Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd & Bopz Zaaksgegevens: C/09/563795 / JE RK 18-2538 Datum uitspraak: 14 januari 2019 (bij vervroeging) Beschikking van de kinderrechter Verzoek tot vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing en vaststellen regeling in de zaak naar aanleiding van de op 22 november 2018 en 28 december 2018 ingekomen verzoeken van: [verzoekster] , de moeder, wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. M.P. Smit te Almelo, betreffende: - [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2017 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling). Het procesverloop Bij beschikking van 20 november 2018 van de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam is de zaak verwezen naar de rechtbank Den Haag. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:- voornoemde beschikking van 20 november 2018; - de verzoeken (inclusief de bijlagen);- het verweerschrift van de gecertificeerde instelling (inclusief de bijlagen). Op 7 januari 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen: - mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling; - de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.P. Smit;- de heer [A] partner van de moeder en tevens de biologische vader van [minderjarige] ;- mevrouw [B] , namens Stichting Opkomst voor het Kind, ter ondersteuning van de moeder. Feiten - De moeder is belast met het ouderlijk gezag. - [minderjarige] verblijft feitelijk in een pleeggezin. - De kinderrechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 30 april 2018 [minderjarige] onder toezicht gesteld van 30 april 2018 tot 30 april 2019, alsmede voor dezelfde periode een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. - De gecertificeerde instelling heeft de moeder op 15 oktober 2018 een e-mail gestuurd met een bezoekregeling voor de periode van oktober tot en met december 2018.- Voorts heeft de gecertificeerde instelling de moeder op 3 december 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven, ertoe strekkende dat de moeder één keer per week één uur begeleid contact heeft met [minderjarige] . De data, de locatie en de naam van degene die de bezoeken begeleidt, worden iedere maand door de jeugdzorgwerker aan de ouders toegezonden. Verzoeken en verweer De verzoeken De verzoeken strekken ertoe om zowel de e-mail van 15 oktober 2018, die volgens de moeder dient te worden aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing, als de schriftelijke aanwijzing van 3 december 2018 vervallen te verklaren en om een regeling vast te stellen bestaande uit één keer per week gedurende twee uur begeleid contact tussen [minderjarige] en de moeder, met uitbreiding naar onbegeleid verlof bij de moeder thuis, dan wel een door de kinderrechter in goede justitie te bepalen omgangsregeling, met veroordeling van de gecertificeerde instelling in de proceskosten. De moeder heeft het volgende aan de verzoeken ten grondslag gelegd. De moeder heeft op het punt van de ontvankelijkheid van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 3 december 2018 aangevoerd dat geen sprake is van overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzoek omdat de moeder redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest, aangezien de schriftelijke aanwijzing haar pas op 27 december 2018 is toegezonden. Voorts stelt de moeder dat de e-mail van 15 oktober 2018 dient te worden aangemerkt als een schriftelijke aanwijzing, omdat de e-mail is gestuurd naar aanleiding van een verzoek van de moeder tot uitbreiding van de contacten en een dwingend karakter heeft. De moeder stelt voorts dat beide schriftelijke aanwijzingen onvoldoende zijn gemotiveerd. De moeder ontkent dat [minderjarige] de huidige omgangsregeling niet goed aankan. Het is in het belang van [minderjarige] dat de moeder langer dan één uur omgang met hem kan hebben om in ieder geval een reële band met hem op te kunnen bouwen. De moeder heeft sinds19 september 2018 een eigen woonruimte. De mogelijkheden voor uitbreiding van de contacten zijn daarom verbeterd en er kan worden gestart met een gezinsopname. Het gezag van de moeder dient te worden gerespecteerd en de gezinsband tussen de moeder en [minderjarige] dient te worden bevorderd. Mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] is al de vierde jeugdbeschermer. De eerste jeugdbeschermer was gestart met uitbreiding van de contacten, maar dat traject is door de daaropvolgende jeugdbeschermers teruggedraaid. De gecertificeerde instelling is daarvoor door de rechtbank op de vingers getikt. Er is niets van de grond gekomen, terwijl de moeder zich binnen een jaar omhoog heeft gewerkt. Voor de moeder dient duidelijk te zijn wat er van haar verlangd wordt. Er worden door de gecertificeerde instelling weinig feiten naar voren gebracht die rechtvaardigen dat de contacten niet verder worden uitgebreid. Het netwerk van de moeder is uitgebreid en er is een beschermingsbewindvoerder. De gecertificeerde instelling Namens de gecertificeerde instelling is bepleit het verzoek af te wijzen. De gecertificeerde instelling heeft daar het volgende aan ten grondslag gelegd. Er is op dit moment nog onvoldoende informatie beschikbaar over de opvoedkwaliteiten van de ouders. Om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen garanderen, is het daarom nog noodzakelijk dat de contacten begeleid blijven. Het is van belang dat de ouders laten zien dat zij vooruitgang boeken. De aanvaardbare termijn is inmiddels verstreken en daarom moet er snel duidelijkheid komen over het perspectief. De ouders zijn aangemeld voor een gezinsopname bij Yulius en Horizon. Eén uur begeleid contact is op dit moment het maximaal haalbare voor [minderjarige] . Hij huilt veel tijdens en na de bezoeken. De ouders willen hem tijdens de bezoeken graag zien en vasthouden. Hoewel dat begrijpelijk is, is dat voor [minderjarige] zwaar. De feedback die tijdens de bezoekmomenten wordt gegeven, wordt door de ouders wel opgepakt. Beoordeling Ontvankelijkheid Blijkens het bepaalde in art. 1:264, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) bedraagt de termijn voor het indienen van het verzoek tot vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing twee weken en vangt het aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt. Blijkens het bepaalde in het vierde lid blijft ten aanzien van een na afloop van die termijn ingediend verzoek niet-ontvankelijkverklaring achterwege indien de verzoeker redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden in verzuim te zijn geweest. De kinderrechter overweegt dat de e-mail is gedateerd op 15 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.