vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/540926 / HA ZA 17/1066 Vonnis van de meervoudige kamer van 15 mei 2019 in de zaak van [eiser] te [plaats] , [Land] , advocaat: mr. A.P. Macro te Amsterdameiser, tegen DE STAAT DER NEDERLANDEN te Den Haag, advocaat: mr. C.M. Bitter te Den Haag, gedaagde. Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden. 1De procedure 1.
(1)jaar onvoorwaardelijk. 7.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft uiterst subsidiair verzocht om bij veroordeling te komen tot een schuldigverklaring zonder strafoplegging ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Verdachte is actief betrokken geweest bij het tot stand komen van de overeenkomst tussen Philips Pensioenfonds en Bouwfonds, door te bemiddelen tussen [getuige 2] , directeur bij Philips Pensioenfonds, en [getuige 5] van Bouwfonds. Gebleken is dat [getuige 2] zich voor het tot stand komen van de overeenkomst onder voor Bouwfonds gunstige voorwaarden rijkelijk heeft laten belonen. Verdachte heeft dat gefaciliteerd middels het ter beschikking stellen van Universum Vastgoed BV, die zoals uit liet dossier kan worden afgeleid geen andere activiteiten heeft ontplooid dan het doorsluizen van gelden voor/vanuit het project Eurocenter naar [getuige 2] , zonder dat het als betaling aan [getuige 2] kenbaar was. Deze gelden zijn op de keper beschouwd aan te merken als middels omkoping onttrokken gelden aan Bouwfonds c.q. Philips Pensioenfonds. Verdachte is voor zijn bemoeienissen betaald in de vorm van een aandelenpakket van 25.5 % van de aandelen in Universum Vastgoed B.V., hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in een liquidatie-uitkering van € 1.349.005,--. Dit terwijl verdachte in die tijd, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, een winst in zijn ondernemingen genereerde van zo’n 10 à 15 miljoen euro per jaar. Van enig moreel besef ten aanzien van het laakbare van de omkoping, het faciliteren daarvan en het voordeel trekken daaruit is niet gebleken. Verdachte wijst op wat het Openbaar Ministerie in zijn ogen niet goed heeft gedaan dan wel had moeten doen. Verdachte gaat zo doende volkomen voorbij aan zijn eigen rol en staat in het geheel niet stil bij degenen die de daadwerkelijke slachtoffers zijn in deze zaak, met name het Philips Pensioenfonds. Er is over een langere periode overleg gevoerd over afdoening buiten de rechter om. Dat heeft niet tot een vergelijk geleid. De rechtbank overweegt in dat kader dat wat ook zij van de stelling van de verdachte dat het Openbaar Ministerie gebonden zou zijn aan het voorgestelde schikkingsbedrag, de rechtbank is daar in ieder geval niet aan gebonden. Het is juist dat deze zaak lang heeft geduurd voordat die inhoudelijk door de rechtbank werd beoordeeld en uitspraak werd gedaan. Uit het relaas zoals hiervoor opgenomen tijdens de bespreking van het niet ontvankelijkheid-verweer komt genoegzaam naar voren dat het tijdsverloop deels aan het Openbaar Ministerie kan worden toegerekend, maar ook voor een substantieel deel aan verdachte. De rechtbank rekent verdachte over de periode 15 juli 2011 (de datum van de brief waarin het Openbaar Ministerie aangeeft tot vervolging te zullen overgaan) tot 4 oktober 2013 (de datum van het eindproces-verbaal Clematis) zijnde ruim 26 maanden, de helft, derhalve 13 maanden, aan. Dit in het licht van de geëntameerde artikel 36 procedure. De helft komt op het conto van het Openbaar Ministerie nu de rechtbank van oordeel is dat ondanks de artikel 36 Sv procedure meer voortvarendheid betracht had kunnen worden ten aanzien van het eindproces-verbaal. Het tijdverloop van 4 oktober 2013 tot 19 juli 2016 (beschikking rechter-commissaris beëindiging onderzoek ex 237 Sv) is grotendeels toe te schrijven aan verdachte. De rechtbank rolstaat in dat kader met verwijzing naar het overzicht. De rechtbank zal over die periode echter zes maanden toerekenen aan het Openbaar Ministerie, gezien de tijd die de rechter-commissaris nodig heeft gehad alvorens de in eerste instantie opgegeven getuigen konden worden gehoord. De rechtbank rekent verdachte wel de tijd toe die nodig is geweest voor het horen van de zijdens de verdachte nader opgegeven getuigen, nu het later opgeven van deze getuigen gelegen is in omstandigheden aan de zijde van verdachte. De rechtbank rekent daarmee een periode van 26 maanden toe aan de verdachte. De rechtbank