RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL18.18355 V-nummer: [nummer] tussenuitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 maart 2019 in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1997, van Syrische nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. F.K. Williams), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S.Q. Sandifort). Procesverloop Bij besluit van 4 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Op 5 oktober 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Overwegingen 1. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 30 oktober 2017 in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de autoriteiten van Griekenland op 2 mei 2018 daarom gevraagd eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. De Griekse autoriteiten hebben ingestemd met het claimverzoek op 16 mei 2018. 2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Daarin staat dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag, in dit geval Griekenland. Er is volgens verweerder niet gebleken van belemmeringen voor de feitelijke overdracht van eiser aan de autoriteiten van Griekenland. 3. Eiser voert aan dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang. Volgens eiser had de overdracht uiterlijk op 16 november 2018 dienen plaats te vinden, gelet op artikel 29 van de Dublinverordening en artikel 82 van de Vw 2000. Nu op die datum geen overdracht heeft plaatsgevonden is de verplichting voor Griekenland om eiser terug te nemen komen te vervallen en is de verantwoordelijkheid volgens eiser overgegaan op Nederland. Daarnaast voert eiser aan dat Nederland verantwoordelijk moet zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag omdat in Griekenland sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, op grond waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog naar het Country Report: Greece van Asylum Information Database (AIDA) van 30 maart 2018. Ook doet eiser een beroep op het arrest C.K. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017. Volgens eiser moet zijn seksuele geaardheid aanleiding zijn voor verweerder om zijn verzoek om internationale bescherming in behandeling te nemen. 4.1 Op grond van artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, bepalen de lidstaten voor een beroep of een bezwaar tegen het overdrachtsbesluit in hun nationale recht dat de betrokkene de gelegenheid heeft om binnen een redelijke termijn een rechterlijke instantie te verzoeken de uitvoering van het overdrachtsbesluit op te schorten in afwachting van de uitkomst van het beroep of het bezwaar. Op grond van artikel 29, eerste lid, wordt de verzoeker of andere persoon als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c of d, overeenkomstig het nationale recht van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, overgedragen van de verzoekende lidstaat aan de verantwoordelijke lidstaat zodra dat praktisch mogelijk is, en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek van een andere lidstaat om de betrokkene over of terug te nemen of vanaf de definitieve beslissing op het beroep of het bezwaar wanneer dit overeenkomstig artikel 27, derde lid, opschortende werking heeft. 4.2 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover thans van belang, kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 4.3 Uit artikel 27, derde lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening vloeit voort dat de termijn van zes maanden voor de overdracht aanvangt na de beslissing op het beroep of bezwaar, wanneer de ingevolge de nationale wetgeving bevoegde rechter of instantie, naar gelang van het geval, tot opschortende werking van het beroep of bezwaar heeft beslist. Een tot zodanige beslissing strekkende bevoegdheid is neergelegd in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. Gelet op de in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde eis dat een voorlopige voorziening slechts kan worden getroffen wanneer (hoger) beroep is ingesteld of bezwaar is gemaakt, strekt de bij de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 29 oktober 2018 getroffen voorziening tot opschortende werking van het beroep inzake de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 juli 2016. 4.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht geoordeeld dat de termijn van zes maanden waarbinnen de overdracht op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening uiterlijk dient plaats te vinden, niet al is aangevangen vóór de uitspraak in beroep, zodat deze beroepsgrond van eiser faalt. 5.1 Vervolgens zal de rechtbank het beroep van eiser beoordelen in het kader van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. 