RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL19.11772 V & NL19.13913 uitspraak van de enkelvoudige kamer en van de voorzieningenrechter van 20 juni 2019 op het verzet en het verzoek om een voorlopige voorziening van [opposant en verzoeker], opposant en verzoeker, V-nummer [V-nummer] hierna te noemen opposant, (gemachtigde: mr. J.J.T. van Loo). Procesverloop Bij besluit van 20 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (verweerder) de aanvraag van opposant tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Opposant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft de rechtbank Den Haag dat beroep kennelijk ongegrond verklaard. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld. Tevens heeft opposant de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen aan Italië voordat de rechtbank op het verzet heeft beslist. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is mr. E. de Jong namens verweerder verschenen. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder uit heeft mogen gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië en dat verweerder in hetgeen opposant heeft aangevoerd geen grond heeft hoeven zien om zijn verzoek om internationale bescherming aan zich te trekken omdat de overdracht van opposant aan Italië vanwege bijzondere individuele omstandigheden van een onevenredige hardheid zou getuigen. Om die reden concludeert de rechtbank dat verweerder de asielaanvraag van opposant terecht niet in behandeling heeft genomen.
- In verzet voert opposant aan dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. De rechtbank is er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat hij in Italië opvang zal krijgen. Opposant verwijst naar Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH), ‘Aktuelle Situation für Asylsuchende in Italien’, van 8 mei 2019 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 21 mei 2019, met zaaknummer NL19.7834, waarin de rechtbank het beroep van de betreffende vreemdeling gegrond heeft verklaard onder verwijzing naar Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Italy. Update 2017’, van april
- Voorts voert opposant aan dat hij voldoende aanknopingspunten naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat de opvang in Italië dermate is versoberd dan wel verslechterd dat deze opvang structureel tekort schiet. In dit verband verwijst opposant naar het voornoemde SFH rapport. Tot slot meent opposant dat hij duidelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht naar Italië geen opvang zal krijgen en op straat zal belanden, hetgeen maakt dat zijn overdracht van een onevenredige hardheid getuigt waardoor verweerder zijn asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken.
- In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
- Vooropgesteld wordt dat de rechtbank in de uitspraak is ingegaan op de door opposant naar voren gebrachte beroepsgronden, waarin hij onder meer heeft verwezen naar een aantal pagina’s uit het rapport van de SFH. De rechtbank heeft dit rapport kenbaar in de beoordeling betrokken. Uit dit rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de opvangvoorzieningen in Italië structurele tekortkomingen vertonen. Hoewel opposant in verzet aanvoert dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat hij in Italië opvang zal krijgen, heeft verweerder ter zitting terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861). De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld dat ten aanzien van Italië nog steeds uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze beoordeling is de AIDA update van 2018 betrokken en overwogen dat dit rapport aandacht vraagt voor de mogelijkheid dat opvang wordt geweigerd na eerder vertrek, maar niet aangeeft dat daadwerkelijk opvang van Dublinclaimanten na eerder vertrek met enige regelmaat wordt geweigerd. De rechtbank ziet in hetgeen opposant heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 juni
- Om die reden is het verzet ongegrond. Dit betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
- Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing - de rechtbank verklaart het verzet ongegrond; - de voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. de Grauw, griffier. griffier rechter Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.