RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummer: AWB 19/2011 [persoonsnummer] uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1969, van Turkse nationaliteit, verzoeker, (gemachtigde: mr. B. Aydin) en de staatssecretaris van justitie en veiligheid, verweerder. Procesverloop Met het besluit van 15 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel “arbeid als zelfstandige” afgewezen. Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt. Op 15 maart 2019 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Overwegingen
- Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter zonder behandeling op zitting uitspraak doen, onder meer als het verzoek kennelijk ongegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding van deze bevoegdheid gebruik te maken.
- Op grond van artikel 78 van de Vreemdelingenwet 2000 beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar of administratief beroep als een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan om uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar of het administratief beroep dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning. In deze zaak zal de voorzieningenrechter gebruik maken van de hiervoor omschreven bevoegdheid.
- Verzoeker heeft een aanvraag gedaan voor “arbeid als zelfstandige” bij vennootschap onder firma ‘ [bedrijf] .’. Dit is verzoekers zesde aanvraag.
- Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden die gelden voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige. De door verzoeker overgelegde stukken geven geen aanleiding om de aanvraag voor advies aan de minister voor Economische Zaken voor te leggen. Verweerder stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is gebleken dat [de persoon 1] geen vennoot (meer) is en dat [de persoon 2] op 5 juni 2018 als vennoot tot de onderneming is toegetreden. Daarom ziet de aanvraag niet meer op de actuele situatie en dat geldt ook voor de overgelegde stukken. Deze kunnen daarom niet dienen als basis voor de advisering over het wezenlijk economisch belang. Dat deze wijzigingen niet zijn gemeld komt voor rekening en risico van verzoeker. Verder is het nieuwe ondernemingsplan summier en in algemene bewoordingen opgesteld en zijn daarin niet de persoonlijke gegevens van eiser opgenomen, alleen die van de mede-vennoten. Ook ontbreekt een op de onderneming en verzoeker toegespitste en met cijfers onderbouwde markt- en concurrentieanalyse en is deze onvoldoende met stukken onderbouwd. Verzoeker voldoet dus niet aan het documentatievereiste. 5.1 Verzoeker voert aan dat het ondernemingsplan alle benodigde informatie bevat en daarom voldoende is om de aanvraag aan de minister van Economische Zaken voor te leggen. 5.2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende deugdelijk gemotiveerd heeft dat in het door verzoeker overgelegde ondernemingsplan een gedegen markt- en concurrentieanalyse ontbreekt. De markt- en concurrentieanalyse biedt geen inzicht in de behoefte aan de activiteiten van verzoekers onderneming en verduidelijkt niet op welke relevante onderdelen verzoekers onderneming zich onderscheidt van de concurrentie. Daarbij komt nog dat het ondernemingsplan en de stukken niet meer zien op de actuele situatie. Reeds hierom heeft verweerder dit ondernemingsplan onvoldoende kunnen vinden om de aanvraag aan de minister van Economische Zaken voor te leggen. 6.1 Verzoeker heeft daarnaast een gemotiveerd beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. 6.2 Dit beroep slaagt niet, omdat niet aannemelijk is geworden dat in die zaken sprake was van vergelijkbare ondernemingsplannen dan wel dat in die zaken vergelijkbare stukken zijn overgelegd als verzoeker in deze procedure heeft gedaan. 7.
- Verzoeker heeft verder aangevoerd dat het huidige strikte toelatingsbeleid voor Turkse ondernemers waarbij vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer meer wordt voorgelegd aan de RVO, een aanscherping betreft van het toelatingsbeleid van Turkse zelfstandigen die ongeoorloofd is en in strijd met de zogeheten standstill-bepaling van het Turks associatierecht. 7.2 Nog afgezien van het feit dat verzoeker zijn betoog dat vrijwel geen enkele aanvraag van een Turkse zelfstandige ondernemer ter advisering wordt voorgelegd, niet heeft onderbouwd, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraken van 29 september 2010 en van 13 november 2012afdoende antwoorden gegeven op de door verzoeker opgeworpen rechtsvragen. Verzoekers gronden die zien op de gestelde strijdigheid van het beleid van verweerder met de standstill-bepaling kunnen reeds hierom niet slagen.
- Omdat de gronden geen aanleiding geven tot twijfel over de juistheid van het bestreden besluit, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Daarnaast zal de voorzieningenrechter, omdat het bestreden besluit op goede gronden is genomen, het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren. In dat kader overweegt de rechtbank dat het betoog van verzoeker op schending van de hoorplicht faalt, nu uit het bezwaarschrift aanstonds blijkt dat de bezwaren van verzoeker ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.
- Voor een proceskostenveroordeling of bepaling dat het griffierecht wordt vergoed bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het bezwaar ongegrond; - wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.E. Toonen, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. griffier voorzieningenrechter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden aan partijen op: ECLI:NL:RVS:2010:BN9181 ECLI:NL:RVS:2012:BY3376