vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel Vonnis van 8 mei 2019 in zaak C/09/437955 / HA ZA 2013-210 van 1FKP SOJUZPLODOIMPORT, te Moskou, Russische Federatie, 2. FGUP VO SOJUZPLODOIMPORT, te Moskou, Russische Federatie, eiseressen in conventie, verweersters in reconventie, verweersters in het exhibitie incident procesadvocaat: mr. J.A. Dullaart, tegen 1SPIRITS INTERNATIONAL B.V., voorheen te Rotterdam, thans te Luxemburg, 2. SPIRITS PRODUCT INTELLECTUAL PROPERTY B.V., voorheen te Delft, thans te Luxemburg, 3. S.P.I. SPIRITS (CYPRUS) LIMITED, te Limassol, Cyprus, 4. ZAO SOJUZPLODIMPORT, te Moskou, Russische Federatie gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie, eiseressen in het exhibitie-incident procesadvocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, Eiseressen in conventie blijven tezamen aangeduid als FKP cs en ieder apart als FKP en FGUP. Gedaagden in conventie tezamen blijven aangeduid als Spirits cs en ieder apart als Spirits International, Spirits Product, Spirits Cyprus en ZAO. Spirits International en Spirits Product blijven gezamenlijk aangeduid als Spirits IntPro. Spirits Product en Spirits Cyprus blijven gezamenlijk aangeduid als Spirits ProCy. De rechtbank zal in dit vonnis dezelfde definities hanteren als in het tussenvonnis van 17 mei 2017 (hierna: het mei 2017 tussenvonnis). De zaak is inhoudelijk behandeld voor FKP cs door mrs. J.C.H. van Manen en L.E. Fresco, en (vanaf het pleidooi in dit incident) voor Spirits cs door mrs. B.J. Berghuis van Woortman en P.L. Tjiam, allen advocaat te Amsterdam. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 17 mei 2017 (hierna: het mei 2017 tussenvonnis) en de daarin genoemde processtukken; het tussenvonnis van 30 augustus 2017, waarin het verzoek van Spirits cs om tussentijds appèl open te stellen, is afgewezen; de akte uitlaten, tevens verzoek heroverweging, tevens wijziging (grondslag van) eis, tevens overlegging aanvullende producties van FKP cs van 4 oktober 2017 met producties 262 t/m 276; de akte uitlating, tevens incidentele vordering ex artikel 843a Rv, tevens overlegging van producties en verzoek tot heroverweging van Spirits cs van 28 februari 2018, met producties 282 t/m 326; de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv en antwoordakte verzoek heroverweging van FKP cs van 4 april 2018; de rolbeslissing van 14 november 2018; de op het pleidooi in het incident (op 28 maart 2019) genomen akte wijziging/vermeerdering van eis in het incident en overlegging aanvullende producties van Spirit cs, met producties 327 t/m 339; de op het pleidooi in het incident genomen aktes houdende overlegging aanvullende producties in het incident ex artikel 843a Rv van FKP cs, met producties 277 t/m 284, producties in het incident ex artikel 843a Rv van FKP cs, met producties 285 t/m 287, 288 en 289 en 290 t/m 295. 1.2. In aanloop naar de datum waarop het pleidooi in het incident oorspronkelijk was bepaald, 9 november 2018, is zijdens Spirits cs een akte wijziging van eis in het incident overlegging aanvullende producties 327-341 aan de rechtbank en FKP cs toegezonden (hierna: de akte van 9 november 2018). Nadat FKP cs bezwaar hadden gemaakt tegen het alsnog accepteren van deze akte, hebben Spirits cs in samenspraak met FKP cs de rechtbank na het pleidooi bij brief van 2 mei 2019 bericht dat zij akte van 9 november 2018 intrekken, waardoor de daarbij gevoegde producties vervallen, met inachtneming van twee punten. Deze punten staan in de brief van 2 mei 2019, die tot de processtukken behoort. 1.3. Partijen hebben hun standpunten in het exhibitie-incident mondeling bepleit tijdens het pleidooi in het incident op 28 maart 2019. De pleitnotities behoren tot de processtukken. Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan de opmerkingen van partijen in de voetnoten in hun pleitnota’s, voor zover deze meer inhouden dan een bronvermelding of citaat, aangezien deze opmerkingen niet ter zitting zijn gemaakt en de wederpartij daarop niet heeft kunnen reageren. In overleg met partijen is een proces-verbaal opgemaakt van het pleidooi in het incident. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken voor zover dit proces-verbaal buiten hun aanwezigheid is opgesteld. Zij hebben daar geen gebruik van gemaakt. 1.4. Tot slot is een datum voor het wijzen van vonnis in het incident bepaald. 2Het geschil in het incident 2.1. Spirits cs vorderen – zakelijk weergegeven en na wijziging van eis – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard incidenteel vonnis: I FKP cs te gebieden om binnen vier weken na betekening van het vonnis in het incident aan Spirits cs afschrift en uittreksel van, dan wel inzage in alle stukken te verlenen uit de volgende – in de akte houdende eiswijziging – nader gespecificeerde categorieën, in het bijzonder: 1. de in de Russische strafrechtelijke procedure in beslag genomen documenten, althans (subsidiair) alle stukken die worden genoemd in de brieven van 6 en 7 augustus 2009 aan FGUP, respectievelijk het Russische Ministerie van Landbouw; 2. de maandelijkse verslagen naar aanleiding van het bevel van Poetin; 3. documenten betreffende de interdepartementale werkgroep; 4. documenten uit het geheime archief; 5. documenten betreffende de aanspraak van VAO op de merken; 6. documenten betreffende de inspanningen van de Russische Federatie om de merken opnieuw te registreren; 7. documenten betreffende de schulden van de VVO; 8. documenten betreffende het toezicht van de Russische Federatie op de VAO; II FKP cs te gebieden om binnen vier weken na betekening van het vonnis in het incident aan Spirits cs afschrift en uittreksel van, dan wel inzage in alle stukken die in het kader van de Australische en/of de Amerikaanse procedure zijn of zullen worden overgelegd, althans (subsidiair) de meer dan 40.000 pagina’s die door FKP reeds als mogelijk relevant zijn aangemerkt in Australië, althans (meer subsidiair) de 7.427 pagina’s die door FKP reeds als relevant zijn aangemerkt in Australië, en/of de 13.000 zoals die zijn of zullen worden overgelegd in de Amerikaanse procedure, een en ander zoals (nader) gespecificeerd in de akte houdende eiswijziging, in het bijzonder: 1. de in de Russische strafrechtelijke procedures in beslag genomen documenten; 2. documenten uit het geheime archief; 3. de maandelijkse verslagen naar aanleiding van het bevel van Poetin; 4. documenten betreffende de interdepartementale werkgroep; 5. documenten die betrekking hebben op de oprichting of het ontstaan van FGUP; 6. documenten die betrekking hebben op de erkenning door entiteiten van de Russische Federatie dat VAO gerechtigd was tot het houden en handhaven van de merkrechten; meer subsidiair III FKP cs te gebieden om binnen vier weken na betekening van het ten deze te wijzen vonnis aan Spirits cs afschrift en uittreksel van, dan wel inzage in, alle stukken te verlenen die de rechtbank in goede justitie aangewezen acht; primair, subsidiair een meer subsidiair IV FKP cs te bevelen om aan Spirits cs een dwangsom te voldoen van € 10.000, voor iedere dag of dagdeel dat FKP cs in gebreke blijven te voldoen aan een van de in het vonnis in het incident gegeven bevelen of enig gedeelte daarvan; V FKP cs hoofdelijk te veroordelen in de volledige proceskosten, waaronder de volledige door Spirits cs in dit incident gemaakte kosten van rechtsbijstand. 