor heeft aangevoerd, blijken niet te kloppen. Zo is uw stelling dat onze financiële positie belabberd zou zijn ongefundeerd en volkomen misplaatst. U rept van een concrete solvabiliteitseis, maar deze is nimmer kenbaar gemaakt. De reden waarom wij bij onze aanvraag tot uitgangspunt hebben genomen dat eerst in de loop van 2017 doch uiterlijk per 31 december 2018 voldaan moet zijn aan de significatie-eisen van Hyundai is heel eenvoudig. Diezelfde eis is immers gesteld aan onze collega-dealers en –reparateurs met wie u als combi-dealer de handelsrelatie vanaf 1 april a.s. wel voortzet. Wij zijn er vanuit gegaan dat u aan ons als stand-alone reparateur geen zwaardere eisen oplegt. Uw (ongemotiveerde) bezwaren tegen ons ondernemersplan kan ik niet volgen. Ik mag u erop wijzen dat het plan geheel is ingericht conform het Hyundai-format. Gedurende de zesentwintigjarige handelsrelatie heeft de Hyundai-importeur nimmer een onvertogen woord geuit over onze businessplannen; deze zijn altijd met respect en op constructieve wijze in behandeling genomen. Verder heeft u nog een afwijzingsgrond proberen te ontlenen aan uw brief van 22 september 2015. Wij hebben nimmer het doorleveringsverbod terzake nieuwe Hyundai-auto’s geschonden. Aan de wederverkoper waarop u kennelijk in uw brief doelt hebben wij nog nooit een nieuwe auto geleverd, direct noch indirect. Wij moeten concluderen dat ook dit laatste argument een drogreden vormt voor het niet in behandeling nemen van ons verzoek. Op grond van al het bovenstaande mogen wij u daarom dringend vragen ons verzoek om te worden erkend tot Hyundai-reparateur alsnog in behandeling te nemen. Ten slotte vertrouwen wij erop dat wij lopende het onderzoek de status van erkend reparateur behouden.” 2.17. Bij brief van 4 maart 2016 heeft Hyundai [bedrijfsnaam] geantwoord: “U bent het blijkens uw brief van 23 februari jl. niet eens met ons besluit u per 1 april a.s. niet als Hyundai erkend reparateur aan te stellen. Dat is uw goed recht, maar wij blijven bij ons besluit. Wat ons betreft was onze brief van 12 januari jl. duidelijk. Wij merken in aanvulling daarop nog het volgende op, waarbij wij de volgorde uit laatstgenoemde brief aanhouden: (
- a)In punt 1.3.1 van de toepasselijke standaarden wordt verwezen naar de door HMNL vastgelegde minimumratio. HMNL volgt hierin de banknormen, hetgeen neerkomt op een verhouding tussen eigen en vreemd vermogen van 12% op leaseactiviteiten en 25% op reparateuractiviteiten. De jaarrekeningen 2012, 2013 en 2014 laten een sterk negatief eigen vermogen zien, dus u voldoet hier niet aan. (
- b)Ten aanzien van de [Corporate Identity]-normen hanteert HMNL de regel dat netwerkpartners wiens status per 1 april 2016 verandert (nieuwe aanstelling, of dealer wordt reparateur) per die datum ook dienen te beschikken over de nieuwe [Corporate Identity]. Dit geldt voor u. U heeft geen ondernemersplan ingediend, maar een budget. Daarin gaat u voor 2015 en 2016 bijv. uit van een omzet van € 508.000,= terwijl uw dealerschap per 1 april 2016 eindigt. Dit moet effect hebben op uw exploitatie, maar is niet zichtbaar of toegelicht. Kortom, uw budget is niet realistisch. (
- c)U betwist thans de irreguliere verkoop, waarop wij u wezen in onze brief van 22 september 2015, terwijl u deze in uw brief van 13 oktober 2015 nog heeft erkend. Dat is weinig consequent. Tenslotte meent u dat onze gedachte dat één Hyundai Reparateur in [plaats 1] vooralsnog voldoende is niet zou stroken met het uitgangspunt van een vrije en open markt. Dat begrijpen wij niet. Het staat u volledig vrij als universele reparateur zich te richten op onderhoud en reparaties aan Hyundai-voertuigen in [plaats 1] en omgeving. Alle daartoe benodigde bedrijfsmiddelen zijn vrij beschikbaar.” 