vonnis RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rolnummer: C/09/552104 / HA ZA 18-470 Vonnis van 29 mei 2019 in de zaak van 1 [eisende partij sub 1] , 2. [eisende partij sub 2], beiden te [plaats] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. N.J.M. Beelaerts van Blokland te Den Haag, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2], beiden te [plaats] , gedaagden in conventie, eisers in reconventie, advocaat mr. R.J. Ottens te Noordwijk. Partijen zullen hierna [eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 29 maart 2018 van [eisende partij sub 1 c.s.] , met producties; de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van [gedaagde sub 1 c.s.] , met producties; het vonnis van 4 juli 2018, waarin een comparitie van partijen is bevolen; het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 18 oktober 2018 met de daarin genoemde stukken, waarbij partijen naar mediation zijn verwezen; 1.2. Het proces-verbaal van de comparitie van 18 oktober 2018 is met de instemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen van feitelijke aard over de verslaglegging kenbaar te maken. Hiervan hebben zij geen gebruik gemaakt. 1.3. De mediation is niet gestart. Nadat de zaak weer is opgebracht, is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eisende partij sub 1 c.s.] is sinds 27 oktober 2016 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [plaats] [perceel I] en plaatselijk bekend als de [adres 1] . 2.2. [gedaagde sub 1 c.s.] is sinds 1 februari 2008 eigenaar van het perceel kadastraal bekend [plaats] [perceel II] , plaatselijk bekend [adres 2] . 2.3. [eisende partij sub 1 c.s.] en [gedaagde sub 1 c.s.] zijn buren. In de leveringsakte van [perceel II] aan [gedaagde sub 1 c.s.] wordt onder het kopje erfdienstbaarheden, publiekrechtelijke beperkingen, kwalitatieve bedingen en/of bijzondere bedingen verwezen naar een akte van 19 februari 1959, waarin onder meer woordelijk staat vermeld: “Bij akte van verkoop mede op heden verleden ten overstaan van mij, notaris, werd ten behoeve van het in deze verkochte en ten laste van het resterende deel van het perceel [perceel III] , gevestigd de erfdienstbaarheid van voetpad met het recht om met paarden aan de hand te geleiden van en naar de op het gekochte gelegen paardenstal, uit te oefenen op de voor de eigenaren van het lijdende erf minst bezwarende wijze.” 2.4. De percelen [perceel I] en [perceel II] zijn kadastraal als volgt gelegen. De punten A, B en C zijn ingetekend door de rechtbank en komen hierna verder aan de orde. De blauwe lijn is ingetekend door [eisende partij sub 1 c.s.] en laat de rechtbank als markering verder buiten beschouwing. 2.5. Tot 1959 vormden de percelen [perceel I] en [perceel II] één perceel, gelegen in [plaats] op de hoek van de [Straat 1] en de [Straat 2] , kadastraal bekend als perceel [perceel III] . In 1928 is op dit perceel een woning gebouwd met een vooringang aan de [Straat 2] en de zijgevel grenzend aan de [Straat 1] . Aan de andere kant van het perceel, bevond zich, vanaf de achterzijde van het perceel tot aan de [Straat 1] , een losstaand gebouw met daarin onder meer een bollenschuur. Grenzend aan en haaks op de woning was sprake van een gebouw met daarin onder meer een paardenstal. Na het overlijden van de eigenaar van [perceel III] , de heer [X] , en van zijn echtgenote mevrouw [Y] , is [perceel III] gesplitst in de huidige aan partijen behorende percelen. Een - ongedateerde en moeilijk leesbare - bouwtekening toont de bebouwingen, waaronder de paardenstal, op het voormalige [perceel III] : 2.6. In 1986 was sprake van een open erf tussen de verschillende gebouwen (kort gezegd: woonhuis, paardenstal en bollenschuur). Tussen de (voormalige) paardenstal en de bollenschuur was een opstal met een deur. Zie onderstaande foto uit 1986 (met rechts de (voormalige) paardenstal, links de bollenschuur en ertussen de genoemde opstal met een deur). Afbeelding om privacy redenen niet op rechtspraak.nl 2.7. In 2000 heeft een voormalig eigenaar van [perceel II] een bouwvergunning aangevraagd in verband met de verbouwing van het woonhuis en de overige bebouwing op dat perceel, waaronder de (voormalige) paardenstal, welke verbouwing is gerealiseerd. 