RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL19.2246 V-nummer: [nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser (gemachtigde: mr. F.A. van den Berg), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen). Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2247, plaatsgevonden op 28 februari
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en van Ghanese nationaliteit te zijn. Hij heeft op 14 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.
- Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw niet in behandeling genomen omdat Italië op grond van de Dublinverordening in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, omdat hij op 8 mei 2017 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Met het claimakkoord van 20 november 2018 hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd om eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen met de inachtneming van de Europese asielrichtlijnen.
- Op hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. De rechtbank oordeelt als volgt.
- Niet in geschil dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag.
- Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt, onder verwijzing naar het update AIDA rapport van 21 maart 2018, een rapportage van Médecins Sans Frontieres (MSF) van februari 2018 (pagina 25), een artikel van IRIN News van 7 december 2018, het gezamenlijke rapport van de Danish Refugee Council (DRC) en de Swiss Refugee Council (SFH) van 12 december 2018 "Mutual trust is not enough" en het Salvini-decreet, dat er in Italië sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt dat hij een kwetsbaar persoon is, zodat er aanvullende garanties nodig zijn.
- De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 19 december 2018 en laatstelijk nog op 29 januari 2019 heeft uitgesproken dat ten aanzien van Italië ondanks het Salvini-decreet nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft bij dit oordeel vele rapportages van internationale organisaties betrokken, waaronder het AIDA rapport van 21 maart 2018 en de rapportage MSF van februari
- Het is daarom de vraag of uit het gezamenlijke rapport van de DRC en de SFH van 12 december 2018 een wezenlijk ander beeld naar voren komt. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hiervan niet gebleken is, zodat verweerder nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Bovendien heeft voornoemd gezamenlijk rapport alleen betrekking op bijzonder kwetsbare asielzoekers, terwijl niet is aangetoond dat eiser een kwetsbaar persoon is. De enkele verwijzing ter zitting naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 18 oktober 2018 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 6 februari 2019, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
- Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000 Verordening (EU) nr. 604/2013 ECLI:NL:RVS:2018:4131 ECLI:NL:RVS:2019:277 ECLI:NL:RBDHA:2018:12420 ECLI:NL:RBNHO:2019:979