Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/568957 / KG ZA 19/194 Vonnis in kort geding van 14 maart 2019 in de zaak van [eiser] , thans verblijvende in Justitieel Complex [locatie] te [plaats] , eiser, advocaat mr. J.R.A. Röschlau te Zeist, tegen: de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties; - de door de Staat overgelegde producties; - de op 12 maart 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Op 14 maart 2019 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking, die is vastgesteld op 28 maart 2019. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. Bij vonnissen van Court Sąd Rejonowy in Kielce (Polen) van [datum 1] 2016 en [datum 2] 2016 zijn aan [eiser] gevangenisstraffen van respectievelijk vier jaar en één jaar en zes maanden opgelegd. 2.2. Bij Europees aanhoudingsbevel van 21 december 2017 van Court Sąd Rejonowy in Kielce (Polen) is de overlevering van [eiser] gevraagd met het oog op de tenuitvoerlegging van voormelde gevangenisstraffen (hierna: het EAB). 2.3. Bij uitspraak van 14 februari 2019 heeft de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam (hierna: de IRK) de verzochte uitlevering toegestaan. Hierbij heeft de IRK voor zover nu relevant als volgt overwogen: “De enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon een rechtsmiddel tegen de vonnissen wil instellen, vormt geen beletsel voor het toestaan van de verzochte overlevering. Verder is er geen aanleiding voor de rechtbank in deze zaak nader onderzoek te doen naar de rechtsstaat in Polen. De toetsing van de rechtbank beperkt zich tot het onderliggende EAB, te weten het verzoek tot overlevering ter tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen. In dat kader is gesteld noch gebleken dat vorenbedoeld nader onderzoek nodig is. De waarborging van het naleven van mensenrechten bij eventuele strafvervolgingen van de opgeëiste persoon in Polen, valt buiten het bereik van het onderhavige besliskader. Er ligt immers geen verzoek tot beslissing over overlevering vanwege vervolging van strafbare feiten. Zoals de officier van justitie heeft opgemerkt, zal de opgeëiste persoon worden overgeleverd met de beschermende werking van het specialiteitsbeginsel, zodat hij in de lopende strafzaken wel kan worden vervolgd, maar dat zijn vrijheid hem niet kan worden benomen in die zaken. Als de uitvaardigende justitiële autoriteit dit anders had gewild dan had een daartoe strekkend EAB uitgevaardigd moeten worden.” 2.4. De advocaat van [eiser] heeft op 14 februari 2019 beroep in cassatie ingesteld tegen de beslissing van de IRK. Blijkens de betreffende Akte instellen rechtsmiddel heeft de griffier van de rechtbank Amsterdam de advocaat er daarbij op gewezen dat er geen (gewoon) rechtsmiddel openstaat tegen de beslissing van de IRK. 2.5. Ten tijde van de uitspraak van de IRK was er sprake van twee lopende strafrechtelijke vervolgingen in Nederland. In een van deze zaken is [eiser] inmiddels onherroepelijk vrijgesproken. De andere zaak is inmiddels geseponeerd. 2.6. De Staat is voornemens de feitelijke overlevering van [eiser] aan de Poolse autoriteiten in de week van 18 maart 2018 te laten plaatsvinden. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat, op straffe van verbeurte van een dwangsom: op te dragen de uitspraak van de IRK niet uit te voeren tot het moment dat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan, dan wel de Rechtbank Amsterdam een nader onderzoek heeft ingesteld; te verbieden [eiser] uit te leveren aan Polen; te verbieden [eiser] uit te leveren aan Polen totdat er een reactie is vernomen van de Procureur-Generaal van de Hoge Raad; te verbieden [eiser] uit te leveren aan Polen totdat de te doorlopen procedure bij het Europese Hof is beëindigd, met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure. 3.2. Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. [eiser] kan in Polen worden vervolgd voor twee andere zaken. De Poolse autoriteiten hebben geen enkele garantie afgegeven dat [eiser] voor die andere zaken in Polen niet vervolgd zal worden. De Poolse autoriteiten hebben ten onrechte die twee zaken niet genoemd in het EAB, om de problematiek bij overleveringen aan Polen met het oog op vervolging te omzeilen. De IRK – die wetenschap had van die twee andere zaken – had kritischer naar het EAB moeten kijken en [eiser] is er niet van overtuigd dat hij in Polen een beroep kan doen op het specialiteitsbeginsel. Vanwege schending van zijn rechten heeft [eiser] bij de Hoge Raad cassatie in het belang van de wet ingediend. [eiser] wil zich ook beklagen bij het Europese Hof over het feit dat er in Nederland – anders dan in andere landen van de Europese Unie, zoals België – geen appelmogelijkheden bestaan in overleveringszaken. [eiser] heeft hierdoor in Nederland minder rechten of mogelijkheden tot het uitoefenen van zijn rechten dan in België. Van een land als Nederland zou verwacht mogen worden dat er bij belangrijke beslissingen ten minste één beroepsmiddel openstaat. Het is in het belang van [eiser] dat een uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van zijn cassatieverzoek wordt afgewacht en dat een door [eiser] te voeren procedure bij het Europese Hof van Justitie wordt afgewacht. Met de kennis van de twee in Polen lopende vervolgingszaken had de IRK aansluiting moeten zoeken bij de uitspraken in andere zaken met betrekking tot verzoeken van de Poolse autoriteiten tot overlevering met het oog op vervolging en nadere vragen aan de Poolse autoriteiten moeten vragen. Doordat de IRK dat niet heeft gedaan, is er sprake van een feitelijke en/of juridische misslag in de uitspraak van de IRK van 14 februari 2019. 3.3. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil 4.1. Volgens [eiser] handelt de Staat onrechtmatig jegens hem door over te gaan tot zijn overlevering aan de Poolse autoriteiten. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – en in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven. 4.2. [eiser] beoogt met zijn vorderingen te bereiken dat de Staat niet kan overgaan tot zijn overlevering, althans niet totdat door de Hoge Raad en/of het Europese Hof van Justitie over die overlevering is geoordeeld. Voor het treffen van een daarop gerichte ordemaatregel is echter geen aanleiding. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. 4.3. Op grond van artikel 29 van de Overleveringswet ('Ow') is een uitspraak van de IRK waarbij een verzochte overlevering is toegestaan onmiddellijk uitvoerbaar (lid 1) en staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open, anders dan door de procureur-generaal bij de Hoge Raad in te stellen beroep in cassatie in het belang der wet (lid 2). Verder bepaalt artikel 35 lid 1 dat een toegestane overlevering binnen tien dagen na de betreffende uitspraak feitelijk moet plaatsvinden. Op grond van artikel 35 lid 2 en 3 kan een toegestane overlevering worden uitgesteld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.