2.8. De bebouwing op [perceel I] was tot 2010 mede in gebruik als bollenschuur en huisvestte diverse elkaar opvolgende bedrijven. [eisende partij sub 1 c.s.] heeft na aankoop in 2016 de bebouwing op [perceel I] ingrijpend verbouwd tot één woonhuis. 2.9. Op de grens van [perceel II] en de [Straat 1] bevindt zich, vanaf het woonhuis tot iets voor de erfgrens met [perceel I] , een muur. De ruimte tussen de muur en de stenen erfafscheiding is met planken gedicht. Op de erfgrens van [perceel I] en de [Straat 1] is een hek geplaatst. Zie hiervoor in 2.4 punt A, dat de erfafscheiding tussen de beide percelen aan de zijde van de [Straat 1] markeert. Afbeelding om privacy redenen niet op rechtspraak.nl 2.10. Op de kadastrale grens tussen de percelen [perceel II] en [perceel I] bevindt zich een stenen erfafscheiding (hierna: de stenen erfafscheiding). De stenen erfafscheiding loopt vanaf de erfgrens vanaf de [Straat 1] tot op ongeveer twee meter van de (voormalige) paardenstal van [perceel II] . Aansluitend op de stenen erfafscheiding en tot aan de muur van de (voormalige) paardenstal is een houten schutting geplaatst in de vorm van een L, waarin zich een deur bevindt. Die schutting is (in elk geval gedeeltelijk) gebouwd op [perceel I] . De korte zijde van de schutting is geplaatst aan het einde van de stenen erfafscheiding (zie 2.6) en steekt circa 1 meter uit over [perceel I] . Zie hieronder een foto (waarop de stenen erfafscheiding met klimop is begroeid). De lange zijde is circa 2 meter en loopt vanaf de korte zijde naar de (voormalige) paardenstal. Het venster in de (voormalige) paardenstal, ook zichtbaar op de foto in 2.7, biedt uitzicht op de ‘binnenzijde’ van de schutting en op de tuin in [perceel II] . Zie hiervoor in 2.4 punt B, die de schutting die in een L-vorm op een strook grond is geplaatst die behoort tot [perceel I] markeert. Afbeelding om privacy redenen niet op rechtspraak.nl 2.11. De opstal met deur tussen de (voormalige) paardenstal en de bollenschuur is bij [gedaagde sub 1 c.s.] in gebruik als berging. Zie hiervoor in 2.4 punt C, dat die berging met achterdeur markeert en hiervoor op de foto zichtbaar achter de fiets. 2.12. Bij brief van 8 juli 2017 heeft [eisende partij sub 1 c.s.] aan [gedaagde sub 1 c.s.] meegedeeld dat de schutting op de strook grond behorend bij [perceel I] onrechtmatig op dat perceel staat. Bij brief van 2 oktober 2017 heeft [eisende partij sub 1 c.s.] [gedaagde sub 1 c.s.] gesommeerd om deze erfafscheiding te verwijderen en de erfdienstbaarheid in overeenstemming met de akte uit te oefenen. 3Het geschil in conventie 3.1. [eisende partij sub 1 c.s.] vordert – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. [gedaagde sub 1 c.s.] beveelt de schutting en poort te verwijderen, voor zover die staat op [perceel I] , binnen 14 dagen na het wijzen van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag; II. [gedaagde sub 1 c.s.] beveelt een schutting te plaatsen, althans mee te werken aan het plaatsen van een schutting, op kosten van partijen, op de kadastrale grens die de percelen van elkaar scheidt, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag; III. voor recht verklaart dat de erfdienstbaarheid, zoals gevestigd bij de akte, hetzij op grond van artikel 5:78 sub a van het Burgerlijk Wetboek (BW), hetzij artikel 5:79 BW tot een einde is gekomen; althans (subsidiair) de erfdienstbaarheid opheft op grond van artikel 5:78 sub a BW, hetzij artikel 5:79 BW, althans in goede justitie een andere maatregel treft; IV. voor recht verklaart dat de erfdienstbaarheid, zoals gevestigd bij de akte, voor het deel dat betrekking heeft op het geleiden van paarden aan de hand, tot een einde is gekomen; subsidiair dit deel van de erfdienstbaarheid opheft op grond van artikel 5:79 BW, althans in goede justitie een andere maatregel treft; V. [gedaagde sub 1 c.s.] beveelt – voor zover het onder III gevorderde niet wordt toegewezen – dat de erfdienstbaarheid nog uitsluitend te voet en langs het op productie 14 aangegeven tracé mag worden uitgeoefend, althans langs het op productie 15 aangegeven tracé, althans het op productie 16 aangeven tracé, en daarbij te bevelen dat de erfdienstbaarheid onder alle omstandigheden enkel is bestemd om te komen en gaan en niet om zich op het dienende erf op te houden of daar zaken te plaatsen, dit alles op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag; VI. [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.100,-, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de datum van dit exploot VII. [gedaagde sub 1 c.s.] hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten en de nakosten. 