Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige strafkamer Parketnummer: 09/842333-18 Datum uitspraak: 28 maart 2019 Tegenspraak (Promisvonnis) De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [Verdachte] , geboren op [Geboortedatum] 1984 te [Geboorteplaats] , thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [Adres PI] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 januari 2019 (pro forma) en 14 maart 2019 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.A.C. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.V. van der Bom naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
(1500)als ze dat niet doen dan ga ik [Bijnaam 3] zeggen. Ik heb twee keuzes, ik zal zijn naam noemen maar dat ga ik niet doen. Als hij een man is wat hij mij heeft aangedaan, als ie een man is, gewoon elke maand vijftienhonderd geven dan klaar.” Verklaringen van [Medeverdachte] Op 17 oktober 2018 heeft [Medeverdachte] bij de politie verklaard dat zijn (ex-)vriendin [Naam 3] (de rechtbank begrijpt: [Naam 3] ) heet. Hij heeft verklaard dat hij wapens en drugs in de woning van [Naam 3] bewaarde voor iemand anders. Dat deed hij al ongeveer 3 maanden. Hij vindt dat hij “stom” is geweest om die persoon er niet op te wijzen dat hij het moest komen ophalen. Op 18 oktober 2018 heeft hij verklaard dat de drugs in het Minion tasje, het vuurwapen aan de badkamerdeur en de stengun van die andere persoon waren. Die persoon had hem gevraagd die spullen te bewaren. De pillen en bolletjes bruin poeder waren van [Medeverdachte] zelf. Voorts heeft [Medeverdachte] verklaard dat hij kort na de aanhouding van [Verdachte] naar diens vriendin heeft gebeld. Verklaringen van [Verdachte] Ter terechtzitting van 14 maart 2019 heeft [Verdachte] verklaard dat hij [Medeverdachte] kent en dat ze in dezelfde buurt zijn opgegroeid, dat [Naam 4] zijn vriendin is en “ [Bijnaam 3] ” wordt genoemd, dat hij bij haar verbleef in de woning aan de [Adres 2] , en dat hij ook wel “ [Bijnaam 1] ” wordt genoemd. Voorts heeft hij verklaard dat hij de twee paspoorten die in de woning aan de [Adres 2] zijn aangetroffen, waarschijnlijk van iemand heeft gekregen. Oordeel van de rechtbank Pistool, stengun, munitie en cocaïne in de woning aan het [Adres 1] Uit de verklaringen van [Medeverdachte] blijkt dat hij voor een derde op diens verzoek wapens, munitie en cocaïne in de woning van zijn (ex-)vriendin bewaarde, en dat hij wilde dat die derde die goederen daar kwam ophalen. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de beschikkingsmacht over die goederen niet alleen lag bij [Medeverdachte] , maar ook bij die derde. Immers had [Medeverdachte] die goederen in bewaring op verzoek van die derde, en had die derde dus via [Medeverdachte] toegang tot die goederen. Er was daarmee sprake van het in vereniging voorhanden hebben van die wapens en munitie en van het in vereniging aanwezig hebben van die cocaïne. Was de verdachte de derde? Uit de hiervoor weergegeven OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [Medeverdachte] daarin spreekt over iemand door wie hij in de problemen is beland. Oftewel: de derde voor wie hij de wapens, munitie en cocaïne in bewaring had. Over die derde zegt [Medeverdachte] in die gesprekken dat hij hem is tegengekomen toen hij vast zat. Ook zou die derde verwikkeld zijn in een strafzaak op basis van een anonieme tip, en is bij hem niets aangetroffen. Dit past naar het oordeel van de rechtbank bij de verdachte, immers zaten hij en [Medeverdachte] aanvankelijk tegelijk vast op het hoofdbureau van de politie in Den Haag direct na hun aanhouding. Ook is onderhavige strafzaak gestart op basis van (anonieme) TCI-informatie en zijn er door de politie bij de verdachte geen wapens of drugs aangetroffen. Verder leidt de rechtbank uit de OVC-gesprekken af dat [Medeverdachte] wilde dat die derde de vriendin van [Medeverdachte] maandelijks zou betalen voor het door [Medeverdachte] op zich nemen van de schuld en het ondergaan van een straf. Deze boodschap moest aan “ [Bijnaam 3] ” worden medegedeeld. Ook daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank een verband met de verdachte, omdat zijn