2.18. [bedrijfsnaam] heeft per brief van 14 maart 2016 gereageerd op zowel de brief van 4 maart 2016 als op een telefoongesprek dat hij op 9 maart 2016 met de Manager Dealer Development van Hyundai had. In de brief staat onder meer het volgende: “ Ad (c): Het voorval zoals vermeld in uw brief van 22 september 2015 betrof een eenmalige sales-activiteit waarvan HMNL bovendien op voorhand op de hoogte was gesteld. Deze sales-activiteit heeft niets te maken met de aanvraag voor het erkende reparateurschap. Verder staat vast dat wij niet één nieuwe auto hebben verkocht of geleverd aan een niet-erkende wederverkoper. In dit opzicht hebben wij dus altijd uiterst consequent gehandeld. Tot slot nog dit. Dat het ons in uw optiek vrij staat om vanaf 1 april 2016 als universeel reparateur aan de slag te gaan in het Zwolse, is niet meer dan een gemeenplaats. Waar het om gaat, is dat wij voldoen aan alle toepasselijke aftersales-standaarden en dat wij – zoals nota bene reeds toegezegd – daarom erkend willen worden als Hyundai-reparateur. Onze klanten rekenen daar bovendien op.” 2.19. Bij brief van 15 maart 2016 heeft Hyundai [bedrijfsnaam] onder meer bericht: “Eind deze maand zullen wij onze relatie feitelijk met u afwikkelen. Wij wijzen u op uw contractuele verplichting alle [Corporate Identity] te laten verwijderen, op straffe van een contractuele boete. Binnenkort nemen wij contact met u op over die verwijdering.” 2.20. Hyundai heeft [bedrijfsnaam] bij brief van 29 maart 2016 geantwoord: “U kent ons standpunt ten aanzien van een eventueel Hyundai Erkend Reparateurschap. (…) Door middel van deze brief maken wij u er op attent dat de Hyundai CI uiterlijk binnen 14 dagen na afloop van onze relatie (per 31 maart a.s.) moet zijn verwijderd, bij gebreke waarvan wij aanspraak zullen maken op de contractuele boete, neergelegd in artikel L 4.5 van de Hyundai Dealerovereenkomst. De toegang tot de Hyundai-systemen zal u in elk geval op of omstreeks 1 april a.s. worden ontzegd. (…) 2.21. Bij brief van 7 april 2016 bevestigde de advocaat van Hyundai aan [bedrijfsnaam] dat Hyundai inmiddels had bezien of er aanleiding was haar eerder ingenomen standpunt te herzien, maar dat die aanleiding niet was gevonden. 2.22. Over de beëindiging van de contractuele relatie schreef Hyundai [bedrijfsnaam] bij brief van 8 april 2016 als volgt: “In verband met de beëindiging van onze relatie per 15 april aanstaande, zal Hyundai Motor Netherlands een aantal acties nemen. De belangrijkste consequenties geven wij u hierbij aan: (…) - U dient ervoor zorg te dragen dat uiterlijk op 15 april 2016 alle Corporate Identity van uw bedrijfspand en ook uit uw showroom is verwijderd, alsmede dat op dat moment ook uw website en alle online en offline reclameboodschappen zijn aangepast aan de nieuwe situatie, bij gebreke waarvan u met ingang van de volgende dag de contractuele boete van € 6.000,= per inbreuk zult worden.” 3Het geschil in conventie 3.1. [bedrijfsnaam] vordert – samengevat – verklaring voor recht dat Hyundai de aanvraag van [bedrijfsnaam] tot erkenning als Hyundai-Reparateur ten onrechte niet in behandeling heeft genomen danwel heeft afgewezen. Zij vordert verder veroordeling van Hyundai tot betaling van alle schade die [bedrijfsnaam] daardoor sinds 1 april 2016 heeft geleden en nog zal lijden tot de dag dat zij wel door Hyundai als Erkend Reparateur is erkend danwel tot de dag dat zij op grond van een objectieve toets aan de strikt kwalitatieve en eenvormig neergelegde en toegepaste Hyundai-normen gemotiveerd is afgewezen, vermeerderd met rente en kosten. 3.2. [bedrijfsnaam] stelt daartoe dat Hyundai bij haar het vertrouwen heeft opgewekt dat [bedrijfsnaam] per 1 april 2016 zou worden erkend als Hyundai-Reparateur als zij aan de Standaarden zou voldoen. De weigering door Hyundai om [bedrijfsnaam] aanvraag tot erkenning als Hyundai-reparateur in behandeling te nemen, is volgens [bedrijfsnaam] onverenigbaar met dit bij haar opgewekte vertrouwen en ook onverenigbaar met de mededingingsrechtelijke gehoudenheid van Hyundai om de aanvraag van [bedrijfsnaam] op non-discriminatoire wijze te behandelen. [bedrijfsnaam] meent dat de weigering van Hyundai om die redenen jegens haar onrechtmatig is. 3.3. Hyundai voert verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. in reconventie 3.5. Hyundai vordert – samengevat – veroordeling van [bedrijfsnaam] tot betaling van € 72.000 wegens een twaalftal schendingen van Hyundai’s intellectuele eigendomsrechten genoemd in art. L.4.5, vermeerderd met rente en kosten. Ook vordert Hyundai veroordeling van [bedrijfsnaam] – op straffe van een dwangsom van € 25.000 per overtreding – om de aan- en verkoop van nieuwe Hyundai voertuigen te staken en gestaakt te houden, ook in de vorm van het uitbrengen van offertes voor een ‘door [bedrijfsnaam] te leveren nieuw Hyundai voertuig’, tenzij [bedrijfsnaam] optreedt als gevolmachtigde van een eindgebruiker op zodanige wijze dat er een rechtstreekse contractuele relatie tussen de eindgebruiker en de verkopende Hyundai dealer ontstaat. Hyundai vordert verder dat het vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 3.6. [bedrijfsnaam] voert verweer. 