3.2. [eisende partij sub 1 c.s.] legt, samengevat, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. De schutting met poort is geplaatst op de grond die toebehoort aan [perceel I] , en het niet-verwijderen van de schutting en het teruggeven van de grond is onrechtmatig. De erfdienstbaarheid is voorts oorspronkelijk gevestigd voor een agrarisch belang dat er nu niet meer is. Bovendien is als gevolg van het plaatsen van de stenen erfafscheiding de erfdienstbaarheid veel zwaarder gaan drukken op het dienende erf omdat daardoor de toegangsweg naar [perceel II] niet aan de straatzijde, maar juist bij de poort in de schutting is komen te liggen. In elk geval zou de erfdienstbaarheid zo moeten worden verstaan dat de toegangsweg wordt verlegd naar de straatzijde om daarmee zoveel mogelijk het dienende erf te ontlasten. Ten slotte houdt zich op [perceel I] regelmatig een bezoeker van [gedaagde sub 1 c.s.] of een fiets op, waardoor [eisende partij sub 1 c.s.] een gebodsvordering tegen [gedaagde sub 1 c.s.] instelt, die er toe strekt dat men zich alleen mag begeven op het dienende erf om te komen en te gaan van het heersende erf. 3.3. [gedaagde sub 1 c.s.] voert verweer. in reconventie 3.4. [gedaagde sub 1 c.s.] vordert, na vermeerdering van eis, – samengevat – dat de rechtbank Den Haag, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1 c.s.] door middel van verjaring eigenaar is geworden van het stukje erf dat volgens het kadaster oorspronkelijk toebehoorde aan de eigenaar van [perceel I] ; II. [eisende partij sub 1 c.s.] beveelt de erfdienstbaarheid, zoals die oorspronkelijk is gevestigd bij de akte, te eerbiedigen en de doorgang vrij te houden voor een voetganger met een fiets, en [eisende partij sub 1 c.s.] voorts te bevelen dat zij geen auto’s of tuinmaterieel plaatsen op het voetpad, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag; III. [eisende partij sub 1 c.s.] beveelt het gedeelte van het aan [gedaagde sub 1 c.s.] toebehorende erf dat zich bevindt voor de achterdeur vrij te houden en te eerbiedigen, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag; IV. [eisende partij sub 1 c.s.] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.327,67 en de nakosten van € 131,- en € 199,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente; V. [eisende partij sub 1 c.s.] veroordeelt in de proceskosten in conventie en in reconventie. 3.5. [gedaagde sub 1 c.s.] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [gedaagde sub 1 c.s.] is (primair) door verkrijgende, althans (subsidiair) bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de grond waaromheen de houten schutting staat. De vordering tot eerbiediging van de erfdienstbaarheid, door het vrijhouden van het voetpad voor voetganger en fiets baseert [gedaagde sub 1 c.s.] op de stelling dat [eisende partij sub 1 c.s.] regelmatig het voetpad blokkeert door daar de auto, het tuinmeubilair of andere zaken te plaatsen. Aan de vordering tot het vrijhouden van de strook grond voor de berging met achterdeur legt [gedaagde sub 1 c.s.] ten grondslag dat hij eigenaar is van die grond en dat [eisende partij sub 1 c.s.] de aldaar ten onrechte geparkeerde fietsen verwijdert. 