rekent de verdachte voorts ten dele toe de periode vanaf 23 mei 2017 (correspondentie rechtbank in verband met planning regiezitting september 2017) tot aan de uitspraak 23 november 2018. Van het tijdverloop in deze periode acht de rechtbank het juist om in het kader van de bepaling van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM 7 maanden toe te rekenen aan het Openbaar Ministerie. Op conto van de verdachte komt daarmee een tijdverloop van 11 maanden. Van het tijdverloop sedert het eerste verhoor van verdachte tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank van 10 jaar, 120 maanden, zijn in ieder geval 51 maanden toe te rekenen aan de verdachte. De overige 69 maanden dienen te worden meegenomen in de afweging in hoeverre de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM is geschonden. Gezien de aard en omvang van het dossier en de samenhang met een erg omvangrijk onderzoek met vele verdachten is de rechtbank van oordeel dat zeker een termijn van 36 maanden daarvan valt binnen de redelijke termijn. De overschrijding van de redelijke termijn is daarmee te stellen op (maximaal) 33 maanden, dus 2 jaar en 9 maanden. De rechtbank zal met die overschrijding rekening houden bij de bepaling van de op te leggen straf. De rechtbank betrekt ook in de strafmaat de leeftijd van de verdachte en de gevolgen die deze zaak al voor verdachte heeft gehad, zoals ook door verdachte ter zitting naar voren is gebracht en het gegeven dat de verdachte, met uitzondering van een snelheidsovertreding in 2003, niet eerder is veroordeeld. Ondanks hetgeen hiervoor ten aanzien van de redelijke termijn, zijn leeftijd, het ontbreken van relevante justitiële documentatie en de gevolgen voor de verdachte is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet alleen niet volstaan kan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, zoals door de verdediging is bepleit, maar ook niet met een hoge geldboete in lijn met de schikkingsbedragen die de revue zijn gepasseerd. De rechtbank acht daartoe de bewezenverklaarde feiten en de context waarin deze feiten hebben plaatsgevonden te ernstig. Verdachte heeft voor eigen gewin bijgedragen aan de zelfverrijking van mensen op sleutelposities. Daardoor zijn de rechten van velen, in het bijzonder de deelnemers aan het Philips Pensioenfonds te kort gedaan. De oriëntatiepunten laten ten aanzien van fraude van een bedrag van € 1.000.000,- of meer een straf ter hoogte van een gevangenisstraf van 2 jaar zien. In dat licht bezien is de eis van het Openbaar Ministerie zeker niet onredelijk. De rechtbank houdt echter, anders dan het Openbaar Ministerie in de eis, rekening met een overschrijding van de redelijke termijn van 2 jaar en 9 maanden. Alles overwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden opleggen.” 2.6. In het ontnemingsvonnis is het redelijke termijn-verweer van [eiser] als volgt beoordeeld: “De rechtbank is van oordeel dat zij de door de verdediging naar voren gebrachte omstandigheden, waaronder het tijdverloop reeds voldoende heeft gecompenseerd in de strafmaat en ziet ook in de juridische kosten die [eiser] heeft gemaakt geen reden om matiging toe te passen in de op te leggen betalingsverplichting van het ontnemingsbedrag.” 2.7. [eiser] heeft hoger beroep ingesteld tegen het strafvonnis en het ontnemingsvonnis. Deze procedures in hoger beroep zijn op dit moment aanhangig. 2.8. Bij brief van 23 mei 2013 heeft [eiser] de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. De Staat heeft iedere aansprakelijkheid afgewezen. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
- a)een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] op 7 juni 2007 als verdachte aan te merken en niet te berechten binnen een redelijke termijn, althans dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door verwachtingen te creëren omtrent een spoedige afdoening van de zaak en deze niet na te komen;
- b)veroordeling van de Staat tot vergoeding van de door [eiser] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dan wel tot betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schadevergoeding, met rente vanaf de datum van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
