← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2019:15159

REchtbank DEN Haag Bestuursrecht zaaknummers: SGR 19/3191 SGR 19/3193 uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van [verzoekster 1] Limited, te [vestigingsplaats 1] , (hierna [verzoekster 1] ), [verzoekster 2] N.V., te [vestigingsplaats 2] , (hierna [verzoekster 2] ), (gemachtigden: mr. B. Jongmans en mr. S.M. Andriesse), tegen de raad van bestuur van de kansspelautoriteit, verweerder (gemachtigden: mr. S. van Douwe en mr. I.M. Zuurendonk). Procesverloop Bij besluit van 4 januari 2019 heeft verweerder besloten tot openbaarmaking van het besluit van 4 januari 2019 tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan verzoekers. Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 22 februari 2019 het verzoek tot een voorlopige voorziening afgewezen (zaaknummers SGR 19/284 en SGR 19/286). Bij afzonderlijke boetebesluiten van 7 mei 2019 heeft verweerder het bezwaar van verzoekers gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard. Bij afzonderlijke openbaarmakingsbesluiten van eveneens 7 mei 2019 heeft verweerder besloten tot openbaarmaking van de boetebesluiten van 7 mei

  1. Verzoekers hebben tegen de boetebesluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inzake de openbaarmakingsbesluiten. Verweerder heeft bij e-mailbericht van 22 mei 2019 medegedeeld niet over te gaan tot openbaarmaking van de bestreden besluiten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni
  2. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen
  3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een bezwaarprocedure of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  4. Verweerder heeft verzoekers bij besluit van 4 januari 2019 een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 400.000,-. Voor de betaling zijn verzoekers elk hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Verzoekers hebben via de website [website 1] en [website 2] en ten minste 83 andere gokwebsites in elk geval in de periode van 16 februari 2018 tot en met 26 juli 2018 kansspelen online aangeboden zonder vergunning. Volgens verweerder hebben verzoekers hiermee artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen overtreden.
  5. Bij afzonderlijke boetebesluiten van 7 mei 2019 heeft verweerder het advies van de adviescommissie van 26 april 2019 overgenomen. Op het punt van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de boete is het bezwaar van verzoekers gegrond verklaard. Aan verzoekers is afzonderlijk een boete van € 200.000,- opgelegd. Voor het overige zijn de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard.
  6. Met de afzonderlijke openbaarmakingsbesluiten van 7 mei 2019 heeft verweerder het besluit genomen om de boetebesluiten van 7 mei 2019 openbaar te maken door dit te publiceren op www.kansspelautoriteit.nl. In de openbaar te maken besluiten blijft vermelding van de namen van alle in de zaak betrokken natuurlijke personen achterwege. Dat geldt ook voor de namen van rechtspersonen ten aanzien van wie geen overtreding is vastgesteld en geen boete is opgelegd. Openbaarmaking geschiedt volgens verweerder om consumenten te informeren over de besluiten, vanuit generale en speciale preventie en om transparantie te bieden over het werk van de Kansspelautoriteit. Volgens verweerder is openbaarmaking eens te meer van belang om consumenten op deze manier te behoeden voor het plegen van overtredingen.
  7. Verzoekers kunnen zich niet vinden in de boetebesluiten en daarom ook niet in openbaarmaking daarvan, en voeren daartoe - zakelijk weergegeven – het volgende aan. In het kader van artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten verzoekers zich op deugdelijke wijze kunnen verweren tegen een criminal charge. In dat licht voeren verzoekers aan dat het besluit op bezwaar zodanig is aangepast, dat zij dat besluit beschouwen als een beslissing in primo, waartegen een bezwaarschrift is ingediend. Voorts is van belang dat verzoekers eerst als pleger werden aangemerkt en eerst in bezwaar als medepleger, waarbij aan hen afzonderlijk boetes zijn opgelegd. Ten aanzien van deze wijziging hebben verzoekers zich niet voldoende inhoudelijk kunnen verdedigen. Verzoekers hebben het recht zich hierover in de beroepsprocedure uit te laten. Reeds gelet op vorenstaande dient het besluit op bezwaar niet openbaar te worden gemaakt. Voorts is van belang dat verweerder amper aandacht heeft besteed aan de rol van [verzoekster 1] . Het standpunt van verweerder dat [verzoekster 2] en [verzoekster 1] beide als overtreders moeten worden aangemerkt omdat ze eigenaar dan wel beheerder zouden zijn van 106 websites, volgt niet uit het boeterapport. Enkel wordt vastgesteld dat [verzoekster 1] ten aanzien van een enkele domeinnaam wordt genoemd en wordt [verzoekster 1] aangemerkt als serviceprovider. Daarbij is van belang dat het leveren of organiseren van dergelijke betaaldiensten niet valt onder artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen (Wok), maar onder artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wok. [verzoekster 1] en [verzoekster 2] zijn niet te vereenzelvigen. Zij zijn niet op een gezamenlijk adres gevestigd, zelfs niet in hetzelfde land, zij zijn niet gezamenlijk houder van een vergunning of van een merk en hebben niet dezelfde directors. Nu er volgens verzoekers serieuze bezwaren kleven aan de boetebesluiten van 7 mei 2019, dient geconcludeerd te worden dat dit voldoende reden vormt om deze besluiten gedurende de beroepsprocedure niet openbaar te maken.