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling in conventie 4.1. De vorderingen van [bedrijfsnaam] berusten in de kern genomen op de stellingen dat de weigering van Hyundai om [bedrijfsnaam] aanvraag tot erkenning als Hyundai-reparateur in behandeling te nemen: (
- a)onverenigbaar is met het bij [bedrijfsnaam] opgewekte vertrouwen dat Hyundai een overeenkomst met haar zou aangaan als [bedrijfsnaam] aan de Standaarden voldeed, en (
- b)onverenigbaar is met de mededingingsrechtelijke gehoudenheid van Hyundai om de aanvraag van [bedrijfsnaam] op non-discriminatoire wijze te behandelen. De rechtbank zal deze stellingen hierna in die volgorde beoordelen. Ad a: gerechtvaardigd vertrouwen op tot stand komen overeenkomst? 4.2. [bedrijfsnaam] grondt zijn vorderingen in de eerste plaats op geschonden pre-contractuele verplichtingen van Hyundai. De rechtbank stelt voorop dat in dat verband als maatstaf geldt dat ieder van de onderhandelende partijen – die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen – vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen. 4.3. De rechtbank is van oordeel dat Hyundai geen (pre-contractuele) verplichtingen jegens [bedrijfsnaam] heeft geschonden. Daarvoor is het volgende redengevend. 4.4. Tussen partijen staat vast dat de tussen Greenib en [bedrijfsnaam] gesloten Dealerovereenkomst en Reparateurovereenkomst geldig waren opgezegd met een opzegtermijn van twee jaar, en dat deze overeenkomsten op die grond op 31 maart 2016 zouden eindigen. Na 1 april 2016 kon [bedrijfsnaam] dus alleen Erkend Hyundai-Reparateur blijven indien zij een nieuw contract kon sluiten met Hyundai, die het Hyundai-importeurschap na een reorganisatie had overgenomen van Greenib. 4.5. Hyundai heeft de beëindiging van de Dealerovereenkomst en de Reparateursovereenkomst per brief van 30 april 2015 aan [bedrijfsnaam] bevestigd en heeft in die brief ook gemeld niet zeker te zijn dat zij na 31 maart 2016 een nieuw contract met [bedrijfsnaam] zou aangaan. Hyundai heeft [bedrijfsnaam] vervolgens bij brieven van 2 december 2015, 12 januari, 4 maart, 29 maart, 7 april en 8 april 2016 laten weten dat zij geen nieuwe overeenkomst met [bedrijfsnaam] wilde sluiten. Hyundai noemt in deze brieven meerdere redenen die maakten dat zij geen contract met [bedrijfsnaam] wilde aangaan. Het feit dat [bedrijfsnaam] zich in die redenen niet kon vinden, maakt niet anders dat haar duidelijk kon en moest zijn dat het niet voldoen aan de Standaarden voor Hyundai niet de enige reden was dat Hyundai geen nieuw contract met haar wilde aangaan. De brieven van Hyundai bevatten ook geen mededeling waaruit valt af te leiden dat Hyundai bereid was om (alsnog) tot een overeenkomst te komen op de (enkele) voorwaarde dat [bedrijfsnaam] (alsnog) aan de Standaarden zou voldoen. 4.6. Dit wordt niet anders doordat Hyundai het Bulletin van 30 december 2015 over de mogelijkheid van het indienen van een aanvraag tot erkenning als Hyundai-reparateur in het Hyundai-portaal ook voor [bedrijfsnaam] toegankelijk heeft gemaakt. Hyundai heeft in haar brief van 12 januari 2016, binnen een week na ontvangst van [bedrijfsnaam] aanvraag, aan [bedrijfsnaam] bevestigd wat zij in het gesprek van 1 december 2015 aan de eigenaar van [bedrijfsnaam] in persoon en in de aan [bedrijfsnaam] gerichte brief van 2 december 2015 had laten weten, namelijk dat Hyundai geen nieuw contract met [bedrijfsnaam] zou aangaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Hyundai [bedrijfsnaam] dus tijdig en duidelijk laten weten dat zij niet van plan was enig nieuw contract met [bedrijfsnaam] te sluiten. Zij heeft daarbij niet de schijn gewekt dat zij een overeenkomst met [bedrijfsnaam] zou aangaan als [bedrijfsnaam] aan de Standaarden zou voldoen. Voor het geval de stellingen van [bedrijfsnaam] ook aldus moeten worden begrepen dat zij betoogt dat Hyundai haar een aanbod heeft gedaan met de strekking dat als [bedrijfsnaam] aan de Standaarden zou voldoen, met haar een overeenkomst zou worden gesloten, stuit dit betoog eveneens af op het bedoeld ontbreken van opgewekte schijn. 