- c)veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.2. Aan zijn vorderingen legt [eiser] , samengevat, het volgende ten grondslag. De Staat heeft in twee opzichten onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] . In de eerste plaats is in de strafzaak van [eiser] sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. Hij is in 2007 als verdachte aangemerkt en pas in 2018 – ruim elf jaar later – vervolgd en berecht. In de tweede plaats heeft de Staat toegezegd, althans het vertrouwen gewekt, dat de strafzaak voortvarend zou worden afgewikkeld en deze toezegging, althans het gewekte vertrouwen, niet waargemaakt. Als gevolg van dit onrechtmatige handelen van de Staat heeft [eiser] materiële en immateriële schade geleden. In de periode dat hij als verdachte werd aangemerkt kon hij geen nieuwe financiering voor zijn vastgoed bij banken krijgen, en heeft hij onder druk van banken een portefeuille van 1200 woningen in Nederland moeten verkopen in een slechte markt. Bovendien heeft de lange duur van de strafrechtelijke vervolging bij hem tot spanning en frustratie geleid en een grote impact op zijn leven gehad. 3.3. Op de relevante stellingen en verweren van partijen wordt hierna nader ingegaan. 4De beoordeling Inleiding 4.1. In deze civiele procedure tegen de Staat vordert [eiser] schadevergoeding in verband met de duur van zijn – nog lopende – strafzaak. [eiser] werd in 2007 als verdachte aangemerkt. Eind 2018 is [eiser] in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden en tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. [eiser] heeft tegen die beslissingen hoger beroep ingesteld. De strafrechtelijke procedures in hoger beroep lopen op dit moment nog. 4.2. Kern van het geschil in de onderhavige zaak is de beantwoording van de vraag of de Staat onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser] , omdat de redelijke termijn in de strafzaak tegen hem is overschreden, dan wel omdat namens de Staat gedane toezeggingen en/of gewekt vertrouwen over de duur van die strafzaak niet zijn waargemaakt. 4.3. Voordat de rechtbank die inhoudelijke vraag kan beantwoorden, ligt het meest verstrekkende verweer van de Staat ter beoordeling voor. Dit verweer werpt namelijk de (voor)vraag op, of het de burgerlijke rechter vrijstaat om een schadevergoedingsvordering tegen de Staat op grond van een overschrijding van de redelijke termijn in een strafzaak te beoordelen, indien tegelijkertijd een strafrechtelijke procedure aanhangig is waarin op diezelfde grond een beroep is gedaan en de strafrechter daarover nog niet onherroepelijk heeft beslist. Standpunten van partijen 4.4. De Staat stelt zich op het standpunt dat er voor de burgerlijke rechter in deze zaak (nog) geen taak is weggelegd. Een oordeel over (een overschrijding van) de redelijke termijn in een nog lopende strafzaak is volgens de Staat aan de strafrechter voorbehouden, die daarvoor ook het best is toegerust omdat hij over het volledige strafdossier beschikt. Dit betekent, zo vervolgt de Staat, dat de vorderingen van [eiser] nu al dienen te worden afgewezen, en anders dat deze civiele procedure moet worden aangehouden totdat in de strafrechtelijke procedure onherroepelijk over (een overschrijding van) de redelijke termijn is beslist. 4.5. In reactie op dit verweer voert [eiser] aan dat de burgerlijke rechter wel degelijk in staat is om een oordeel te vellen over zijn vorderingen. Volgens [eiser] is de overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak zó evident, dat het oordeel van de strafrechter niet hoeft te worden afgewacht. Bovendien leidt de opvatting van de Staat, zo vervolgt [eiser] , tot de onaanvaardbare situatie dat hij pas na afloop van de strafrechtelijke procedure – die in totaal mogelijk langer dan zestien jaar zou kunnen duren, hoger beroep en cassatie daarbij inbegrepen – de Staat civielrechtelijk kan aanspreken. [eiser] meent dat het oordeel van de strafrechter een rol zou kunnen spelen bij de toerekening van een overschrijding van de redelijke termijn, maar niet eraan in de weg staat dat de burgerlijke rechter een op die overschrijding gebaseerde aanspraak tot schadevergoeding beoordeelt. Het oordeel van de rechtbank 4.6. De rechtbank stelt voorop dat berechting binnen een redelijke termijn een fundamenteel rechtsbeginsel is. De overheid is onder meer op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) verplicht om ervoor te zorgen dat de rechten en plichten van betrokkenen in procedures voor de rechter binnen een redelijke termijn worden vastgesteld. Een dragende gedachte achter dit rechtsbeginsel is dat (juridische) procedures belastend zijn omdat ze gepaard gaan met onzekerheid en kosten, en om die reden niet onredelijk lang mogen duren. Daarnaast beschermt dit rechtsbeginsel het vertrouwen van burgers in de rechter en in de rechtspraak als geheel. Verder geldt dat de overheid onder meer op grond van artikel 13 EVRM verplicht is om een “effective remedy” beschikbaar te stellen om schendingen van dit rechtsbeginsel aan de orde te stellen en te herstellen/compenseren. 