5.2 Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening blijft, indien het niet mogelijk is een verzoeker over te dragen aan de lidstaat die in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, omdat ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest, de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast gehouden de criteria van hoofdstuk III te onderzoeken om vast te stellen of een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Indien de overdracht uit hoofde van dit lid niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat. 5.3 De rechtbank zal gelet op artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening eerst beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake meer is van een situatie dat een overdracht aan Griekenland, de lidstaat die in de zaak van eiser in de eerste plaats als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen, niet mogelijk is. In dit verband staat ter beoordeling of sprake is van ernstige vrees dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor eiser in Griekenland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest. De rechtbank overweegt hierover verder als volgt. 6.1 Vast staat dat de Europese Commissie op 8 december 2016 heeft aanbevolen om de overdracht van asielzoekers, onder een aantal voorwaarden, aan Griekenland geleidelijk te hervatten. De autoriteiten van de lidstaten worden in deze aanbeveling verzocht om, alvorens asielzoekers aan Griekenland over te dragen, nauw samen te werken met de Griekse autoriteiten, in combinatie met individuele garanties voor wat betreft de opvangfaciliteiten die voldoen aan de normen die zijn vastgelegd in de EU-wetgeving en dat de behandeling op alle andere relevante gebieden in overeenstemming is met het EU-recht. 6.2 Verweerder heeft op grond van deze aanbeveling besloten om in beperkte mate de overdracht van asielzoekers naar Griekenland in het kader van de Dublinverordering te hervatten. Verweerder heeft erkend dat de situatie in Griekenland aandacht behoeft en dat nog steeds op bepaalde punten verbeteringen doorgevoerd moeten worden, maar de situatie is volgens verweerder niet meer zodanig dat niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft aangegeven dat de hervatting vooralsnog alleen duidelijk niet-kwetsbare personen betreft en dat deze stapsgewijs gaat, conform de aanbeveling. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een niet-kwetsbaar persoon is en wijst erop dat de Griekse autoriteiten ten aanzien van eiser individuele garanties hebben gegeven. Deze garanties zijn op de persoon van eiser toegespitst en uit de garanties volgt volgens verweerder uitdrukkelijk dat eiser zal worden opgevangen in een ‘reception facility’, namelijk Eleonas. Deze opvanglocatie wordt door verweerder voldoende toereikend geacht. Daarbij verwijst verweerder naar het verslag van de Nederlandse ambassade te Athene van het bezoek op 2 juli 2018 aan deze opvanglocatie, waaruit blijkt dat de Nederlandse ambassade de opvanglocatie voldoende heeft geacht. Verweerder stelt zich op grond van het voorgaande op het standpunt dat eiser niet in een situatie zal terechtkomen die strijdig is met artikel 3 van het EVRM dan wel artikel 4 van het Handvest. Verweerder heeft daarbij ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar diverse stukken. 7.1 Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat hij een niet kwetsbare persoon is. Volgens eiser moet hij gelet op zijn seksuele geaardheid wel als zodanig worden aangemerkt en ziet daarom, conform de aanbevelingen van de Europese Commissie, de mogelijkheid van hervatte overdracht naar Griekenland niet op hem. 7.2 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een kwetsbaar persoon is zoals bedoeld door de Europese Commissie, omdat eiser zijn stelling niet voldoende heeft onderbouwd. Daarnaast is de rechtbank met verweerder van oordeel dat uit artikel 32 van de Dublinverordening niet volgt dat LHBTI worden aangemerkt als kwetsbare personen. Ook is niet gebleken dat eiser vanwege eventuele medische problematiek moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon. Het beroep van eiser op het [partij] arrest slaagt daarom evenmin. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als kwetsbaar persoon als bedoeld in het [partij] arrest. Vast staat immers dat eiser een alleenstaande meerderjarige man is. De door eiser naar voren gebrachte seksuele geaardheid vormt evenmin aanleiding om hem als een kwetsbare persoon in de zin van het [partij] arrest aan te merken. 8.1 De rechtbank stelt verder vast dat verweerder in zijn besluitvorming doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan de individuele garanties die de Griekse autoriteiten hebben gegeven ten aanzien van eiser. Volgens verweerder voldoen de individuele garanties aan de door het EHRM geformuleerde eisen en zijn hiermee voor eiser ten aanzien van zowel de (toegang tot
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.