Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 19/1186 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2019 in de zaak tussen [EISERES], te [PLAATS], eiseres(gemachtigde: mr. C.J. van der Have), en de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder. De bestreden beslissing op bezwaar De beslissing van verweerder van 28 januari 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van verweerder van 27 november
- Zitting Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni
- Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A]. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen
- In geschil is of verweerder [B] ([B]) terecht met ingang van 1 februari 2018 heeft aangemerkt als de toeslagpartner van eiseres.
- Eiseres stelt dat sprake is van huur van een gedeelte van de woning van [B] op zakelijke gronden, zodat [B] niet als partner voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget voor het jaar 2018 moet worden aangemerkt. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst eiseres op de met [B] gesloten kostgangersovereenkomst van 14 januari 2018 en de omstandigheid dat aan haar een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) is toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Omdat eiseres eerst met ingang van 23 oktober 2018 een bijstandsuitkering is gaan ontvangen, was het voor haar tot 24 oktober 2018 niet mogelijk om de huur te voldoen. Zij heeft daarom een overeenkomst van uitstel van betaling gesloten met [B]. Daarnaast stelt eiseres dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel.
- Niet in geschil is dat eiseres en [B] met ingang van 23 januari 2018 op hetzelfde adres in de Basisregistratie Persoonsgegevens staan ingeschreven en dat het minderjarige kind van eiseres eveneens op dit woonadres staat ingeschreven. Dit betekent dat verweerder [B] mocht aanmerken als partner van eiseres in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, tenzij eiseres door middel van een schriftelijke huurovereenkomst doet blijken dat zij op zakelijke gronden een gedeelte van de woning van [B] huurt. Hierin is zij niet geslaagd, aangezien zij de huur over het jaar 2018 niet heeft betaald. De met [B], kort na het ondertekenen van de kostgangersovereenkomst, gesloten overeenkomst van uitstel van betaling van 1 februari 2018 kan niet als een zakelijke betalingsregeling worden gezien nu daar geen uitvoering aan is gegeven. Hoewel eiseres met ingang van 23 oktober 2018 een bijstandsuitkering is gaan ontvangen, is zij per die datum noch tot aan de zittingsdatum overgegaan tot betaling van de huurachterstand. Dat eiseres met ingang van januari 2019 de maandelijks verschuldigde huurprijs is gaan betalen, heeft geen gevolgen voor de toeslagen van eiseres over het jaar 2018, maar voor de toets of [B] voor het jaar 2019 als toeslagpartner van eiseres is aan te merken. Dat aan eiseres een uitkering op grond van de Pw is toegekend naar de norm voor een alleenstaande, leidt evenmin tot een ander oordeel. De gemeente Den Haag is immers een ander bestuursorgaan en belast met de uitvoering van andere wetten dan verweerder. Gelet op het voorgaande heeft verweerder [B] terecht als partner voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van eiseres aangemerkt per 1 februari
- Naar het oordeel van de rechtbank is van een motiveringsgebrek geen sprake. In de brief van 26 februari 2018 is aangegeven dat de handtekening van [B] ontbreekt en zonder zijn handtekening de toeslag wordt stopgezet. In het bestreden besluit is door verweerder verwezen naar het besluit met kenmerk [KENMERK] (het primaire besluit) en is toegelicht waarom dat besluit niet is herzien. In het primaire besluit staat dat [B] wegens het ontbreken van betaalbewijzen blijft meetellen bij de berekening van toeslagen als eiseres overweegt dit weer aan te vragen. Verweerder heeft hiermee voldoende gemotiveerd wat de grondslag van de besluiten is. In het verweerschrift heeft verweerder verder aangegeven dat thans, naar verweerder ter zitting heeft gesteld uit coulance zonder handtekening van [B], een herberekening van de voorschotten zorgtoeslag en het kindgebonden budget kan worden gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met het inkomen van [B].
- Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
- De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)