4.7. Een strafrechtelijk beoordelingskader voor de vaststelling van een inbreuk op het in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn, en van de eventuele rechtsgevolgen die aan een dergelijke inbreuk moeten worden verbonden, is te vinden in het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 17 juni 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Uit dat arrest blijkt dat de beoordeling of een termijn nog redelijk is onder meer afhangt van de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Tot de omstandigheden die in dat verband verder van belang zijn rekent de Hoge Raad: de omvang van het verrichte (voor)onderzoek, de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten, het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak, en de mate van voortvarendheid die is betracht in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting (zie rechtsoverweging 3.13.1 van het arrest van 17 juni 2008). 4.8. Wat betreft de rechtsgevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn, volgt uit het voornoemde arrest dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel leidt tot vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag, en dat de omvang van de vermindering afhangt van de mate van de overschrijding van de redelijke termijn, waarbij het de rechter vrijstaat om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM (rechtsoverwegingen 3.22 en 3.23 van voormeld arrest). 4.9. Dit strafrechtelijke beoordelingskader komt erop neer, dat in zaken die zijn geëindigd met de oplegging van een betrekkelijk geringe straf wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, terwijl in overige gevallen de schending in de regel wordt gecompenseerd door vermindering van de duur van de opgelegde vrijheidsstraf of taakstraf, dan wel de hoogte van de opgelegde geldboete of ontnemingsmaatregel. De vraag hoe moet worden omgegaan met gevallen waarin dit stelsel slecht of geheel niet toepasbaar is – bijvoorbeeld wanneer de als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade niet kan worden verdisconteerd in de opgelegde sanctie – laat zich beantwoorden aan de hand van het arrest van de strafkamer van de Hoge Raad van 17 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:558). Voor zover nu van belang is in dat arrest het volgende overwogen: “2.4. Dit thema vraagt om praktisch werkbare uitgangspunten en regels die waar mogelijk tot een uniforme rechtstoepassing leiden. Bij de formulering daarvan is een zekere ruwheid onontkoombaar. Onvermijdelijk zijn er ook gevallen waarin zij slecht of geheel niet toepasbaar zijn, zoals bij sancties die zich naar hun aard niet lenen voor strafvermindering, bijvoorbeeld de levenslange gevangenisstraf en vrijheidsbenemende maatregelen. Ook in die gevallen pleegt te worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM. Dat geldt ook indien een benadeelde partij zich met een vordering tot schadevergoeding in het strafproces heeft gevoegd en de strafrechter desverzocht heeft vastgesteld dat vanwege de duur van de strafprocedure jegens haar inbreuk is gemaakt op genoemd verdragsvoorschrift. Geen rechtsregel verzet zich evenwel ertegen dat in zulke gevallen de betrokkene zich na het onherroepelijk worden van de uitspraak met een op die door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn gebaseerde, tegen de Staat gerichte vordering tot schadevergoeding wendt tot de civiele rechter (vgl. HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525).” 