2.2. Spirits cs baseert deze incidentele vordering op de artikelen 843a en 843b Rv. 3De beoordeling Inleiding 3.1. De vorderingen in de hoofdzaak zien op de in het mei 2017 tussenvonnis onder 2.95 en 2.96 opgesomde nationale merkregistraties in de dertien betrokken landen. Deze merken zijn in eerste instantie geregistreerd door VVO, de Russische staatsonderneming VO Sojuzplodoimport, later genaamd VVO Sojuzplodoimport. Vanaf 1994 is de tenaamstelling van deze merkregistraties gewijzigd naar VAO. Deze merken zijn nu geregistreerd op naam van Spirits International of Spirits Product. Daarnaast gaat deze procedure over de in het mei 2017 tussenvonnis onder 2.98 genoemde Beneluxmerkregistraties. 3.2. Afgezien van de onder 2.98 van het mei 2017 tussenvonnis genoemde Beneluxmerken staat de geldigheid van de merken niet ter discussie. Kort gezegd stellen FKP cs enerzijds en Spirits IntPro anderzijds dat zij de rechthebbende zijn op de merken in de betrokken landen. Zij wensen beide dat de door hen gestelde rechtstoestand als de werkelijke rechtstoestand wordt vastgesteld en stellen over en weer dat de ander inbreuk maakt op de merken. Zij vorderen dat de ander (verdere) merkinbreuk wordt verboden en wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding. 3.3. In het mei 2017 tussenvonnis heeft de rechtbank – samengevat en voor zover van belang – beslist dat FKP gerechtigd is tot het instellen van de vorderingen in de hoofdzaak (waarmee de voorwaarde waaronder FGUP haar vorderingen heeft ingesteld niet intreedt zodat die voor afwijzing gereed liggen), dat het recht om de geldigheid van de transformatie van de VVO naar VAO in te roepen niet is verjaard en dat – nu niet alle stappen van de USSR-transformatieprocedure zijn doorlopen en de VVO na 20 januari 1992 nog bestond – VVO niet volgens het USSR-recht is getransformeerd naar VAO. Nu niet in geschil is dat zonder geldige transformatie geen overgang onder algemene titel van de merken van VVO naar VAO heeft plaatsgehad en de merken ook niet op andere wijze onder algemene of andere titel zijn overgegaan van VVO naar VAO, is de rechtbank in het mei 2017 tussenvonnis tot de slotsom gekomen dat VAO vanaf 1992 zonder grond rechthebbende pretendeert te zijn van de merken, die Russisch staatseigendom zijn gebleven. 3.4. Spirits cs stellen echter dat ZAO en Spirits International de rechten op de nationale merken te goeder trouw hebben verkregen. Zij beroepen zich voorts in conventie op verjaring en rechtsverwerking. Deze geschilpunten – die worden beheerst door het recht van de dertien betrokken landen – moeten nog worden beoordeeld. Dat geldt ook voor de inbreuk- en schadevorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld. Het enige resterende geschilpunt in de hoofdzaak dat wordt beheerst door Nederlands recht is de voor de in conventie door FKP cs gevorderde nietigverklaring en doorhaling van de jongere Beneluxmerkregistraties doorslaggevende vraag of ZAO en Spirits International de rechten op deze merken te goeder trouw hebben verkregen. 3.5. In het mei 2017 tussenvonnis heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over de inhoud van het recht van de dertien betrokken landen dat van toepassing is op de hiervoor genoemde, nog te beoordelen geschilpunten. Partijen hebben vervolgens gevraagd om heroverweging van bindende eindbeslissingen uit het mei 2017 tussenvonnis en Spirits cs hebben een exhibitie-incident opgeworpen. De beoordeling in dit vonnis beperkt zich tot dit exhibitie-incident. 