4.7. De rechtbank begrijpt dat [bedrijfsnaam] ook stelt dat Hyundai bij haar weigering de gerechtvaardigde belangen van [bedrijfsnaam] onvoldoende heeft meegewogen. De rechtbank overweegt daarover het volgende. 4.8. Tegenover het belang van Hyundai om te mogen contracteren met wie zij wil, op de voorwaarden die zij wil, staat het belang van [bedrijfsnaam] bij het behoud van de contractuele relatie waarop haar bedrijfsvoering voor een belangrijk deel berust. Dit belang van [bedrijfsnaam] bij continuïteit was deels al verdisconteerd in de termijn van twee jaar die Greenib en Hyundai hebben gehanteerd bij de opzegging van de Dealerovereenkomst en de Reparateursovereenkomst. [bedrijfsnaam] had in die twee jaar maatregelen kunnen treffen om de gevolgen van het wegvallen van de contractuele relatie met Hyundai op te vangen. Het resterende belang dat [bedrijfsnaam] bij behoud van de relatie met Hyundai heeft, weegt niet zwaarder dan het belang van Hyundai bij contractsvrijheid. Ook als [bedrijfsnaam] voldoet en altijd aan heeft voldaan aan de Standaarden zoals Greenib die tijdens hun lange handelsrelatie interpreteerde, betekent dit niet dat Hyundai gehouden is om diezelfde voorwaarden in nieuwe contractuele relaties te hanteren, op dezelfde wijze als Greenib dat deed. Ook [bedrijfsnaam] bedrijfsbelang hoefde Hyundai daarom niet te weerhouden van de weigering om een nieuw contract met [bedrijfsnaam] aan te gaan. Ad b: strijd met mededingingsrecht? 4.9. Hyundai zou zich desondanks van de weigering hebben moeten onthouden indien die weigering een schending van het mededingingsrecht oplevert, zoals [bedrijfsnaam] stelt. 4.10. Bij de beoordeling van de vraag of Hyundai enig mededingingsrechtelijk voorschrift heeft geschonden, geldt dat degene die stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt (in dit geval: [bedrijfsnaam] ), dit dient te onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden, opdat een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt. Daarbij kan in beginsel niet worden volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. Dit geldt ook wanneer de mededingingsrechtelijke verwijten geen zelfstandige rol spelen, maar enkel ten grondslag zijn gelegd aan een vordering uit onrechtmatige daad, die in belangrijke mate bestaat in de gestelde strijd met mededingingsrechtelijke regels. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfsnaam] tegenover de gemotiveerde betwisting van Hyundai onvoldoende (economische) feiten heeft gesteld die – indien bewezen – tot het oordeel zouden leiden dat Hyundai heeft gehandeld in strijd met het mededingingsrecht. 4.12. Zo stelt [bedrijfsnaam] dat Hyundai haar machtspositie misbruikt door [bedrijfsnaam] uit te sluiten van de toegang tot essentiële Hyundai-faciliteiten. [bedrijfsnaam] heeft echter niet inhoudelijk gereageerd op de gemotiveerde betwisting van Hyundai, die erop neerkomt dat ook onafhankelijke garagisten toegang hebben tot alle voor de reparatie en het onderhoud van Hyundai voertuigen relevante bedrijfsmiddelen zoals reserveonderdelen, technische informatie, diagnostische apparatuur en technische trainingen. [bedrijfsnaam] heeft na het einde van het Erkend Reparateurschap ook al Hyundai-trainingen bijgewoond. Nu [bedrijfsnaam] haar stelling dat zonder erkend reparateurschap geen concurrentie mogelijk is niet nader heeft onderbouwd, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat er op de markt voldoende mededinging mogelijk is, ondanks het kwantitatief selectieve distributiestelsel dat Hyundai hanteert. 4.13. [bedrijfsnaam] stelt verder dat Hyundai haar aanvraag discriminatoir heeft behandeld, hetgeen Hyundai betwist. 