4.10. Het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014 waarnaar wordt verwezen in het slot van de zojuist aangehaalde rechtsoverweging, bevat een beoordelingskader voor de vaststelling van een overschrijding van de redelijke termijn in civiele zaken. De Hoge Raad heeft in dat arrest geoordeeld dat volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over art. 6 EVRM het uitgangspunt is dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, en dat dit ook onder nationaal recht een grond vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Over de vraag of een daarop gebaseerde schadevergoedingsvordering binnen de desbetreffende civiele procedure aanhangig kan worden gemaakt of alléén in een afzonderlijke civiele procedure, overwoog de Hoge Raad onder meer het volgende: “3.13 De hoogste Nederlandse bestuursrechters hebben een stelsel ontwikkeld dat de mogelijkheid biedt om de Staat in bestuursrechtelijke procedures te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe wordt, nadat een beroep op een zodanige overschrijding is gedaan, de Minister van Veiligheid en Justitie in het geding opgeroepen. Dit stelsel is in bestuursrechtelijke geschillen inmiddels vergaand geüniformeerd (vgl. laatstelijk ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188). Nu aangenomen moet worden dat niet binnen afzienbare tijd wetgevingsinitiatieven voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures zijn te verwachten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder nrs. 4.39 en 4.40), rijst de vraag of een gelijksoortige voorziening dient te worden opengesteld binnen procedures voor de burgerlijke rechter – waaronder de onderhavige procedure –, in de plaats van of naast de reeds thans bestaande mogelijkheid om in een afzonderlijke procedure tegen de Staat schadevergoeding uit onrechtmatige daad te vorderen. 3.14 Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat het nationale recht in verband met art. 13 EVRM moet voorzien in een effectieve mogelijkheid voor vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (vgl. onder meer EHRM 26 oktober 2000, ECLI:NL:XX:2000:AD5181, NJ 2001/594 (Kudla tegen Polen) en EHRM 8 juni 2006, ECLI:NL:XX:2006:AY5760 (Sürmeli tegen Duitsland)). Een op grond van onrechtmatige daad in te stellen afzonderlijke procedure tegen de Staat kan een voldoende effectief rechtsmiddel bieden tot verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, vgl. EHRM 11 september 2002, nr. 57220/00 (Mifsud tegen Frankrijk) en EHRM 15 mei 2007, nr. 2115/04 (Depauw tegen België ). In bestuursrechtelijke procedures bestaan goede redenen om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn te laten plaatsvinden binnen de lopende procedure, met name de reden dat de bestuursrechter zelf beter toegerust is om de redelijkheid van de lengte van die procedure, gelet op de ter zake dienende omstandigheden, te beoordelen dan de civiele rechter die dit zou moeten doen in een afzonderlijke procedure tegen de Staat. Indien de gestelde termijnoverschrijding echter plaatsvindt in een civiele procedure, is voor een beoordeling daarvan door de civiele rechter niet nodig dat deze in de lopende procedure plaatsvindt. [...] 3.15 Gelet op het vorenstaande moet in geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure, een daarop gerichte vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige daad tegen de Staat. [...]” 4.11. Naar het oordeel van de rechtbank ligt in het hiervoor onder 4.9 aangehaalde arrest van de strafkamer van Hoge Raad van 17 april 2018 de rechtsregel besloten, dat degene die als gevolg van een overschrijding van de redelijke termijn in een strafzaak immateriële schade heeft geleden die niet verdisconteerd kan worden in de opgelegde sanctie (bijvoorbeeld omdat de betrokkene wordt vrijgesproken), zich alléén na het onherroepelijk worden van de strafrechtelijke uitspraak tot de burgerlijke rechter kan wenden met een vordering tegen de Staat tot schadevergoeding op grond van een door de strafrechter vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn. Steun voor deze lezing van het arrest van 17 april 2018 vindt de rechtbank in de verwijzing naar het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 28 maart 2014, waarin de gedachte tot uitdrukking komt dat de rechter die werkzaam is in een specifieke ‘kolom’ van de rechterlijke organisatie beter is toegerust om de redelijkheid te beoordelen van de duur van een procedure die zich binnen die kolom afspeelt vergeleken met de rechter die dit vanuit een andere kolom zou moeten doen, omdat de eerstgenoemde rechter in het relevante werkgebied is gespecialiseerd, over het gehele dossier beschikt en de zaak inhoudelijk heeft behandeld. 