3.6. Tijdens het pleidooi in het incident hebben partijen het geschil in het incident gedeeltelijk beëindigd met de afspraak dat de Nederlandse advocaten van partijen toegang krijgen tot de stukken uit de Amerikaanse en Australische discovery-procedures en dat partijen met betrekking tot de eventueel in deze procedure in te brengen stukken die afkomstig zijn uit de discoveryprocedures alle weren kunnen voeren die hen naar Nederlands recht ter beschikking staan. Deze afspraak houdt ook in dat partijen het erover eens zijn dat in het exhibitie-incident geen beslissing meer hoeft te worden genomen over de stukken die in de Amerikaanse en Australische discoveryprocedures naar voren zijn gekomen. Gezien deze afspraak van partijen behoeft geen beslissing meer te worden genomen op vordering II, die ziet op alle stukken die in de Australische en/of Amerikaanse discoveryprocedures zijn of zullen worden overgelegd. De hierna volgende beoordeling en beslissing beperkt zich tot het resterende geschil in het exhibitie-incident. Misbruik van (proces)recht/bevoegdheid, strijd met de goede procesorde? 3.7. Volgens FKP cs is het door Spirits cs opgeworpen incident een zinloze en zeer omvangrijke inzagevordering, die ertoe strekt de procedure in de hoofdzaak te vertragen en compliceren en de kosten daarvan op te voeren. FKP cs betogen dat Spirits cs misbruik van (proces)recht/bevoegdheid maken en beroepen zich op strijd met de eisen van de goede procesorde. De rechtbank volgt FKP cs hierin niet en overweegt daartoe als volgt. 3.8. Voor het door FKP cs gestelde misbruik van recht is vereist dat op voorhand aan Spirits cs duidelijk was of moest zijn dat de incidentele vorderingen kansloos of zinloos waren dan wel dat Spirits cs op voorhand hadden moeten begrijpen dat de daaraan ten grondslag gelegde stellingen niet konden leiden tot het door hen gewenste resultaat. Gezien het hierna te geven oordeel ten gronde, kan niet worden gezegd dat de incidentele vorderingen bij voorbaat kansloos, zinloos of onmiskenbaar zonder grond zijn. 3.9. Het door FKP cs gestelde misbruik van bevoegdheid kan worden aangenomen indien een processuele bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend en met de vordering duidelijk geen legitiem doel wordt gediend. Het ongeoorloofd doel van het instellen van de vordering moet doorslaggevend zijn. Dit kan aan de orde zijn als een incidentele vordering louter en alleen wordt ingesteld met de bedoeling de procedure te vertragen en te compliceren, zoals FKP cs aanvoert. Zo’n proceshouding kan ook leiden tot afwijzing van een incidentele vordering wegens strijd met de goede procesorde. Een ontijdig ingediende exhibitievordering kan strijdig worden bevonden met de eisen van de goede procesorde. Het komt daarbij aan op een afweging tussen enerzijds het met de exhibitie gediende belang van de waarheidsvinding en anderzijds het belang van een voortvarende procedure. 3.10. Anders dan FKP cs betogen, kent het Nederlandse burgerlijk procesrecht niet het algemene uitgangspunt dat partijen bewijs zoveel mogelijk voorafgaand aan de procedure moeten vergaren. FKP cs baseren dit standpunt op passages uit het rapport Modernisering burgerlijk procesrecht van prof. Asser , prof. De Bock en mr. Hammerstein , die echter geen weergave van geldend recht zijn, maar de uitgangspunten uiteenzetten van de in dit rapport voorgestelde modernisering van het Nederlandse bewijsrecht. 3.11. Het thans geldend en in deze procedure toepasselijk Nederlands burgerlijk procesrecht, kent een recht op exhibitie in en buiten rechte. In rechte kan een exhibitievordering worden ingesteld in een aparte procedure en – gelijk Spirits cs hebben gedaan – bij incidentele conclusie in de hoofdzaak. Met hun standpunt dat Spirits cs door dit incident op te werpen buiten de reikwijdte van de in het mei 2017 tussenvonnis gegeven opdracht zijn getreden, gaan FKP cs voorbij aan het gegeven dat een exhibitie-incident – zoals is gebeurd – hangende een lopende procedure kan worden ingesteld. Er zijn geen bijzondere regels voor de wijze en het tijdstip waarop deze incidentele vordering uiterlijk moet worden ingediend. De bepalingen over (het indienen van) incidentele vorderingen zijn bijvoorbeeld van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Een als incident in de hoofdzaak ingestelde exhibitievordering kan dus in beginsel op ieder moment in de procedure in eerste en in tweede aanleg worden ingesteld. Niets staat er aan in de weg dat dit gebeurt in een akte zoals door de rechtbank in het mei 2017 tussenvonnis opgedragen. 