4.14. De rechtbank overweegt dat het door Hyundai hanteren van andere solvabiliteitseisen dan Greenib in het verleden hanteerde, geen onderbouwing van deze stelling vormt. Het hanteren van andere solvabiliteitseisen zou slechts discriminatoir kunnen zijn indien Hyundai deze eisen wel aan [bedrijfsnaam] , maar niet aan andere contractanten in dezelfde situatie zou stellen. [bedrijfsnaam] stelt weliswaar dat Erkende Hyundai-Dealers die tevens Erkend Reparateur zijn (‘combi-dealers’) niet al per 1 april 2016 aan de nieuwe eisen hoefden te voldoen, maar zij heeft niet onderbouwd waarom het maken van onderscheid tussen combi-dealers en Erkende Reparateurs – contractanten die getuige de verschillen in het Dealercontract en het Reparateurscontract binnen het Hyundai-netwerk verschillende plichten en bevoegdheden hebben – strijdig zou zijn met het mededingingsrecht. Een kwantitatief selectief distributiestelsel hoeft immers niet te berusten op objectief gerechtvaardigde criteria die eenvormig en zonder onderscheid worden toegepast op eenieder die om erkenning verzoekt (HvJEG 14 juni 2012, C-158/11 (Auto 24 SARL/Jaguar Land Rover France SAS). De rechtbank is daarom van oordeel dat hetgeen [bedrijfsnaam] aanvoert, de conclusie dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie niet kan dragen. 4.15. Tenslotte heeft [bedrijfsnaam] bepleit dat op Hyundai een contracteerplicht rust, omdat het marktaandeel van Hyundai op de Nederlandse aftersalesmarkt de 30%-drempel waaronder Hyundai zou kunnen profiteren van de algemene groepsvrijstelling in de zin van Verordening EU/330/2010, ruimschoots overtreft. 4.16. Het enkele gegeven dat de bij het Hyundai-netwerk betrokken partijen gezamenlijk meer dan 30% van de Nederlandse aftersalesmarkt beslaan – hetgeen niet vaststaat en door [bedrijfsnaam] niet is onderbouwd – leidt echter zonder bijkomende omstandigheden niet tot een contracteerplicht als door [bedrijfsnaam] bepleit. [bedrijfsnaam] stelt weliswaar in punt 3.6 van haar dagvaarding dat Hyundai haar Garantievoorwaarden in maart 2017 heeft gewijzigd, in die zin dat de vijfjarige fabrieksgarantie van Hyundai vervalt als de auto op enig moment geservicet is door een niet-erkende reparateur. De rechtbank overweegt dat dergelijke garantievoorwaarden de mededinging kunnen beperken en een schending van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) kunnen opleveren; de rechter moet dit binnen de rechtsstrijd van partijen ambtshalve toetsen. Nu [bedrijfsnaam] in punt 5.1 van de dagvaarding expliciet stelt dat de nadelige effecten van de wijziging van de garantievoorwaarden buiten het bestek van deze procedure vallen, komt de rechtbank aan de toetsing van deze wijziging niet toe. Andere verticale overeenkomsten of bijkomende omstandigheden die de weigering van Hyundai om een overeenkomst met [bedrijfsnaam] aan te gaan strijdig doen zijn met het mededingingsrecht, heeft [bedrijfsnaam] niet gesteld. 4.17. Het voorgaande betekent dat de rechtbank de vorderingen van [bedrijfsnaam] zal afwijzen. 5De beoordeling in reconventie 5.1. Hyundai vordert in reconventie veroordeling van [bedrijfsnaam] tot betaling van € 72.000 aan contractuele boetes, en een gebod om de aan- en verkoop van nieuwe Hyundai voertuigen te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom. [bedrijfsnaam] voert verweer, waarop de rechtbank hierna per onderwerp zal ingaan. Contractuele boetes 5.2. Hyundai stelt dat [bedrijfsnaam] de in artikel L.4.5 bedoelde intellectuele eigendomsrechten van Hyundai heeft geschonden door na het einde van die overeenkomst: Hyundai verkoopbrochures met daarop de merknaam Hyundai te gebruiken; vlaggen met daarop de merknaam Hyundai te gebruiken; een raamsticker met betrekking tot de Hyundai fabrieksgarantie te gebruiken; zich op www.autotrack.nl Hyundai dealer en Hyundai erkend reparateur te noemen; en folder over een winterinspectie-actie te gebruiken die deels letterlijk overeenkomt met de eerder door Hyundai ontwikkelde en gebruikte folder; de aanduiding “Hyundai [bedrijfsnaam] ” op Facebook te gebruiken; nieuwe Hyundai voertuigen ten verkoop aanbieden in: i. lokale dagbladen; ii. een offerte d.d. 6 oktober 2016; iii. evenbedoelde folder over de winterinspectie en op haar website
(2x); iv. een promotionele actie in februari 2017; v. een offerte d.d. 22 maart
- Hyundai vordert per genoemde gedraging de in artikel L.4.5 bepaalde contractuele boete van € 6.
- 5.