  8. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wokis het, behoudens het in Titel Va van deze wet bepaalde, verboden gelegenheid te geven om mede te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing der winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen, tenzij daarvoor ingevolge deze wet vergunning is verleend. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet en gaat het daarbij uit van het algemeen belang van openbaarheid van informatie. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Wob, verschaft het bestuursorgaan dat het rechtstreeks aangaat, uit eigen beweging informatie over het beleid, de voorbereiding en de uitvoering daaronder begrepen, zodra dat in het belang is van een goede en democratische bestuursvoering. Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
  9. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verzoekers door openbaarmaking van de boetebesluiten onevenredig worden benadeeld. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. Het boetebesluit is een bevoegd genomen besluit in het kader van een aan verweerder door de wetgever toegekende taak om toezicht te houden op de naleving van regelgeving en de daarmee samenhangende bevoegdheid om handhavend op te treden tegen overtreding van die regelgeving. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat in het kader van deze toezichthoudende taak boetebesluiten mogen worden gepubliceerd, zodat bekendheid wordt gegeven aan de wijze van uitvoering van deze taak en de consument wordt gewaarschuwd. Artikel 8 van de Wob biedt in het algemeen de basis om boetebesluiten volledig te publiceren. De voorzieningenrechter verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2017:2086). Verder blijkt uit deze uitspraak van de Afdeling dat ook in het geval van een voorgenomen spontane openbaarmaking op basis van artikel 8, eerste lid, van de Wob een nadere afweging van belangen geboden is. Deze nadere afweging houdt in beginsel in dat het algemene belang dat door openbaarmaking wordt gediend, wordt afgewogen tegen het belang van verzoekers geen onevenredig nadeel, bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, te lijden als gevolg van de publicatie, waarbij aan het algemeen belang omwille van een goede en democratische bestuursvoering een groot gewicht wordt toegekend. Van een onevenredige benadeling zal sprake kunnen zijn als het boetebesluit uiteindelijk in rechte geen stand zal kunnen houden en de betrokken rechtspersoon ten onrechte als overtreder is kenbaar gemaakt. Of sprake is van een onevenredige benadeling hangt dan af van een oordeel over de rechtmatigheid van het boetebesluit.
  10. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder voldoende heeft onderbouwd dat zowel [verzoekster 2] als [verzoekster 1] als overtreders van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wok aan te merken zijn, nu zij via de websites [website 1] en [website 2] online kansspelen hebben aangeboden aan spelers die zich in Nederland bevinden, zonder vergunning. Voorts is voldoende onderbouwd dat verzoekers daarbij als pleger dan wel medepleger van de overtreding kunnen worden aangemerkt. Dat [verzoekster 1] heeft gesteld dat zij slechts de rol van serviceprovider heeft, is niet aannemelijk gemaakt. Daarbij is van belang dat [verzoekster 1] als eigenaar van de website [website 1] zelf contracten sluit met betaaldienstverleners en zich in de algemene voorwaarden op de websites [website 1] en [website 2] heeft gepresenteerd als eigenaar. Er is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen reden om aan te nemen dat het boetebesluit geen stand zal houden. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat weliswaar de manier van boeteoplegging in bezwaar is gewijzigd, maar dat de essentie van het primaire besluit bij de heroverweging in bezwaar niet is gewijzigd. De overtreding en het overtrederschap zijn immers in stand gebleven. Ook hierin wordt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen grond gezien om te twijfelen aan de rechtmatigheid van het boetebesluit.
  11. Ten aanzien van de overige door verzoekers opgeworpen gronden, welke in het bezwaarschrift naar voren zijn gebracht, verwijst de voorzieningenrechter naar de voornoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 februari
  12. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de voorzieningenrechter geen grond ziet voor de verwachting dat de boete niet (in essentie) in stand zal blijven. Niet is gebleken dat sprake is van onevenredige benadeling dan wel van feiten en omstandigheden op grond waarvan aanleiding bestond om niet tot openbaarmaking over te gaan. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient daarom te worden afgewezen.
  13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli
  14. griffier voorzieningenrechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.