3.12. Vaststaat dat Spirits cs reeds over een grote hoeveelheid bewijsstukken beschikken. In het mei 2017 tussenvonnis (onder 4.55) heeft de rechtbank vastgesteld dat Spirits cs in weerwil van de door hen gestelde bewijsnood in staat zijn gebleken de rechtbank in ruime mate van bewijsstukken te voorzien. Voorts hebben Russische overheidsorganen de afgelopen jaren verzoeken van Spirits cs om verstrekking van documenten gehonoreerd (zie ook hierna onder 3.22) en hebben Spirits cs aanvullende stukken in het geding gebracht in de hoofdzaak. Volgens FKP cs hebben Spirits cs zeer selectief stukken overgelegd uit de duizenden stukken die zij reeds van de Russische Staat hebben verkregen en laten zij daarmee zien dat zij zelf over alle relevante stukken beschikken, deze achterhouden en stapsgewijs, op momenten dat het hen uitkomt, in het geding brengen als zogenaamde nieuwe documenten. 3.13. Uit het in artikel 24 Rv verankerde beginsel van partijautonomie vloeit voort dat Spirits cs in beginsel vrij zijn te bepalen welke feiten zij ter onderbouwing van hun verweer in conventie en hun vordering in reconventie in het geding brengen. Deze vrijheid wordt begrensd door de voorschriften van artikel 21 en 85 Rv en de eisen van de goede procesorde. Artikel 21 Rv verplicht partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Hiermee wordt beoogd het achterhouden en verdoezelen van relevante feiten uit te bannen. Wanneer een partij zich op enig stuk beroept, is zij op grond van artikel 85 Rv verplicht een afschrift van dat stuk bij te voegen, tenzij een afschrift reeds bij een eerder processtuk in dezelfde zaak was gevoegd. Deze verplichting bestaat alleen voor zover een partij een beroep doet op een bepaald stuk. Als Spirits cs deze voorschriften overtreden of een met de eisen van de goede procesorde onverenigbare processtrategie voeren, kan de rechtbank daaraan de consequenties verbinden die haar geraden voorkomen. 3.14. Het is de rechtbank niet ontgaan dat Spirits cs hangende deze procedure hun strandpunten hebben onderbouwd met aanvullende stukken, waarvan niet steeds duidelijk was of en in hoeverre die stukken al dan niet eerder in het geding gebracht hadden kunnen worden. Het kan echter niet worden gezegd dat Spirits cs hiermee in strijd hebben gehandeld met de hiervoor genoemde voorschriften of een met de eisen van de goede procesorde strijdige processtrategie hebben gevoerd, laat staan dat daaraan de consequentie verbonden zou moeten worden dat de exhibitievordering zonder meer moet worden afgewezen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het debat in de hoofdzaak zich gaandeweg heeft ontwikkeld en op punten is uitgekristalliseerd en dat de rechtbank in het mei 2017 tussenvonnis (onder 4.69) getuigenverklaringen die in buitenlandse procedures wel zijn geaccepteerd en gebruikt, ter zijde heeft gelegd, met als gevolg dat het bewijs in deze procedure op een andere wijze zal moeten worden geleverd. Wel moeten de vorderingen worden afgewezen voor zover deze zien op stukken waarvan vaststaat dat Spirits cs daarover reeds de beschikking hebben gekregen. 