- [bedrijfsnaam] stelt dat artikel L.4.5 een onredelijk bezwarende algemene voorwaarde is die buiten toepassing moet worden gelaten, in elk geval voorzover de bepaling rechterlijke matiging van de boete uitsluit. Ook meent zij dat eventuele boetes op grond van artikel L.4.5 niet al vanaf 15 april 2016 maar pas 1 mei 2016 verbeurd zouden worden. Daarnaast voert zij per gestelde schending aanvullend verweer. Feitelijk einde overeenkomst 5.
- Tussen partijen is in geschil wanneer “het feitelijke einde” van de Dealerovereenkomst was. [bedrijfsnaam] stelt dat dit 15 april 2016 is, omdat Hyundai deze datum als einddatum zou hebben bepaald. Hyundai meent dat het feitelijk einde de dag is waarop de Dealerovereenkomst en de Reparateursovereenkomst door opzegging zijn geëindigd, dus op 31 maart
- 5.
- De rechtbank is van oordeel dat uit alle brieven van Hyundai tot die van 8 april 2016 eenduidig blijkt dat Hyundai het einde van de contractuele relatie op 31 maart 2016 stelt. Alleen in de brief van 8 april 2016 spreekt zij over “de beëindiging van onze relatie per 15 april aanstaande”; uit de rest van het in rechtsoverweging 2.23 geciteerde deel van de brief blijkt echter duidelijk dat 15 april 2016 de dag is vanaf wanneer [bedrijfsnaam] volgens Hyundai onder artikel L.4.5 feitelijk boetes zou verbeuren. Deze datum is de dag volgend op de dag 14 dagen na 31 maart 2016, zoals Hyundai [bedrijfsnaam] in de brief van 29 maart 2016 expliciet had voorgerekend. De datum die Hyundai als einddatum heeft bepaald is daarom naar het oordeel van de rechtbank de dag waartegen de Dealerovereenkomst was opgezegd: 31 maart
- 5.
- Dit betekent dat de datum vanaf wanneer [bedrijfsnaam] onder artikel L.4.5 boetes kon verbeuren, 15 april 2016 is. L.4.5 Onredelijk bezwarend? 5.
- Artikel 6:233 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij. Het is aan degene die zich op artikel 6:233 BW beroept om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. 5.
- Tussen partijen is niet in geschil dat artikel L.4.5 onderdeel uitmaakt van een modelovereenkomst; daarmee staat vast dat het beding is opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Dit betekent dat het beding een algemene voorwaarde is. 5.
- [bedrijfsnaam] heeft ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:233 BW gesteld dat zij, op het moment dat zij de Dealerovereenkomst ondertekende, al afhankelijk was van Hyundai en daarom realiter niet over het boetebeding heeft kunnen onderhandelen. Volgens [bedrijfsnaam] is het beding onredelijk bezwarend “in het licht van de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval”. [bedrijfsnaam] heeft niet geconcretiseerd welke belangen en welke omstandigheden zij hiermee bedoelt. Daarmee heeft zij onvoldoende gesteld dat tot het oordeel kan leiden dat artikel L.4.5 van de Dealerovereenkomst onredelijk bezwarend is. Uitingen rov. 5.2 onder a-f 5.
- Ter zitting heeft [bedrijfsnaam] ten aanzien van de in rechtsoverweging 5.2 onder a-f genoemde gedragingen erkend dat zij inderdaad hebben plaatsgevonden. Zij stelt dat desondanks geen sprake was van schending van de intellectuele eigendomsrechten van Hyundai, omdat de controleur van Hyundai in april 2016 niet had gezegd dat de uitingen verwijderd moesten worden, en omdat [bedrijfsnaam] de uitingen op eerste verzoek van Hyundai heeft verwijderd. 5.
- De rechtbank constateert dat de in rechtsoverweging 5.2 onder a-f genoemde gedragingen alle omstreeks oktober 2016, dus ruim na beëindiging van de Dealerovereenkomst, hebben plaatsgevonden. De verplichting tot het niet-schenden van het intellectueel eigendom van Hyundai gold op dat moment onverkort, zodat de boete door de enkele overtreding van artikel L.4.5 opeisbaar werd: ingebrekestelling door (de controleur van) Hyundai was daarvoor niet meer nodig. Dit betekent dat voor de opeisbaarheid van de boete niet relevant is of de controleur de uitingen niet heeft aangewezen en/of [bedrijfsnaam] de schending op eerste verzoek heeft gestaakt. 5.
- De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfsnaam] met de in rechtsoverweging 5.2 onder a-f genoemde gedragingen in strijd met artikel L.4.5 Dealerovereenkomst de indruk heeft gewekt dat zij nog een zakelijke relatie van Hyundai was. Dit betekent dat [bedrijfsnaam] met deze gedragingen de in artikel L.4.5 bedoelde contractuele boete heeft verbeurd. In de benadering van Hyundai zou dat moeten leiden tot een door [bedrijfsnaam] te betalen boete van (6 x € 6.000 =) € 36.
