RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.1816 V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. van Leeuwe-Hokke). Procesverloop Bij besluit van 23 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke zij mede namens haar twee minderjarige kinderen heeft ingediend, niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL19.1817, plaatsgevonden op 7 maart 2019. Gemachtigde en eiseres zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiseres is van Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiseres heeft eerder, op 26 juni 2015 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 21 januari 2016 is deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Bij uitspraak van 11 februari 2016, heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, het beroep ongegrond verklaard (NL16.111). Eiseres heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld. 2. Op 27 december 2018 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag wederom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Wat zij daartoe heeft aangevoerd, wordt hierna beoordeeld. 4. Eiseres heeft ten eerste aangevoerd dat er sprake is van een gewijzigde situatie, omdat haar verblijfsvergunning in Griekenland op 5 maart 2018 is verlopen, en de Griekse autoriteiten geen uitsluitsel hebben gegeven over de geldigheid van haar verblijfsstatus. De rechtbank oordeelt hierover als volgt. 5. Uit de stukken blijkt dat verweerder op 22 november 2018 de Griekse autoriteiten heeft aangeschreven. Daarin is geïnformeerd naar de verblijfsstatus van eiseres en haar minderjarige kinderen in Griekenland en is ook de vraag voorgelegd of het haar is toegestaan om Griekenland opnieuw in te reizen. De Griekse autoriteiten hebben op 2 december 2018 het volgende meegedeeld: “ We would like to inform you that we accept their return to Greece according to the Article 6 of the Directive 2008/115/E.C., since the above-mentioned persons on 05-03-2015 were granted a refugee status in Greece and relevant residence permits.” 6. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie van de Griekse autoriteiten voldoende duidelijk en actueel is. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op grond van deze informatie ervan uit mag gaan dat eiseres bij terugkeer naar Griekenland nog steeds internationale bescherming geniet. De rechtbank wijst in dit verband nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juni 2018 , waarin is bepaald dat een verlopen einddatum op een verblijfsdocument niet betekent dat de toegekende status is komen te vervallen. 7. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat ze in Griekenland geen veilige omgeving zal hebben, nu haar (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.