Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/570413 / KG ZA 19-282 Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter zitting van 5 april 2019 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [locatie] , eiser, advocaat mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN, (ministerie van Justitie en Veiligheid), zetelend te Den Haag, gedaagde, advocaten mrs. B. Pasztjerik en G.C. Nieuwland te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ' [eiser] ' en 'de Staat'. Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door J.W. van Leeuwen, griffier. Verschenen zijn: - [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat; - de advocaten van de Staat. Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ('Rv') mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt. 1De gronden van de beslissing 1.1. [eiser] is bij arrest van het gerechtshof Den Bosch van 27 februari 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens openlijke geweldpleging tegen personen en wederspannigheid. De Hoge Raad heeft op 18 december 2018 het door [eiser] tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. 1.2. Vervolgens is tegen [eiser] een arrestatiebevel uitgevaardigd, waarna hij op 22 februari 2019 is gearresteerd door een politieagent in burger. Sinds 23 februari 2019 bevindt [eiser] zich in detentie in de penitentiaire inrichting te [locatie] . 1.3. Tussen partijen is in geschil of [eiser] op 22 januari 2019 mocht worden aangehouden in verband met de tenuitvoerlegging van de zes maanden gevangenisstraf die het gerechtshof Den Bosch hem heeft opgelegd, waarna hij vervolgens in verband daarmee is gedetineerd in een penitentiaire inrichting. 1.4. [eiser] vordert in deze procedure - zakelijk weergegeven - dat het de Staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom, wordt verboden hem thans, dan wel de komende periode, de gevangenisstraf te laten ondergaan. De Staat voert gemotiveerd verweer tegen het gevorderde. 1.5. Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Daartoe is het volgende redengevend. 1.6. [eiser] heeft op goede gronden niet de status van zelfmelder verkregen. Blijkens Bijlage 1 van de Aanwijzing executie komt een veroordeelde - onder meer - niet in aanmerking voor de status van zelfmelder indien hij geen BRP-adres heeft. Vaststaat dat [eiser] daarover niet beschikt. De oorzaak daarvan behoort in zijn rechtsverhouding tot de Staat geheel voor rekening en risico van [eiser] te komen. Het ligt op zijn weg om er voor te zorgen dat hij een (geldig) BRP-adres heeft. Nu [eiser] dus terecht de status van zelfmelder is onthouden, was de Staat gehouden een arrestatiebevel uit te vaardigen tegen [eiser] . Dit is ook gebeurd, zodat [eiser] mocht worden aangehouden met het oog op de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf. 1.7. Aan de stelling van [eiser] dat bij hem op grond van afspraken met wijkagent [A] het gerechtvaardigd vertrouwen was ontstaan dat de gevangenisstraf vooralsnog niet zou worden geëxecuteerd wordt voorbijgegaan. Volgens [eiser] blijkt die afspraak uit een door die wijkagent opgemaakt mutatierapport van 21 februari 2019. Uit dat rapport kan de door [eiser] gestelde toezegging echter niet worden afgeleid. Daaruit blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.