- Te koop aanbieden nieuwe Hyundai schending L.4.5? 5.
- Hyundai vordert ook voor het te koop aanbieden van nieuwe Hyundai voertuigen een boete op grond van artikel L.4.5 Dealerovereenkomst. [bedrijfsnaam] betwist zowel dat zij nieuwe Hyundai voertuigen te koop heeft aangeboden, als dat het te koop aanbieden van nieuwe Hyundai voertuigen een schending van artikel L.4.5 oplevert. 5.
- De rechtbank constateert dat de Dealerovereenkomst afzonderlijke bepalingen kent voor de postcontractuele behandeling van intellectuele eigendomsrechten enerzijds (L.4.5) en de aan- en wederverkoop van Hyundai voertuigen anderzijds (L.4.7). De bepaling ziend op intellectuele eigendomsrechten bevat wel een boetebeding; de bepaling ziend op de wederverkoop van Hyundai voertuigen niet. Onder deze omstandigheden kan de boete op het schenden van de intellectuele eigendomsrechten niet geacht worden ook te zien op de (afzonderlijk geregelde) aan- en wederverkoop van Hyundai voertuigen. Dit betekent dat [bedrijfsnaam] met de in rechtsoverweging 5.2 onder g genoemde gedragingen de in artikel L.4.5 bedoelde contractuele boete niet kon verbeuren, en dus ook niet heeft verbeurd. Beding dat rechterlijke matiging uitsluit is nietig 5.
- [bedrijfsnaam] vraagt de rechtbank de boete te matigen op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW. 5.
- De rechtbank stelt voorop dat de rechterlijke bevoegdheid tot matiging van boetebedingen als neergelegd in artikel 6:94 lid 1 BW van dwingend recht is. Contractuele bedingen die van deze bepaling afwijken, zijn nietig. Dit betekent dat de rechtbank het beroep op matiging in weerwil van artikel L.4.5 wel zal toetsen. Matiging boete 5.
- De rechter kan een bedongen boete op verlangen van de schuldenaar matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Dit betekent dat matiging alleen aan de orde is als toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Ook de omstandigheden waaronder de tekortkoming tot stand kwam, zijn van belang. 5.
- De rechtbank ziet in de volgende omstandigheden aanleiding om de contractuele boete te matigen. 5.
- De rechtbank constateert dat de inhoud en strekking van artikel L.4.5 is om te bewerkstelligen dat de voormalige Hyundai Dealer of –Reparateur zich na beëindiging van de samenwerking niet meer als zodanig manifesteert. [bedrijfsnaam] heeft de in rechtsoverweging 5.2 onder a-f genoemde gedragingen op eerste verzoek verwijderd. 5.
- Verder bevat het beding één boetebedrag voor vele, mogelijk sterk in ernst uiteenlopende tekortkomingen; het boetebeding is ook niet gemaximeerd en bevat een (nietige) passage die rechterlijke matiging uitsluit, in strijd met dwingend recht. 5.
- Ten aanzien van de garantie-sticker heeft [bedrijfsnaam] onbetwist gesteld dat zij daarover met de controleur van Hyundai nog in gesprek was, en dat zij de sticker zolang – met medeweten van de controleur – heeft laten zitten. Ter zitting heeft Hyundai verteld dat haar controleur de zaak niet op de spits wilde drijven voor wat betreft de sponsoruitingen bij lokale verenigingen. Hoewel dit inderdaad niet betekent dat [bedrijfsnaam] toestemming had om alles wat de controleur niet noemde dan maar te laten staan, kan deze houding wel hebben bijgedragen aan de bij [bedrijfsnaam] ontstane indruk dat zij voor het opschonen van haar bedrijf nog enige tijd had. Deze indruk paste bij de (zeer) lange relatie tussen partijen en het informele karakter dat de contacten tussen [bedrijfsnaam] en veel van haar contactpersonen binnen Hyundai tekende. 5.
- Over de schade die Hyundai door de tekortkoming van [bedrijfsnaam] heeft geleden, heeft zij alleen gesteld dat de uit dit type tekortkoming voortvloeiende schade lastig te bewijzen is. De rechtbank acht het evenwel onaannemelijk dat een oud (en dus in de tijdlijn weggezakt) Facebook-bericht Hyundai veel schade zal berokkenen, laat staan een schade van € 6.
- 5.
- Nu [bedrijfsnaam] de in rechtsoverweging 5.2 onder a-f genoemde gedragingen heeft gestaakt en gestaakt heeft gehouden, zal de rechtbank de contractuele boete aldus matigen dat zij deze zal halveren, te weten tot een bedrag van (€ 36.000 / 2 =) € 18.
- Gebod staken schending artikel L.4.7 5.
