RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 18/2337, V-nummers: [1] en [2] tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2019 in de zaak tussen [eiseres 1] , de moeder, en [eiseres 2], het kind, gezamenlijk: eiseressen, gemachtigde: mr. J. de Jong, en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, gemachtigde: K. van der Heijden. Procesverloop Bij besluit van 15 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd van eiseressen met terugwerkende kracht tot 1 december 2016 ingetrokken en aan de moeder een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Bij besluit van 5 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen en [de referent] (de referent) tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november
(2009)313) en dat hierin het begrip 'fraude' wordt uitgelegd als "bewust bedrog of bewuste misleiding met als doel om op grond van de richtlijn het recht van vrij verkeer en verblijf te krijgen". De frauduleuze verkrijging kan daarom voortvloeien uit een “opzettelijk handelen”, zoals het geven van een voorstelling van de feiten die niet overeenstemt met de werkelijkheid, of een “opzettelijk nalaten”, zoals het achterhouden van relevante informatie met de bedoeling de toepassingsvoorwaarden van de betrokken regelgeving te ontduiken. In het licht van de rechtspraak van het HvJ moet worden nagegaan of alle bestanddelen van fraude zijn vervuld. 4.6 Allereerst moet vastgesteld worden dat aan het objectieve element is voldaan. In dit verband dient verweerder te beoordelen of eiseressen, met inachtneming van de opzegging van het dienstverband van de referent, op 1 december 2016 voldeden aan de voorwaarden voor verkrijging van het verblijfsrecht, waarbij in dit geval het middelenvereiste ter discussie stond. Op grond van het arrest van het HvJ van 4 maart 2010 (Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117) is in dit kader vereist dat verweerder, naar aanleiding van wat door de vreemdeling naar voren is gebracht, een concrete beoordeling maakt van de situatie waarbij hij alle door of namens de vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden betrekt. 4.7 Het is de rechtbank niet gebleken dat een beoordeling van het objectieve element heeft plaatsgevonden. Alhoewel uit het verslag van het hoorgesprek op 17 augustus 2017 in verband met het voornemen van 29 mei 2017 volgt dat de referent onder meer naar voren heeft gebracht dat hij in het levensonderhoud van eiseressen kan voorzien aangezien hij de beschikking had over een studiefinanciering en hij en eiseressen kosteloos wonen in de woning van de vader van de referent, heeft verweerder niet (kenbaar) getoetst of in dit concrete geval, met inachtneming van deze individuele omstandigheden, werd voldaan aan het middelenvereiste. Verweerder heeft dus niet vastgesteld dat aan het objectieve element is voldaan. Het betreden besluit is daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, zodat het reeds om deze reden niet in stand kan blijven. 4.8 In zijn verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de inkomsten uit studiefinanciering van de referent niet kunnen worden aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van artikel 3.73 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat hierover niet de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen. Verweerder heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU6102) waaruit volgt dat de inkomsten uit studiefinanciering aangemerkt moeten worden als sociale bijstand in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en dus niet als zelfstandige middelen van bestaan. 4.9 De rechtbank begrijpt het betoog van verweerder zo dat hij hiermee alsnog een motivering biedt voor zijn standpunt dat de referent niet aan het middelenvereiste voldeed na het opzeggen van zijn dienstverband en het objectieve element dus is vervuld. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Op grond van de wet van 21 januari 2015 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de introductie van een nieuw stelsel van studiefinanciering in het hoger onderwijs en de uitvoering van een toekomstgerichte onderwijsagenda voor het hoger onderwijs (Wet studievoorschot hoger onderwijs) is de basisbeurs, waarop de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2011 ziet, per 1 september 2015 verdwenen en heeft plaats gemaakt voor een sociale leenvoorziening die de overheid voor alle studenten ter beschikking stelt (Kamerstukken II, 2014–2015, 34 035, nr. 3, p. 2). De referent heeft onweersproken gesteld dat hij geen basisbeurs ontving, maar een basislening zoals bedoeld in de Wet studievoorschot hoger onderwijs. De inkomsten van de referent uit deze vorm van studiefinanciering zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als sociale bijstand in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, zodat verweerder deze ten onrechte niet heeft aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan. Ook met deze aanvullende motivering heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat het objectieve element is vervuld. 