3.6. [eisende partij sub 1 c.s.] voert verweer. In conventie en reconventie 3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling In conventie en reconventie 4.1. Aan de orde is het volgende. [gedaagde sub 1 c.s.] gebruikt [perceel I] om te komen en te gaan van en naar de [Straat 1] en te voet en/of met de fiets en/of de afvalbak in de hand naar en van zijn achtertuin en de (voormalige) paardenstal gelegen op [perceel II] . De (voormalige) paardenstal is nu onderdeel van zijn woonhuis. In de (voormalige) paardenstal bevindt zich nu mede een bijkeuken. Hij bereikt de tuin en de (voormalige) paardenstal door de poort in de schutting die in een L-vorm op een strook grond is geplaatst die behoort tot [perceel I] (punt B). Daarnaast gebruikt hij [perceel I] om te komen en te gaan van en naar de [Straat 1] en te voet en/of met de fiets en/of de afvalbak in de hand naar en van de berging met achterdeur die gelegen is op [perceel II] . De berging is gelegen tussen de (voormalige) paardenstal en de (voormalige) bollenschuur en geeft aan de kopse zijde van de (voormalige) paardenstal toegang tot de bijkeuken en, via de bijkeuken, zijn woonhuis (punt C). Kort gezegd heeft [eisende partij sub 1 c.s.] als inzet van deze procedure dit gebruik van zijn perceel door [gedaagde sub 1 c.s.] te doen eindigen, althans zijn erf minder belastend te doen gebruiken door [gedaagde sub 1 c.s.] , onder meer door een toegangsmogelijkheid te creëren in de nabijheid van de erfafscheiding tussen de beide percelen aan de zijde van de [Straat 1] (punt A). [gedaagde sub 1 c.s.] beoogt daarentegen het huidige gebruik te bestendigen. 4.2. De rechtbank moet, gelet op het debat tussen partijen, beoordelen wie eigenaar is van de grond die behoort tot [perceel I] waarop in een L-vorm een schutting met poort is geplaatst (I) en of de erfdienstbaarheid uit 1959 is komen te vervallen, althans wat de inhoud en reikwijdte van die erfdienstbaarheid is en wat de minst bezwarende wijze van uitoefening daarvan is (II). De rechtbank zal, indien en voor zover nodig, ook beoordelen of door verkrijgende verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan om te komen en te gaan van en naar de [Straat 1] naar en van de berging met achterdeur (III). Zij besluit met een conclusie (IV). 4.3. Gelet op de onderlinge samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen. (I) De eigendom van de grond die behoort tot [perceel I] waarop in een L-vorm een schutting met poort is geplaatst 4.4. [eisende partij sub 1 c.s.] stelt dat [gedaagde sub 1 c.s.] met het plaatsen van de schutting met poort op de grond die behoort tot [perceel I] onrechtmatig inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht en vordert daarom de schutting met poort te verwijderen. [gedaagde sub 1 c.s.] verweert zich met een beroep op verjaring van de door de schutting omsloten strook grond.. Hij beroept zich primair op verkrijgende verjaring en subsidiair op bevrijdende verjaring. 4.5. [gedaagde sub 1 c.s.] stelt dat er al lang een schutting met poort op de huidige plek heeft gestaan. De huidige (vernieuwde) schutting met poort staat er in elk geval sinds 2000 en is er neergezet door de heer [A] , de voormalige eigenaar van [perceel II] . Met de buren is besproken dat dit een goede afscheiding was, dus [gedaagde sub 1 c.s.] is te goeder trouw. Zowel de korte verjaringstermijn van tien jaar als de lange termijn van twintig jaar zijn derhalve voltooid. [gedaagde sub 1 c.s.] heeft zijn stellingen onderbouwd met schriftelijke verklaringen van buurtbewoners, waarin het volgende is vermeld. Mevrouw [B] : “Ik, mevrouw [B] woon sinds 1963 aan de [adres 3] . Sinds de eerste eigenaren, de fam. [X] van de [adres 3] zijn overleden is middels de erfenis de bollenschuur, nu [adres 1] en het woonhuis gescheiden. De beide dochters [X] die aan de [adres 2] zijn blijven wonen, hebben een erfafscheiding met poort laten maken om beide delen van elkaar te scheiden. Ik kwam regelmatig bij hun om ze te helpen en verzorgen. Wanneer de poort precies geplaatst is weet ik niet meer, maar zeker voor 1993. In dat jaar is de bollenschuur nl voor het eerst te koop gezet. (…)” De heer [C] “Mijn naam is [C] en ik ben geboren ( [geboortejaar] ) en getogen op de [Straat 1] in [plaats] . Eerst op nummer [nummer] en sinds 1980 op [adres 4] . Ik kwam als kleine jongen al bij de familie en mocht mee op paard en wagen die in de stal stonden naast de bollenschuur. Ook toen al waren het woonhuis en oprit/bollenschuur d.m.v. een hek en poort gescheiden. In de loop van de jaren is die natuurlijk wel vernieuwd, maar heeft er altijd gestaan. (…)” De heer [A] “Hierbij