- Hyundai stelt dat [bedrijfsnaam] in strijd met artikel L.4.7 nieuwe Hyundai voertuigen te koop heeft aangeboden en vordert daarom een gebod om de aan- en verkoop van nieuwe Hyundai voertuigen te staken en gestaakt te houden, op straffe van een dwangsom. Hyundai baseert deze vordering op het als productie 25 ingebrachte rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. 5.
- [bedrijfsnaam] betwist dat zij nieuwe Hyundai voertuigen te koop heeft aangeboden. [bedrijfsnaam] wijst erop dat uit het Hoffmann-rapport blijkt dat [bedrijfsnaam] onderscheid maakt tussen de verkoop van de jonggebruikte auto’s met respectievelijk 1.500 en 10.000 kilometer op de teller, en het leveren van nieuwe Hyundai voertuigen. In de offertes voor het leveren van de nieuwe voertuigen heeft [bedrijfsnaam] vermeld dat zij bereid en in staat is om als gevolmachtigd tussenpersoon voor een opdrachtgever op zoek te gaan naar een nieuw Hyundai-voertuig met de opgegeven specificaties. [bedrijfsnaam] meent op die manier conform artikel L.4.7 te hebben gehandeld. 5.
- De rechtbank overweegt hierover het volgende. [bedrijfsnaam] heeft niet betwist dat de verkoper de namens Hoffmann gestuurde mystery-shopper in de winkel heeft gezegd (zie p. 4 Hoffmann-rapport): “Wij kunnen naast [de jonggebruikte voertuigen] natuurlijk ook nieuwe Hyundai’s leveren. Ik begrijp dat u een nieuwe Hyundai i10 of een i20 wilt kopen. Ik zal voor beide types een offerte voor u maken. Ik zou u adviseren om de Go-types te nemen. Wij hebben eventueel ook de mogelijkheid om te leasen.” Op de offertes die [bedrijfsnaam] op 6 oktober 2016 voor de mystery-shopper heeft opgesteld, staat: “Door ons te leveren nieuwe auto: Hyundai [i10/i20].” De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfsnaam] daarmee bij de klant de indruk wekt dat [bedrijfsnaam] zelf nieuwe Hyundai voertuigen kan leveren. Voor het wegnemen van deze indruk is onvoldoende dat onderaan de offerte, in de voettekst, staat: “Voor nieuwe Hyundai zijn wij niet de verkopende partij.” 5.
- Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat [bedrijfsnaam] artikel L.4.7 inderdaad heeft geschonden, zodat Hyundai belang heeft bij het gevorderde gebod. De rechtbank zal dat gebod daarom toewijzen. Dwangsom 5.
- Om te onderstrepen dat [bedrijfsnaam] zich in de toekomst aan de uit artikel L.4.7 voortvloeiende verplichting dient te houden, zal de rechtbank ook de gevorderde dwangsom toewijzen. Wel zal de rechtbank die beperken tot € 10.000 per overtreding. 6De beslissing De rechtbank in conventie 6.
- wijst de vorderingen af; 6.
- veroordeelt [bedrijfsnaam] in de proceskosten, aan de zijde van Hyundai tot op heden begroot op € 1.086; in reconventie 6.
- veroordeelt [bedrijfsnaam] tot betaling aan Hyundai van € 18.000; 6.
- veroordeelt [bedrijfsnaam] in de proceskosten, aan de zijde van Hyundai tot op heden begroot op € 695; 6.
- gebiedt [bedrijfsnaam] de aan- en verkoop van nieuwe Hyundai voertuigen, alsmede het uitbrengen van offertes voor “door haar te leveren” nieuwe Hyundai voertuigen te staken en gestaakt te houden, tenzij en voor zover [bedrijfsnaam] voor de koper kenbaar optreedt als een door een eindgebruiker gevolmachtigde tussenpersoon waarbij een rechtstreekse contractuele band ontstaat tussen de eindgebruiker en de verkopende Hyundai dealer, hetgeen impliceert: i) dat [bedrijfsnaam] nieuwe Hyundai voertuigen niet mag factureren aan eindgebruikers; en ii) dat [bedrijfsnaam] alleen mag adverteren met niet-nieuwe Hyundai voertuigen die op zodanige wijze zijn gebruikt dat daaraan een economische minderwaarde moet worden toegekend vanwege achteruitgang door gebruik en/of slijtage, waarmee tenminste 1.000 kilometer gereden is, die de kwalificatie ‘occasion’ of ‘gebruikt’ of een vergelijkbare kwalificatie hebben, en ten aanzien waarvan uit eventueel getoonde foto’s duidelijk blijkt welk concreet voertuig met concreet kenteken het betreft op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 per overtreding, waarbij elk voertuig dat in strijd met het voorgaande wordt aangeboden heeft te gelden als een separate overtreding; 6.
- wijst het meer of anders gevorderde af; in conventie en reconventie 6.
- verklaart de onder 6.2, 6.3, 6.4 en 6.5 opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2019.