4.12. In de voorliggende zaak geldt dat de strafrechter in de nu tegen [eiser] lopende straf- en ontnemingsprocedures beter is toegerust om te beoordelen óf sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en zo ja, in hoeverre deze aan de Staat moet worden toegerekend, en om daar eventueel rechtsgevolgen aan te verbinden. De strafrechter beschikt namelijk niet alleen over de gegevens om inzicht te verkrijgen in de omstandigheden die volgens het hiervoor onder 4.7 tot en met 4.9 samengevatte beoordelingskader van belang zijn – zoals de omvang van het (voor)onderzoek, eventuele parallelle zaken tegen medeverdachten en de rol die de verdediging en het Openbaar Ministerie hebben gespeeld in de vertraging in de afdoening van de zaak – maar ook over specialistische kennis om aan deze omstandigheden het juiste gewicht te verbinden. Mede gelet op de waarborgen van het Nederlands strafproces, levert een en ander goede redenen op om de beoordeling van een overschrijding van de redelijke termijn primair en vooreerst te laten plaatsvinden binnen de lopende strafrechtelijke procedure. Dat geldt te meer, gelet op het risico van verschillende of zelfs tegenstrijdige uitkomsten dat ontstaat wanneer er voor zowel de strafrechter als de burgerlijke rechter tegelijkertijd procedures over hetzelfde onderwerp worden gevoerd. 4.13. De tegenwerpingen die [eiser] in dit verband naar voren heeft gebracht, doen niet af aan het voorgaande. 4.13.1. [eiser] meent dat de overschrijding van de redelijke termijn in zijn strafzaak zó evident is dat de burgerlijke rechter daarvan kan uitgaan. Dit argument ziet over het hoofd dat voor de beoordeling van een schadevergoedingsvordering vooral van belang is welk deel van die overschrijding aan de Staat valt toe te rekenen – een kwestie die nu in de strafrechtelijke procedures in hoger beroep voorligt. 4.13.2. [eiser] heeft verder aangevoerd dat een procedure die al de redelijke termijn heeft overschreden nóg langer wordt als het hoger beroep en een eventueel cassatieberoep moet worden afgewacht. De rechtbank begrijpt dit verweer als het standpunt dat de mogelijk lange(
- re)duur van deze civiele procedure – in vergelijking met de situatie waarin de uitkomst van de strafrechtelijke procedure niet wordt afgewacht – een schending oplevert van het recht op berechting binnen een redelijke termijn (artikel 6 EVRM) en op een ‘effective remedy’ (artikel 13 EVRM). De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat het onwenselijk is dat iemand die (mogelijk) al te lang op (de uitkomst van) een strafzaak heeft moeten wachten en daaraan spanningen en frustraties heeft overgehouden, pas schadevergoeding van de Staat kan vorderen als die strafzaak is uitgeprocedeerd. Tegelijkertijd ziet de rechtbank zich geconfronteerd met het gegeven dat iedere vervroeging van het moment waarop de civiele rechter zich buigt over een schadevergoedingsvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn ten opzichte van het moment waarop het relevante oordeel van de strafrechter onherroepelijk wordt, een doorkruising oplevert van de oordeelsvorming door de strafrechter die, om de hiervoor genoemde redenen, juist voorrang dient te krijgen. Tegen de achtergrond van dit laatste is de mogelijk lange(
- re)duur van deze civiele procedure onvermijdelijk en in ieder geval op inhoudelijke gronden te verantwoorden. Daarbij komt dat [eiser] mogelijk in de strafrechtelijk procedure wordt gecompenseerd voor de door hem als gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn geleden immateriële schade. Op grond van deze bijzondere omstandigheden van het voorliggende geval ziet de rechtbank in het afwachten van de uitkomst van de strafzaak van [eiser] geen grond om een (dreigende) schending van het EVRM aan te nemen. 4.13.3. Ter zitting heeft [eiser] nog betoogd dat de strafrechtelijke procedure ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure nog niet (inhoudelijk) aanhangig was en het zonder de onderhavige civiele procedure mogelijk niet tot een inhoudelijke behandeling van de strafzaak was gekomen. Volgens [eiser] is het voor het Openbaar Ministerie mogelijk geweest om zijn strafzaak langdurig af te houden of om op andere wijze te belemmeren dat daaraan een einde kwam. Voor deze stellingen ziet de rechtbank geen grond. In een dergelijke situatie staan de verdachte verschillende mogelijkheden ten dienste. Het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bevat diverse bepalingen die toezien op de adequate voortgang van het onderzoek. Zo waakt de rechter-commissaris