verklaar ik, [A] , eigenaar en bewoner van de [adres 2] tot 1 februari 2008, dat er altijd een houten erfafscheiding is geplaatst met een toegangspoort om mijn tuin af te sluiten. Dit was al zo vanaf mei 2000. (…)” De heer [D] “Hierbij verklaar ik, [D] , eigenaar van [de Winkel] aan de [adres 5] , dat de fam [A] een houten erfafscheiding met poort heeft geplaatst als afscheiding van hun tuin. Ik kwam daar omdat ik een tijd de bollenschuur het gehuurd als opslag voor mijn fietsen. (…)” 4.6. Voor verkrijgende verjaring is vereist (artikel 3:99 BW) dat gedurende een onafgebroken periode van tien jaar sprake is geweest van bezit te goeder trouw van het desbetreffende stuk grond (hierna de strook grond). Van bezit te goeder trouw is sprake als [gedaagde sub 1 c.s.] zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijze zo mag beschouwen (artikel 3:118 BW). Voor bevrijdende verjaring doet niet ter zake of sprake is van bezit te goeder trouw. De in bezit genomen zaak komt na de verjaring van de rechtsvordering van de eigenaar tot beëindiging van het bezit in eigendom toe aan de bezitter (artikel 3:105 BW) en een rechtsvordering verjaart na verloop van twintig jaren (artikel 3:306 BW). 4.7. Gegeven de stuiting van de verjaring door [eisende partij sub 1 c.s.] bij brief van 8 juli 2017 geldt dat de verjaringstermijn uiterlijk in 2007 (op 7 juli 2007), respectievelijk in 1997 (op 7 juli 1997) dient te zijn aangevangen om het beroep van [gedaagde sub 1 c.s.] op verkrijgende verjaring (wat betreft de termijn) respectievelijk bevrijdende verjaring te kunnen doen slagen. Voor een geslaagd beroep op verkrijgende verjaring dient voorts, gelet op het debat tussen partijen, de goede trouw van [gedaagde sub 1 c.s.] vast te staan, oftewel dat hij zich redelijkerwijze als rechthebbende van de strook grond mocht beschouwen, bijvoorbeeld omdat, zoals hij stelt, een voormalig eigenaar van [perceel I] heeft ingestemd met de plaatsing van de schutting met poort op de wijze zoals nu het geval is, met een oversteek op [perceel I] . 4.8. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat de huidige situatie in ieder geval sinds 2000, met de verbouwing door de heer [A] van het woonhuis en de overige bebouwing op [perceel II] , bestaat. Voor zover al in geschil, heeft [eisende partij sub 1 c.s.] deze stelling van [gedaagde sub 1 c.s.] en de schriftelijke verklaringen van de heren [A] en [D] op dit punt onvoldoende gemotiveerd betwist. 4.9. Daarmee staat evenwel niet vast dat [gedaagde sub 1 c.s.] door verjaring eigenaar is geworden van de strook grond. De overgelegde schriftelijke verklaringen rechtvaardigen die conclusie niet zonder meer. Mogelijk is steeds (dat wil zeggen: nadat de stenen erfafscheiding op het open erf is geplaatst) sprake geweest van een erfafscheiding die voorkwam dat door het venster in de voormalige paardenstal zicht bestond op [perceel I] , zoals [gedaagde sub 1 c.s.] stelt. Ook is mogelijk – en lijkt logisch - zoals [gedaagde sub 1 c.s.] eveneens stelt, dat vanwege dat venster nooit sprake is geweest van een erfafscheiding in het verlengde van de stenen erfafscheiding omdat dat zou betekenen dat die erfafscheiding haaks in het venster geplaatst is geweest. Niettemin geven de schriftelijke verklaringen onvoldoende antwoord op de vraag of ook vóór 2000 sprake is geweest van een schutting, althans erfafscheiding in de huidige bestaande L-vorm die oversteekt op dat perceel en is niet duidelijk of en in hoeverre in 2000 afspraken zijn gemaakt met de toenmalige eigenaar van [perceel I] over de toen geplaatste schutting zoals [gedaagde sub 1 c.s.] heeft gesteld, althans dat de voormalig eigenaar van [perceel I] anderszins de (voormalig) eigenaar van [perceel II] beschouwde als gerechtigde van de strook grond. 4.10. Gelet op de betwisting door [eisende partij sub 1 c.s.] van de stelling van [gedaagde sub 1 c.s.] dat al vóór 2000 sprake is geweest een schutting met poort in een vergelijkbare L-vorm zoals nu het geval is en [gedaagde sub 1 c.s.] te goeder trouw is, stelt de rechtbank [gedaagde sub 1 c.s.] in de gelegenheid bewijs te leveren van de feiten:(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.