vriendin ook wel “ [Bijnaam 3] ” wordt genoemd, welke namen (fonetisch) overeenkomen. Voorts verwijst [Medeverdachte] in de OVC-gesprekken naar “ [Bijnaam 1] ”, wat de bijnaam van de verdachte is. Tot slot is van belang dat [Medeverdachte] binnen een uur na de aanhouding van de verdachte en binnen een half uur na de doorzoeking van de woning aan het [Adres 1] heeft gebeld naar diens vriendin, waarbij hij de naam “ [Bijnaam 1] ” heeft genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit al die omstandigheden in onderlinge samenhang bezien dat de verdachte de derde was voor wie [Medeverdachte] de wapens, munitie en cocaïne in bewaring had. MDMA De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor betrokkenheid van de verdachte bij bezit van MDMA. Daartoe is redengevend dat [Medeverdachte] heeft verklaard dat sommige substanties en pillen die in de woning van zijn (ex-) vriendin zijn aangetroffen van hem waren en andere van een derde. Echter, de processen-verbaal omtrent de identificatie van de drugs zijn te onduidelijk om onderscheid te kunnen maken tussen de goederen die beweerdelijk van [Medeverdachte] waren en die volgens hem van een derde waren (uitgezonderd de cocaïne in de Minion rugzak). Dat maakt dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de goederen die [Medeverdachte] heeft aangewezen als van een derde daadwerkelijk MDMA hebben bevat. Ook andere bewijsmiddelen die kunnen wijzen op betrokkenheid van de verdachte bij bezit van MDMA ontbreken, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Paspoorten De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden dat de paspoorten niet op naam van de verdachte stonden, wat hij moet hebben gezien toen hij ze in handen kreeg, terwijl hij verder niets heeft kunnen verklaren over de verkrijging van die paspoorten, maken dat hij op dat moment moet hebben geweten dat die paspoorten van misdrijf afkomstig waren. Overige wapens en munitie Overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het voorhanden hebben van een Browning pistool en 86 .22 LR patronen munitie. Deze zijn in de woning van [Medeverdachte] aangetroffen, terwijl het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat voor betrokkenheid van de verdachte daarbij. Conclusie Gelet op voornoemde bewijsmiddelen en overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard, zoals dat onder 5.4 zal worden weergegeven. 5.4 De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
- hij op 16 oktober 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging voorhanden heeft gehad: - een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een stengun, van een onbekend merk en type, kaliber 9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren en - een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, merk: IMI, type: Jericho 941, kaliber: 9x19mm en - 30 stuks pistoolmunitie, kaliber: 9x19mm en 1 stuks pistoolmunitie, kaliber: 6.35mm en 39 stuks revolvermunitie, kaliber: .38 special en 7 stuks revolvermunitie, kaliber: 357 magnum
- hij op 16 oktober 2018 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 500 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
- hij op 16 oktober 2018 te ’s-Gravenhage goederen te weten een Frans paspoort, documentnummer: [Nummer] , op naam van: [Naam 1] en een Nederlands paspoort, documentnummer: [Nummer] , op naam van: [Naam 2] , heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 6De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 7De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 8De strafoplegging 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de straf voor feit 3 niet hoger dient te zijn dan het voorarrest en dat de verdachte bij uitspraak in vrijheid dient te worden gesteld. Subsidiair heeft hij zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 op het standpunt gesteld dat aansluiting dient te worden gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een pistool, een automatisch vuurwapen, bijbehorende munitie, en een halve kilo cocaïne. Deze goederen zijn op verzoek van de verdachte door zijn mededader verborgen in de woning van diens (ex-)vriendin. Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van twee gestolen paspoorten. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie leidt veelal tot het plegen van ernstige geweldsdelicten, terwijl harddrugs een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Juist de combinatie van harddrugs en (automatische) vuurwapens lijkt, zo leert de ervaring, te passen bij drugshandel. Die handel leidt tot veel overlast en criminaliteit – mede gezien de grote financiële belangen die daarmee zijn gemoeid –, waarbij het gebruik van vuurwapens niet wordt geschuwd. Bezien tegen die achtergrond acht de rechtbank de bewezen verklaarde feiten zeer zorgelijk. De rechtbank rekent het de verdachte daarbij zwaar aan dat hij een ander daarin heeft meegetrokken, terwijl hijzelf op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie op naam van de verdachte van 10 januari 2019, waaruit blijkt dat hij in 2016 nog is veroordeeld voor verboden wapenbezit en daarvoor 9 maanden gevangenisstraf heeft gekregen. Kennelijk heeft deze veroordeling hem niet weerhouden van de onderhavige feiten. De rechtbank weegt dit dan ook mee in het nadeel van de verdachte. Gelet op de ernst van de feiten kan niet worden volstaan met een andere straf dan onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de duur daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de Landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Zij ziet echter in voornoemde omstandigheden aanleiding een fors hogere straf op te leggen dan als uitgangspunt in die oriëntatiepunten is vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. 9De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf is gegrond op de artikelen: - 47, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht; - 2 en 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I; - 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde. 10De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 1: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van feit 3: opzetheling, meermalen gepleegd; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit vonnis is gewezen door mr. B.W. Mulder, voorzitter, mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, rechter, mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart
- Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal uit onderzoek [Onderzoeksnaam] met het nummer [Nummer] , van de districtsrecherche Den Haag-Zuid: - Einddossier (doorgenummerd p. 1 t/m 109) (hierna: ED); - Verdachtenblad 1.1 [Verdachte] (doorgenummerd p. 1 t/m 98) (hierna: VD1.1); - Verdachtenblad 1.2 [Medeverdachte] (doorgenummerd p. 1 t/m 34) (hierna: VD1.2); - Zaaksdossier 2.1 (doorgenummerd p 1 t/m 18)(hierna: ZD2.1); - Zaaksdossier 2.2.(doorgenummerd p. 1 t/m 45)(hierna: ZD2.2); - Zaaksdossier 2.3 (doorgenummerd p. 1 t/m 9)(hierna: ZD2.3); - Zaaksdossier 2.5 (doorgenummerd p. 1 t/m 39)(hierna: ZD2.5); - Zaaksdossier 2.6 (doorgenummerd p. 1 t/m 10)(hierna: ZD2.6); - Zaaksdossier 2.7 (doorgenummerd p. 1 t/m 3)(hierna: ZD2.7); - Zaaksdossier 2.8 (doorgenummerd p. 1 t/m 17)(hierna: ZD2.8). Proces-verbaal van binnentreden in woning, p. 35 en 36 (VD1.2). Proces-verbaal, p. 1 t/m 8 (ZD2.1). Proces-verbaal, p. 10 en 113 (ZD2.1). Proces-verbaal, p. 10 (ZD2.2); NFI rapport, p. 22 (ZD2.2). Proces-verbaal van binnentreden in woning, p. 27 (ZD1.1). Proces-verbaal van bevindingen, p. 3, 8 en 10 (ZD2.6). Proces-verbaal van aangifte, p. 4 en 5 (ZD2.4). Proces-vervaal bevindingen connectie [Bijnaam 1] en anno, p. 100 en 101 (ED). Proces-verbaal van aanhouding, p. 5 (VD1.1). Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en 111 (VD1.2). Proces-verbaal van bevindingen, p. 110 en 111 (VD1.2). Proces-verbaal van bevindingen, p. 111 en 113 (ZD1.2). Proces-verbaal van bevindingen, p. 113 (ZD1.2). Proces-verbaal van bevindingen, p. 114 (ZD1.2). Proces-verbaal van bevindingen, p. 122 (ZD1.2). Proces-verbaal van verhoor verdachte [Medeverdachte] , p. 19 en 21 (VD1.2). Proces-verbaal van verhoor verdachte [Medeverdachte] , p. 25 en 26 (VD1.2). Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 14 maart
- Proces-verbaal van bevindingen omtrent OVC [Medeverdachte] , p. 119 (ZD1.2).