4.10 De rechtbank ziet aanleiding om ook in te gaan op verweerders beoordeling van het subjectieve element. In dit kader heeft verweerder zich allereerst op het standpunt gesteld dat de door de referent voorgestelde gang van zaken, te weten de beëindiging van het dienstverband op 30 november 2016 zonder inachtneming van de wettelijke opzegtermijn, niet aannemelijk is. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd dat de referent de vaststellingsovereenkomst tussen hem en zijn werkgever niet eerder heeft toegezonden dan na de ontvangst van het voornemen van 29 mei 2017, dat de wettelijke opzegtermijn niet in acht is genomen en dat in de vaststellingsovereenkomst is vermeld dat het dienstverband wordt beëindigd in verband met een verschil in inzicht, terwijl de referent in het hoorgesprek anders heeft verklaard. 4.11 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de door de referent voorgestelde gang van zaken ten onrechte op basis van de gegeven motivering onaannemelijk geacht. Het enkele feit dat het dienstverband door middel van een vaststellingsovereenkomst is beëindigd, waarbij de wettelijke opzegtermijn niet in acht is genomen en waarin is vermeld dat er sprake is van een verschil van inzicht terwijl dit niet het geval is, is hiertoe onvoldoende grond. De redenen zoals door de referent naar voren gebracht om de wettelijke opzegtermijn niet in acht te nemen, sluiten aan bij zijn verklaringen over zijn keuze om het dienstverband te beëindigen en de wijze waarop dit heeft plaatsgevonden. Verder is het in (standaard) vaststellingsovereenkomsten niet ongebruikelijk om te vermelden dat de reden tot beëindiging is gelegen in een verschil van inzicht met het doel eventuele rechten van de werknemer op grond van de Werkloosheidswet veilig te stellen. De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat dit in deze situatie ook het geval is geweest, te meer nu de referent reeds tijdens het hoorgesprek over de werkelijke reden van beëindiging openheid van zaken heeft gegeven en hij ter zitting heeft verklaard dat zijn werkgever de vaststellingsovereenkomst op het internet heeft opgezocht. Tijdens het gesprek tussen de referent en zijn werkgever op 30 november 2016 werd volgens de referent pas duidelijk dat het dienstverband zou worden beëindigd. Omdat partijen er toen ook meteen van af wilden zijn, is een vaststellingsovereenkomst van het internet gehaald, aldus de referent. Hiernaast kan het enkele feit dat de vaststellingovereenkomst niet aan verweerder is toegezonden naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer leiden tot twijfel aan de juistheid van de verklaring over de gang van zaken. 4.12 Verweerder heeft zich ten tweede op het standpunt gesteld dat, als al uitgegaan zou moeten worden van de door referent voorgestelde gang van zaken, het vermoeden gerechtvaardigd is dat de referent ruim voor de afgifte van de mvv’s wist dat hij op korte termijn zijn dienstverband zou beëindigen, dat hij wist dat hij daarna niet meer zou voldoen aan de voorwaarden op grond waarvan de mvv’s zouden worden verleend en alles erop duidt dat hij zijn dienstverband bewust heeft laten doorlopen tot 30 november 2016, de datum waarop de mvv’s zijn afgegeven. 4.13 Verweerder heeft zijn standpunt blijkens de motivering in het bestreden besluit uitsluitend gebaseerd op de verklaring van de referent dat hij kort na de aanvang van zijn dienstverband merkte dat de combinatie met zijn studie te zwaar was en dat hij half november 2016 een gesprek heeft gehad met zijn werkgever om de situatie te bespreken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van deze enkele verklaring niet zonder meer kunnen concluderen dat de referent langere tijd welbewust het dienstverband heeft aangehouden en zijn voornemen tot beëindiging hiervan heeft achtergehouden met het enige doel om eiseressen een verblijfsrecht te doen verkrijgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gezien het voorgaande, onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat het subjectieve element van de vermeende frauduleuze handeling is vervuld.
- Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eiseressen is gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. 6.1 Op grond van artikel 8:41a van de Awb beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van deze wet kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. 6.2 De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen door een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij dient verweerder, voor zover hij de intrekking van de verblijfsvergunningen en het inreisverbod wenst te handhaven, in ieder geval deugdelijk te motiveren op basis waarvan hij zich op het standpunt stelt dat met betrekking tot de opzegging van het dienstverband van de referent zowel het objectieve als het subjectieve element van fraude is vervuld. Vervolgens dient verweerder, anders dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, (kenbaar) te beoordelen of eiseressen ten tijde van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar alsnog voldoen aan het middelenvereiste. Het betoog van verweerder dat er geen aanleiding is om te beoordelen of de referent ten tijde van het bestreden besluit voldoet aan het middelenvereiste omdat de verleende verblijfsvergunning is ingetrokken omdat deze was verkregen vanwege het achterhouden van informatie en dat deze daarom nooit had mogen worden verleend, volgt de rechtbank niet omdat dit naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar is met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ, bijvoorbeeld het in 4.6 genoemde arrest van 4 maart 2010, is gezinshereniging de algemene regel en mag geen afbreuk worden gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging, en aan het nuttig effect daarvan. Uit de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt verder dat, kort gezegd, een verblijfstitel moet worden toegekend indien wordt voldaan aan de in de Gezinsherenigingsrichtlijn genoemde vereisten. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat, indien een verblijfsvergunning voor gezinshereniging wordt ingetrokken in verband met fraude in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, tevens moet worden beoordeeld of de vreemdeling ten tijde van de intrekking dan wel de heroverweging daarvan in bezwaar (wel) aan de vereisten voor een verblijfstitel voldoet. Dit komt bovendien overeen met de volledige heroverweging die in bezwaar plaats dient te vinden. Bij het herstellen van de gebreken dient verweerder bovendien op basis van de huidige feiten en omstandigheden een nieuwe belangenafweging te maken in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hierbij dient verweerder ook, explicieter dan in het bestreden besluit is gebeurd, in te gaan op de belangen van het kind. 6.3 De rechtbank constateert verder dat de Afdeling in de uitspraak van 20 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2492) prejudiciële vragen heeft gesteld. Hierin is onder meer gevraagd of artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn zo moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de intrekking van een in het kader van deze richtlijn verleende verblijfstitel indien aan die verkrijging frauduleuze gegevens ten grondslag liggen, terwijl het gezinslid niet wist van het frauduleuze karakter van die gegevens. In het onderhavige geval was het kind ten tijde van het opzeggen van het dienstverband zes jaar oud. De rechtbank acht het daarom zeer waarschijnlijk dat zij van de opzegging niet op de hoogte was, laat staan van het feit dat deze informatie niet was gedeeld met verweerder. Indien verweerder besluit de gebreken in het bestreden besluit te herstellen, dient hij ook hierop in te gaan. 6.4 De rechtbank acht voor het herstellen van het gebrek in het bestreden besluit een termijn van zes weken redelijk. 6.5 Indien verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, verzoekt de rechtbank hem dat binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken. De rechtbank zal dan het onderzoek sluiten en een einduitspraak doen. 6.6 Als verweerder het gebrek wel herstelt, zal de rechtbank na ontvangst van verweerders reactie bepalen hoe het beroep verder wordt behandeld en partijen daarover informeren. 6.7 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Beslissing De rechtbank: - stelt verweerder in de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak te herstellen met inachtneming van deze uitspraak; - verzoekt verweerder, indien hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dit binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.F. Smulders, in aanwezigheid van mr. S. van der Hell, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 januari
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.