op grond van artikel 181 Sv tegen nodeloze vertraging van het opsporingsonderzoek, en kan hij op verzoek van de verdachte of diens raadsman de voortgang van het opsporingsonderzoek beoordelen en zelfs een termijn stellen voor beëindiging daarvan. Daarnaast kan de strafrechter op grond van artikel 36 Sv naar aanleiding van een verzoek van de verdachte zelf of op voordracht van de rechter-commissaris een reeds aangevangen vervolging beëindigen. Zoals blijkt uit het hiervoor onder 2.5 aangehaalde strafvonnis, heeft [eiser] driemaal van de artikel 36 Sv-procedure gebruik gemaakt, maar heeft de strafrechter geen aanleiding gezien de reeds aangevangen vervolging te beëindigen. 4.14. Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de burgerlijke rechter in dit geval meebrengt dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat om de vorderingen van [eiser] tegen de Staat nader inhoudelijk te beoordelen, zolang in de nu aanhangige strafrechtelijke procedures nog niet onherroepelijk is beslist over (een overschrijding van) de redelijke termijn en de daaraan eventueel te verbinden gevolgen. Dat geldt ook ten aanzien van de tweede grondslag van [eiser] vorderingen, namelijk de door hem gestelde toezegging / het gewekte vertrouwen dat de strafzaak spoedig zou worden afgedaan. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] aangegeven dat hij niet meer wist of deze grondslag in de strafrechtelijke procedure in hoger beroep aan de orde is gesteld. Daarmee valt niet uit te sluiten dat de strafrechter ook over deze kwestie een oordeel zal geven, dan wel de desbetreffende stellingen in zijn oordeel over de (overschrijding van
- de)redelijke termijn zal betrekken. 4.15. De Staat heeft in dit verband nog aangevoerd dat het oordeel van de strafrechter niet hoeft te worden afgewacht omdat een causaal verband tussen de door [eiser] gestelde schade en de duur van zijn strafzaak op voorhand zonder meer afwezig moet worden geacht. De rechtbank deelt die opvatting niet. Naar het oordeel van de rechtbank valt op voorhand niet uit te sluiten dat [eiser] schade heeft geleden die niet (alléén) is toe te rekenen aan de strafverdenking en -vervolging zelf, maar (ook) aan de duur van zijn strafzaak. Niet ondenkbaar is dat, zoals [eiser] het ter zitting heeft geformuleerd, de banken weer bereid zouden zijn geweest om zaken met hem te doen nadat hij een aantal jaren op de ‘strafbank’ had gezeten. Vervolg van deze procedure 4.16. De Hoge Raad heeft in het hiervoor onder 4.10 aangehaalde arrest van 28 maart 2014 het volgende overwogen met betrekking tot het verloop van een civiele procedure ter verkrijging van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een andere procedure: “3.16.5 Omdat bij de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn de duur van de gehele procedure mede van belang is, kan pas over een vordering wegens een zodanige overschrijding worden geoordeeld wanneer die duur van de gehele procedure kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de behandelende rechter in voorkomend geval de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn zal moeten aanhouden totdat de einduitspraak in het oorspronkelijke geschil in kracht van gewijsde is gegaan of die zaak is geroyeerd.” 4.17. De rechtbank zal in overeenstemming hiermee ieder oordeel over de vorderingen van [eiser] aanhouden totdat de einduitspraken in de straf- en in de ontnemingszaak tegen [eiser] in kracht van gewijsde zijn gegaan of de desbetreffende zaken zijn geroyeerd. Hiertoe zal de rechtbank de zaak naar de parkeerrol verwijzen. Zodra in de zojuist genoemde procedures onherroepelijk is beslist, kan [eiser] de zaak weer op brengen, onder overlegging van de uitspraken, en met een toelichting wat de consequenties daarvan zijn voor de stellingen van [eiser] . De Staat zal daar vervolgens bij akte op kunnen reageren. 4.18. Conform het verzoek dat beide partijen ter zitting hebben gedaan, zal de rechtbank tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis openstellen. 5De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst de zaak naar de parkeerrol als bedoeld in rechtsoverweging 4.17; 5.2. bepaalt dat tegen dit vonnis tussentijds hoger beroep kan worden ingesteld; 5.3. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. B. Meijer, H.J. van Harten en C.S. Avendaño Canto en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2019.