RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL18.23169 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] eiser (gemachtigde: mr. E.S. van Aken), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 3 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.23170, plaatsgevonden op 24 januari
- Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- Eiser is een alleenstaande man van Algerijnse nationaliteit, geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 16 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.
- Ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat eiser via dat land de Europese Unie is binnengekomen. Nederland heeft dan ook bij Italië een verzoek om overname gedaan. Met het claimakkoord van 26 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.
- Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake zou zijn van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
- De rechtbank overweegt dat de rapportages van internationale organisaties die eiser in de besluitvormingsfase heeft overgelegd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) betrokken zijn in de uitspraken van 10 oktober 2018 en 19 december
- De Afdeling heeft daarin geconcludeerd dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog steeds kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is daarom de vraag of uit het gezamenlijke rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council van 12 december 2018, waarnaar ter zitting is verwezen, een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hiervan niet gebleken is, zodat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgegaan.
- Verder zijn er geen aanvullende garanties van de Italiaanse autoriteiten nodig, omdat niet is aangetoond dat eiser een kwetsbaar persoon is.
- Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier, op 24 januari
- Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. ECLI:NL:RVS:2018:3246 ECLI:NL:RVS:2018:4131 Verordening (EU) nr. 604/2013