3.15. De hoofdzaak is omvangrijk en complex. Deze liep al geruime tijd toen Spirits cs hun exhibitie-incident opwierpen. Een aantal beslissingen uit de Rotterdamse procedure in de zaken van/tegen FKP en van/tegen Spirits International heeft gezag van gewijsde tussen deze twee partijen. In de andere zaken zijn geschilpunten afgedaan met bindende eindbeslissingen. In alle zaken in de hoofdzaak resteren echter geschilpunten, die moeten worden beoordeeld naar het recht van de dertien betrokken landen en waarbij het exacte feitencomplex (mogelijk) van belang is. De partijdiscussie over de inhoud en de toepassing van dat recht op die geschilpunten is nog niet afgerond. Hoewel de procedure al geruime tijd loopt en een eind is gevorderd, verkeert deze niet in een zo ver gevorderd (eind) stadium dat de eisen van de goede procesorde in de weg staan aan het opwerpen van dit incident. 3.16. Partijen betichten elkaar over en weer van het veroorzaken van vertraging, het achterhouden van relevante documenten en het compliceren van de procedures die zij in Nederland en elders tegen elkaar voeren. De rechtbank gaat voorbij aan hetgeen partijen over en weer aanvoeren over elkaars procesgedrag in de Rotterdamse procedure en in buitenlandse procedures. In deze procedure zijn partijen op grond van artikel 20 lid 2 Rv tegenover elkaar verplicht onredelijke vertraging van de procedure te voorkomen. In de hoofdzaak is aan beide kanten uitstel gevraagd en verkregen voor het verrichten van proceshandelingen. Hoewel het door Spirits cs opgeworpen exhibitie-incident onmiskenbaar tot enige vertraging heeft geleid, kan deze vertraging niet als onredelijk worden aangemerkt, temeer daar de procedure in de hoofdzaak op grond van de rolbeslissing van 14 november 2018 is voortgegaan terwijl dit incident werd afgehandeld. 3.17. Ook overigens zijn geen aanknopingspunten om het door Spirits cs opgeworpen exhibitie-incident als misbruik van bevoegdheid dan wel als strijdig met de goede procesorde aan te merken. Het enkele feit dat de Spirits cs deze vordering wellicht eerder in deze procedure of de Rotterdamse procedure hadden kunnen instellen, is daartoe onvoldoende. Strijd met de waarheidsplicht? 3.18. De rechtbank ziet evenmin grond om – zoals Spirits cs hebben gevraagd tijdens het pleidooi – op grond van artikel 21 Rv vanwege de volgens Spirits cs vele door FKP cs naar voren gebrachte onjuistheden en een strategie van stelselmatig relevante stukken achterhouden, zonder meer aan de standpunten van FKP cs voorbij te gaan. Onbesproken kan blijven of FKP cs inderdaad de door Spirits cs bedoelde processtrategie voert. Ten gronde 3.19. Gezien de onder 3.6 bedoelde afspraak, is het geschil ten gronde over de hoofdvorderingen in het incident beperkt tot vordering I, die hierna zal worden aangeduid als ‘de vordering’. Spirits cs gronden de vordering primair op artikel 843a Rv, dat bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Subsidiair gronden zij de vordering op artikel 843b Rv, dat bepaalt dat hij die een bewijsmiddel heeft verloren, van degene die de beschikking heeft over bescheiden die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, of die zodanige bescheiden onder zijn berusting heeft, kan vorderen daarvan te zijnen behoeve op zijn kosten, voor zover nodig, inzage, afschrift, of uittreksel te verschaffen. 3.20. De rechtbank dient te toetsen of is voldaan aan deze eisen. Voor toewijzing van de vorderingen is niet vereist dat Spirits cs, zoals zij stellen, in bewijsnood verkeren. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de standpunten van partijen daarover. Een rechtmatig belang bij de exhibitie volstaat. De rechtbank gaat ook voorbij aan de argumenten die zowel Spirits cs als FKP cs ontlenen aan oordelen van buitenlandse rechters in andere procedures tussen (een deel van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.